Respect op de regenboogtrap: hoe gaan middelbare scholen om met seksuele diversiteit?

Respect op de regenboogtrap: hoe gaan middelbare scholen om met seksuele diversiteit?

Paars, blauw, groen, geel, oranje, rood: iedere traptrede heeft een kleur van de regenboog. Op de bovenste trede volgt een mooie tekst, als symbool van diversiteit. Volgend schooljaar krijgt een middelbare school in Hillegersberg-Schiebroek zo’n trap. De school wil daarmee laten zien dat alle leerlingen welkom zijn, welke seksuele gerichtheid ze ook hebben. Toch is er geen directe aanleiding om de trap te bouwen: incidenten zijn er niet geweest en het onderwerp seksualiteit wordt volgens docenten openlijk besproken. Als er ogenschijnlijk niks aan de hand is, waarom is de regenboogtrap dan toch belangrijk? IDEM-onderzoeker Bauke Fiere ging in gesprek met docenten en managers op middelbare scholen in Hillegersberg-Schiebroek, het stadsgebied met relatief gezien de grootste groep kinderen tussen 12 en 17 jaar.[i]

Om acceptatie en veiligheid van lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgender personen (lhbt) in het onderwijs te vergroten, zijn scholen sinds eind 2012 verplicht om aandacht te besteden aan seksuele diversiteit. De manier waarop scholen dit invullen – van trainingen tot regenboogtrappen – staat vrij. Toch heeft deze verplichting nog niet geleid tot een veilige schoolomgeving voor (alle) lhbt-leerlingen, zo blijkt uit onderzoek van Columbia University in samenwerking met COC Nederland uit 2018.[ii] Bijna de helft van de lhbt-leerlingen die aan dit laatste onderzoek meededen, werd in het jaar ervoor op school uitgescholden wegens hun seksuele oriëntatie en ruim een kwart om hun genderexpressie. Een kleinere groep kreeg te maken met licht of zwaar geweld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat lhbt-leerlingen zich vaker eenzaam voelen en vaker afwezig zijn dan de gemiddelde leerling in Nederland.

“Je hoeft niet te praten over iets wat niet speelt”

Het grootste deel van de leerlingen op de middelbare scholen in Hillegersberg-Schiebroek heeft geen moeite met seksuele diversiteit, zo menen de geïnterviewde onderwijsprofessionals. Verschillende leerlingen zijn openlijk lhbt en er zijn weinig incidenten bekend. Echter, tussen de professionals (en de scholen waar zij werken) bestaan verschillen in aanpak en insteek van dit onderwerp in de les. Onderwijsmanager Peter vertelt dat het thema bij hem op school alleen voorbij komt in het lesprogramma bij biologie. Pas als er signalen vanuit het zorgteam komen dat het nodig is, wordt het onderwerp in de mentorles aangekaart. Volgens hem zijn deze signalen echter uitzonderlijk. Op deze school is er dan ook geen speciaal programma over seksuele diversiteit. Peter vindt het niet nodig om hier extra aandacht aan te besteden, omdat er volgens hem niet gediscrimineerd wordt op school. “Het onderwerp speelt hier niet. Je hoeft niet te praten over iets wat niet speelt.”

Deze reactie is bepaald niet uniek. Freek Bucx, onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau, krijgt geregeld te horen dat seksuele diversiteit geen issue is.[iii] “Er zijn scholen die ontkennen dat er een probleem is, omdat zich nooit incidenten voordoen. Maar er zijn natuurlijk wel lhbt-leerlingen en dat zij nooit problemen hebben, is moeilijk voorstelbaar.” Voor een onderwijsprofessional is het lastig om te weten of er leerlingen zijn met een negatieve houding en intolerantie jegens lhbt-jongeren. Het gegeven dat leerlingen openlijk uit de kast zijn gekomen, betekent niet automatisch dat alle lhbt-leerlingen de schoolomgeving als veilig genoeg ervaren om hun seksuele oriëntatie of genderexpressie te delen. Bovendien is het voor docenten niet altijd zichtbaar wanneer leerlingen gepest worden.

Ook wanneer iedereen op school het ermee eens is dat seksuele diversiteit geaccepteerd moet zijn, betekent dit niet dat je er niet over hoeft te praten. Een leerling die participeerde in het onderzoek ‘Niet langer een keuze’[iv] van de Onderwijsalliantie voor Seksuele Diversiteit, legt uit waarom het toch belangrijk is om seksuele diversiteit te bespreken. “Waar ik op school zat, was iedereen het er wel mee eens dat het geaccepteerd moest zijn. Daarom hoefde er verder niet over gepraat te worden. Dat is geen goede houding, omdat het voor veel mensen, lhbt+ of niet, tóch een moeilijk issue is.”

In tegenstelling tot Peter zijn de andere onderwijsprofessionals van mening dat extra aandacht voor seksuele diversiteit nodig is, ongeacht of er op hun school incidenten zijn. Die incidenten zijn er in de samenleving namelijk nog wel. Ook op scholen. Zo werd de viering van Coming Out Day op een school in Almere dit jaar verstoord door posters van de muren te trekken en er werden zelfs homofobe dreigementen geuit op sociale media. Docent Monique, die al ruim dertig jaar in het onderwijs in Hillegersberg werkt, vindt het belangrijk om expliciet aandacht te besteden aan seksuele diversiteit. “Zolang het nog niet heel gewoon is, moet je je er bewust van blijven dat je er moeite voor moet blijven doen. Je moet niet denken dat we het wel gewoon kunnen laten, dat het dan vanzelf wel goed blijft gaan.”

Moderne homofobie

Volgens Laurens Buijs, sociaal wetenschapper aan de UvA, is homofobie in Nederland veel subtieler aanwezig en beter verstopt dan jaren geleden. Het grootste deel van de Nederlandse samenleving, waaronder ook jongeren, kan naar zijn mening heel goed beredeneren waarom lhbt’ers geaccepteerd moeten worden. In de praktijk ervaart een deel van hen toch vaak enig ongemak wanneer ze met homoseksualiteit en genderdiversiteit in aanraking komen. Ze vinden het bijvoorbeeld vies, eng of afkeurenswaardig. Buijs noemt dit moderne homofobie.[v] Omdat vormen van moderne homofobie goed verstopt zijn en half onbewust plaatsvinden, zijn ze ook lastig aan te pakken. De wetenschapper vindt de middelbare school de uitgelezen plek om iets te doen tegen moderne homofobie, omdat de middelbare school een essentiële rol speelt in de ontwikkeling van de seksuele en genderidentiteit van jongeren.

Een aantal professionals erkent het belang van een brede benadering van het thema, bijvoorbeeld door het aan bod te laten komen in lessen over liefde, diversiteit en pesten. Wanneer seksuele diversiteit alleen als apart thema wordt behandeld, of slechts in de biologieles bij seksuele voorlichting ter sprake komt, bestaat er volgens hen een kans dat dit eerder stigmatiserend werkt. Monique vindt het belangrijk om te laten zien dat (seksuele) diversiteit normaal is. “Het wordt bij ons op school eigenlijk gebracht als een vanzelfsprekendheid dat mensen gewoon heel verschillend zijn, ook op seksueel gebied.” Wanneer zij het thema liefde op school behandelen, steken ze dit breed en inclusief in. Onderling is afgestemd dat zowel man-vrouwliefde als mannenliefde als vrouwenliefde dan aan de orde komen. Daarnaast zijn er momenten waarop er specifieke aandacht is voor seksuele diversiteit. In de tweede klas komen trainers van het COC die zelf lhbt zijn langs om voorlichting te geven en sinds een aantal jaar wordt Paarse Vrijdag gevierd: door het dragen van de kleur paars tonen leerlingen en docenten op deze vrijdag hun solidariteit met lhbt’ers.

Gender & Sexuality Alliance

Toch kan het volgens docent Martijn, een collega van Monique, nog beter. Hij gaat in het nieuwe schooljaar proberen een Gender & Sexuality Alliance (GSA) op te zetten. Een GSA is een groep leerlingen – en soms ook docenten – die zich inzet voor de acceptatie van seksuele en genderdiversiteit. Ook komt er op de school waar zij werken een regenboogtrap om zichtbaar te maken dat de school toegankelijk is voor iedereen. “Iedereen is welkom bij ons op school en diversiteit zien we als iets heel moois. Ik vind het een zeer belangrijk signaal naar onze leerlingen: hier mag en kun je jezelf zijn. Iedereen loopt elke dag over die trap, dus staat letterlijk in verbinding met dit gedachtegoed.”

Ronald werkt net als Monique al jaren in het onderwijs en is momenteel onderwijsmanager. Hij sluit zich aan bij het belang van het bespreken van seksuele diversiteit als iets normaals. “Wat we het liefste doen is benadrukken dat het normaal is in het leven en de wereld, in plaats van er een project van te maken. Je hebt al deze verscheidenheden, net als etniciteiten, religies en dus ook seksuele voorkeuren en dat bespreken we gewoon met leerlingen, zonder dat het gehighlight wordt.” Hij is geen voorstander van het uitnodigen van lhbt’ers die hun verhaal in de klas komen vertellen, omdat dit naar zijn mening eerder stigmatiseert dan wanneer je het normaal bespreekt.

Martijn, daarentegen, is erg te spreken over de voorlichting die zij samen met het COC aan de leerlingen in de tweede klas geven. Ook Buijs pleit ervoor om jongeren in aanraking te laten komen met ervaringsverhalen van minderheden op het gebied van gender en seksualiteit. Het is dan belangrijk dat de ervaringsdeskundigen jongeren zijn met wie zij zich kunnen identificeren en in wie zij zich herkennen. “Want iedereen weet uiteindelijk wat het is om anders te zijn, ergens niet bij te horen, met een geheim rond te lopen, of jezelf niet te kunnen zijn. Op die manier leren ze niet alleen dat lhbt’ers maar gewoon mensen zijn, maar voelen ze het ook.”

Homoschelden

In Nederland wordt ‘homo’ vaak als scheldwoord gebruikt en er worden veel grappen over lhbt’ers gemaakt. Dit soort opmerkingen hebben meestal betrekking op alles wat als niet-mannelijk of normoverschrijdend wordt gezien en zijn niet altijd specifiek gericht op lhbt’ers. Veel lhbt’ers ervaren deze woorden toch als kwetsend. En de impact ervan is aanzienlijk, ongeacht wat met het ‘grapje’ bedoeld wordt. Programmamaker Nicolaas Veul maakt dit zichtbaar in zijn documentaire Pisnicht: the Movie. Zelf heeft Veul jarenlang in de kast gezeten omdat hij opgroeide met het beeld dat een homo inferieur is. Elke keer wanneer er met ‘homo’ werd gescholden, al dan niet tegen hem gericht, deed dit iets met zijn zelfbeeld en werd het voor hem moeilijker om naar vrienden en familie open te zijn over homoseksualiteit. Inmiddels doen homograppen en -scheldwoorden hem een stuk minder. Maar wanneer je jong bent is dat een stuk lastiger, geeft hij aan. “Woorden hebben betekenis. Betekenis heeft impact.”[vi]

Je kunt je afvragen of school wel een veilige omgeving  voor lhbt-leerlingen is wanneer er geregeld met ‘homo’ wordt gescholden of hier grapjes over worden gemaakt. Volgens de geïnterviewde professionals komt homoschelden ook op hun scholen voor. Dit wordt niet door iedereen als (even) problematisch ervaren. Ronald geeft aan dat “het bij het opgroeien en volwassen worden hoort dat je af en toe geestelijk of fysiek een kras oploopt”. Plagen is volgens hem “een heel goed maatschappelijk middel tot ontlading en prikken”. Hij berispt leerlingen alleen wanneer ‘homo’ discriminerend bedoeld wordt. Wel zegt hij het lastig te vinden waar precies de grens ligt van wat moet kunnen. Ook omdat het gebruik van homo als ‘krachtterm’ wel stigmatiserend is. En wanneer wordt plagen pesten? Hoe kun je als docent zien wat de impact van het ‘ongericht’ roepen met ‘homo’ is op individuele leerlingen die zelf (al dan niet openlijk) lhbt zijn of lhbt’ers in hun naaste omgeving hebben?

Op de school waar Monique werkt wordt homoschelden in geen geval getolereerd. “Er zijn natuurlijk ook groepen, met name jongens, die gewend zijn om te roepen ‘hé homo!’ Wie het ook roept, we maken er altijd een punt van. Dan zeggen ze natuurlijk: ‘ja, dat bedoelen we helemaal niet.’ Dan kan je toch ook iets anders zeggen? Als je dat toch niet bedoelt? Ook dat grijp je weer aan om het erover te hebben.”

Negatieve reacties

Naast de verstopte of onbedoelde vormen van moderne homofobie, zijn er ook leerlingen die openlijk een negatieve houding aannemen tegenover seksuele diversiteit en genderdiversiteit. Dit kan lhbt-leerlingen het gevoel geven dat ze niet zichzelf kunnen zijn op school en dat ze hier niet veilig zijn. Het onderzoek ‘Anders in de klas’[vii] van het SCP legt uit waar negatieve houdingen over seksuele diversiteit onder jongeren vandaan kunnen komen. Zo is de puberteit voor veel jongeren een periode van onzekerheid en veel verandering. Samen met een verhoogde gevoeligheid van wat andere jongeren van hen vinden, kan dit verklaren waarom leerlingen in de puberteit sterker vasthouden aan seksestereotiepe beelden en strikte gendernormen. Jongeren denken in deze levensfase ook vaker zwart-wit. 

De houdingen en opvattingen van jongeren over seksuele diversiteit krijgen ze vaak van huis uit mee. Maar ook omgevingen als school, de buurt en de kerk hebben zo’n socialiserende invloed. Uit ander onderzoek van het SCP uit 2014 blijkt dat religieuze jongeren, met name moslims, negatiever reageren op homoseksualiteit dan niet religieuze jongeren.[viii] Zij hebben meer moeite met twee zoenende mannen (en in mindere mate met twee zoenende vrouwen) en vinden het vaker vervelend om les te krijgen van een homoseksuele of lesbische docent. Hoe reageren professionals op negatieve reacties van leerlingen?

Ronald krijgt weleens van leerlingen te horen dat ze moeite hebben met seksuele diversiteit, omdat het van hun geloof niet mag. “Zo’n kind is niet te overtuigen van iets anders. Maar ik heb nog nooit meegemaakt, of ze nu christelijk zijn of islamitisch, dat ze het dan willen verbieden.” Hij vindt het geen enkel probleem dat niet alle leerlingen seksuele diversiteit omarmen. Een doel voor hem is dat leerlingen elkaar de ruimte geven en seksuele diversiteit tolereren. Tolerantie is volgens hem zelfs de kern van diversiteit. Maar hij is van mening dat je mensen niet kunt opleggen dat ze van alles moeten accepteren. “Bij acceptatie zit je op een puur interne menselijke waarde. Die kun je niet opleggen. Tolerantie is misschien zwakker, omdat het een vorm van gedogen is. Maar dat maakt juist die diverse wereld mogelijk.”

Martijn heeft in zijn les nog nooit negatieve reacties op het onderwerp meegemaakt. Hij geeft aan dat leerlingen opvallend positief reageren wanneer seksuele diversiteit in de les behandeld wordt. Monique vertelt dat er ieder jaar op Paarse Vrijdag wel een aantal negatieve reacties van leerlingen zijn. Die dan dingen roepen als ‘kankerhomo’. Zij heeft het idee dat deze jongeren zelf meestal geen ervaring hebben met homoseksualiteit in de nabije omgeving, maar dat het gewoon vooroordelen zijn, “ingegeven door hoe er thuis over wordt gedacht of in de media over wordt gesproken”. Ze vertelt dat je misschien ook blij moet zijn dat ze zich hardop uiten, “want dat geeft je de kans om erover te praten, terwijl ze het anders misschien toch denken of ergens anders roepen waar wij het niet horen.” Door het gesprek hierover aan te gaan, hoopt ze leerlingen meer respect voor elkaars achtergrond bij te brengen.

Respectvolle omgang

Uit de gesprekken met professionals ontstaat het beeld dat de meeste van hen seksuele diversiteit op school de nodige aandacht geven en ook het belang hiervan inzien. Zij vinden het belangrijk dat leerlingen zichzelf kunnen zijn op school en proberen voor iedereen een veilige omgeving te creëren. Toch blijft het lastig om te weten wanneer je het (helemaal) goed doet. Een inclusieve benadering, waarin seksuele diversiteit aan de orde komt in thema’s als liefde en diversiteit, lijkt een prima manier om te benadrukken dat dit iets normaals is. Maar is er daarin wel voldoende ruimte voor specifieke vraagstukken waar lhbt-leerlingen mee te maken (kunnen) krijgen? Wanneer doe je als docent genoeg en hoe weet je of school daadwerkelijk een veilige plek is voor alle leerlingen? Deze vragen zijn niet zo makkelijk te beantwoorden.  

Wat volgens de meeste professionals in ieder geval belangrijk is voor een respectvolle omgang met seksuele diversiteit, is leerlingen meegeven dat je iedereen zijn stukje ruimte moet geven. Veel praten is daarbij essentieel. Monique: “Vooral met elkaar in gesprek gaan en vooral niet met een negatieve grondhouding beginnen, maar uit nieuwsgierigheid en met interesse. Kijk ook naar de dingen die je wel met elkaar gemeen hebt, niet alleen naar de verschillen. Iedereen is verschillend, hoe dan ook.”  

Uit privacyoverwegingen zijn de namen van de onderwijsprofessionals in dit artikel gefingeerd.


Geraadpleegde bronnen:

[i] Databank Onderzoek 010, Bevolking 2018

[ii] Pizmony-Levy, O. (2018). The 2018 Dutch National School Climate Survey Report. Research Report. New York: Teachers College, Columbia University.

[iii] Boer, S. de (2014, 4 september). “Ik vind het juist goed dat hetero’s de kar trekken”. Geraadpleegd van https://www.avs.nl/artikelen

[iv] Schouten, M.A., en Kluit, M. (2017). Niet langer een keuze. Hoe scholen met hun leerlingen succesvol werken aan respect voor seksuele diversiteit vanuit de zorgplicht tot sociale veiligheid. Utrecht/Amsterdam: Onderwijsalliantie voor Seksuele Diversiteit.

[v] Buijs, L. (2017). “Niet overtuigen, maar raken”. Pleidooi voor een eigentijdse aanpak van LHBT-voorlichting op middelbare scholen. Riek Stienstralezing 2017. Amsterdam: EduDivers.

[vi] Veul, N. (2017, 8 november). Pisnicht. Geraadpleegd van https://www.vpro.nl/lees/columns/nicolaas-veul/pisnicht.html

[vii] Bucx, F., en Van der Sman, F. (2014). Anders in de klas. Evaluatie van de pilot Sociale Veiligheid LHBT-jongeren op school. Den Haag: SCP

[viii] Huijnk, W. (2014). De acceptatie van homoseksualiteit door etnische en religieuze groepen in Nederland. Den Haag: SCP

Jongerenwerk in Noord: “Ook met slechte kaarten kun je winnen”

Jongerenwerk in Noord: “Ook met slechte kaarten kun je winnen”

Vertrouwensband. Met deze term wordt volop geschermd in het sociale werkveld. Professionals nemen het woord geregeld in de mond. Artikelen worden erover volgeschreven. Volgens jongerenwerkers is de vertrouwensband essentieel voor goede begeleiding en hulpverlening. Toch is er ook kritiek. Verschillende onderzoekers vinden dat van een echte vertrouwensband geen sprake kan zijn. Bovendien zou het te veel afleiden van resultaten. Hoe kijken jongerenwerkers zelf aan tegen de vertrouwensband? En wat vinden zij van de theoretische kritiek? IDEM-onderzoeker Larissa Chantre legde deze vragen voor aan jongerenwerkers in Rotterdam Noord. 

‘Elke jongere telt.’ Met het programma Rotterdamse Risicojongeren 2016-2020 hoopt de gemeente Rotterdam jongeren met een minder gunstige startpositie te ondersteunen. Een van de partijen die hier een belangrijke rol in speelt, is het jongerenwerk. De jongerenwerkers begeleiden jongeren in hun – soms hobbelige – reis naar volwassenheid. “Het leven is een kaartspel”, zegt Isis, een van de jongerenwerkers in Rotterdam Noord. “Voor sommigen zijn de kaarten niet gunstig gedeeld, maar dit betekent niet dat je niet kan winnen. Het betekent alleen dat je wat extra hulp en ondersteuning nodig hebt.” Jongerenwerkers zien het als hun taak om jongeren te ondersteunen in hun persoonlijke en sociale ontwikkeling. Waar nodig helpen ze met het overwinnen van de hobbels op hun reis. Ze vormen een brug tussen de verschillende leefwerelden van jongeren; leggen verbindingen tussen jongeren en de samenleving. Naast het gezin en school, zijn zij een ‘mede-opvoeder in de buurt’. Op deze manier proberen jongerenwerkers ervoor te zorgen dat met name jongeren in een kwetsbare positie de aansluiting met de rest van de maatschappij niet verliezen. Jongeren zonder startkwalificatie, werk of dagbesteding hebben immers vaker een vertroebeld toekomstperspectief. Jongerenwerkers proberen, door middel van talentontwikkeling en toeleiding naar school of werk, te voorkomen dat jongeren afglijden naar criminaliteit.

Van groet naar vertrouwensband

Op straat, op school of in het buurthuis: als er jongeren zijn, zijn er jongerenwerkers. Door het logo van de organisatie op hun kleding, regelmatig te verschijnen op plekken waar jongeren zijn en zo nu en dan een kort praatje te maken, zorgen jongerenwerkers ervoor dat zij herkenbaar zijn. “Hé, hoe gaat het? Ik zal mezelf even voorstellen”, zijn vaak de eerste zinnen waarmee professionals op jongeren afstappen. Het is een laagdrempelige manier om een gesprek te beginnen, maar tegelijkertijd cruciaal. “Jongeren zijn vaak wantrouwig naar ons als jongerenwerker”, legt Lisa uit. “Ze hebben slechte ervaringen met voorgaande instanties of gewoon geen zin in ‘bemoeienis’. Zo’n eerste gesprek bepaalt dan de voortgang van de relatieopbouw.”

Het eerste contact is vaak buiten op straat, telefonisch of kort als iemand komt binnenwandelen in het buurthuis. Hierna volgt eventueel een traject. “Jongeren komen vaak op vrijwillige basis terecht bij het jongerenwerk. Hierdoor hebben wij niet altijd een stok achter de deur om jongeren mee te krijgen in een traject. Het is dus belangrijk dat een jongere een ‘goede’ eerste indruk heeft om op de radar van het jongerenwerk te blijven. Dit verloopt niet altijd even soepel”, vertelt David. Volgens David bevinden jongeren zich vaak in de ‘ik zie wel, komt wel goed’-fase. Er worden nogal wat schouders opgehaald. Hoewel dit bij de leeftijd van jongeren hoort, geeft hij aan dat dit ervoor kan zorgen dat je als jongerenwerker moeilijker tot een jongere kan doordringen. “Op zulke momenten is het vooral de kunst om eerlijk, duidelijk en toegankelijk te zijn. Hoe was je weekend, hoe gaat het op school en wat zijn je hobby’s? Het hoeft niet gelijk te gaan over waar een jongere allemaal tegenaan loopt. Dat is te geforceerd. Gewoon praten over wie zij of hij is, wie ik ben en waar ik voor sta”, vervolgt David. De jongerenwerkers hebben het idee dat deze laagdrempeligheid als prettig wordt ervaren. In hun beleving leidt dit ertoe dat jongeren sneller openstaan voor vervolggesprekken.

Een kennismaking op deze manier insteken biedt ruimte om uit te leggen voor welke vragen jongeren bij jongerenwerkers terecht kunnen. David en Isis leggen allebei uit dat jongeren soms hele praktische vragen hebben, bijvoorbeeld over het vinden van een baan of het regelen van een woning. “Dit misverstand wil ik gelijk de wereld uit helpen”, vertelt David. “Ik kan namelijk niet in deze behoeften voorzien, maar ik kan wel samen naar mogelijkheden kijken en bijvoorbeeld helpen bij de voorbereiding op een sollicitatie.” Het eerste gesprek lijkt dus vooral te gaan over verwachtingsmanagement. Het zorgt ervoor dat er kaders worden geformuleerd over wat de mogelijkheden zijn die jongerenwerkers hebben in de uitvoering van hun functie. Op basis hiervan kunnen er afspraken worden gemaakt met de desbetreffende jongere over het verloop van de begeleiding. “Het maken van afspraken helpt bij de opbouw van een vertrouwensband”, stelt Tim. “Zowel de jongeren als ik kunnen elkaar hierop aanspreken, het zorgt voor duidelijkheid en het maakt wederzijds respect mogelijk.”

Volgens Veerle van Assche en Greetje Hermans, onderzoekers binnen de vakgroep Cultuur & Welzijn van de Universiteit van Antwerpen, is wederzijds respect een belangrijke basis voor een vertrouwensband met jongeren. Hierdoor zien jongeren de professionals namelijk als een steunfiguur die begrip toont voor hun situatie. Een vertrouwensband groeit naarmate de begeleiding van jongeren vordert. “Je moet dit vertrouwen soms winnen en dat is niet binnen een paar seconden gebeurd. Soms moet je meerdere gesprekken voeren, een luisterend oor bieden en jongeren het gevoel geven dat ze veilig hun verhaal op tafel kunnen leggen”, legt David uit. Alle jongerenwerkers stellen dat met name de veiligheid die jongeren ervaren om zichzelf te uiten cruciaal is voor een succesvolle uitvoering van hun werk. Is daarmee de vertrouwensband van essentieel belang?

Schijnvertoning

In verschillende theorieën worden vraagtekens gezet bij de vertrouwensband en het belang ervan. Zo is deze volgens Jan Schellekens, leidinggevende van ‘De Spits, bureau voor jeugd- en jongerenwerk’ en ontwikkelaar van het brede jeugd- en jongerenwerkmodel, “een grote vergissing” in het jongerenwerk. “De relatie tussen een jongerenwerker en een jongere is niet berust op onderling vertrouwen, maar op een werkopdracht waarvoor jongerenwerkers een vergoeding krijgen. Vertrouwen is dus eerder een professioneel handigheidje”, aldus Schellekens. Uit zijn theorie kan worden opgemaakt dat een vertrouwensrelatie eerder een schijnvertoning is, waarbij “twee acteurs een relatie proberen aan te gaan”. Volgens Schellekens ‘verleiden’ jongerenwerkers jongeren tot een relatie. Hij stelt dat zij dit vooral doen uit eigen belang, omdat het hen een leuke en interessante opdracht lijkt waarvan ze geloven dat ze het tot een goed einde kunnen brengen.

De theorie staat haaks op de ervaring van jongerenwerkers uit Noord. De argumentatie van Schellekens doet dan ook veel wenkbrauwen fronsen. “Ja, dit is mijn werk en het is mijn taak om jongeren te helpen”, legt Isis uit. “Maar dit doe ik niet uit eigenbelang. Dat leg ik ook uit aan de jongeren met wie ik werk. Ik hoef ze niet te helpen, betaald krijg ik toch wel. Maar mijn betrokkenheid bij het welzijn van jongeren maakt dat ik een band met ze wil opbouwen, omdat ik er heilig van overtuigd ben dat ik ze alleen op die manier kan brengen waar zij willen komen.” Ook David stelt dat een vertrouwensband belangrijk is: “Het zorgt ervoor dat jongeren zich veilig voelen en hun verhaal durven delen. Soms slaat de klok bijna twaalf uur en dan moet je gaan rennen. Aan ons als jongerenwerkers de taak om rust te bewaren en gelijk actie te ondernemen, maar dan moet je wel het hele verhaal kennen. Als bijvoorbeeld een leerplichtige jongere een straf boven het hoofd hangt, omdat zij of hij teveel verzuimt, is het belangrijk om erachter te komen wat de reden is voor het verzuim. Anders lossen we niks op”, vervolgt hij. Het idee dat je zonder vertrouwensband jongeren niet de juiste ondersteuning kan bieden, lijkt een gedeelde mening onder de jongerenwerkers. “Als jongeren niet het achterste van hun tong willen laten zien, kan je niet inzetten op verandering”, vertelt Isis.

De jongerenwerkers bemerken een verschil in begeleiding van jongeren waarmee een vertrouwensband is opgebouwd en jongeren die wantrouwig zijn. Volgens hen vatten jongeren die wantrouwig zijn feedback snel op als kritiek. “Als jongeren je vertrouwen en dus geloven dat jij het beste met hen voorhebt, dan nemen ze meer van je aan”, zegt Isis. “Ze laten zich dan ook beter helpen of begeleiden.” David maakt een kanttekening: “Het blijven individuen. Zodra zij uit mijn zicht zijn, weet ik niet of ze de nieuw geleerde vaardigheden inzetten. Maar daar hoop je natuurlijk wel op.”

Is de vertrouwensband overgewaardeerd?

Als je niet met zekerheid kan zeggen dat jongeren de vaardigheden in de toekomst blijven gebruiken, wat is dan het nut? Deze vraag is een tweede punt van kritiek in de theorie over jongerenwerk. William Miero, adviseur Jeugd, Jongerenwerk, Veiligheid en Leefbaarheid, geeft vrij uitgesproken antwoord op deze vraag in een interview met SOZIO een vakblad voor sociale professionals en het sociale domein. Hij stelt dat een vertrouwensband een overgewaardeerd begrip is. “Het is een tijdrovende, niet-relevante relatie waarin jongerenwerkers eigenlijk het gedrag van een jongere ‘kopen’”, zo stelt hij in zijn pleidooi. Volgens Miero is de nadruk op de vertrouwensband te groot. Hierdoor ontstaat ‘paniek’ als jongerenwerkers vertrekken uit een gebied. Toch komt dat regelmatig voor, vooral door het systeem van aanbestedingen. “Een vertrouwensband opbouwen doe je niet zo een-twee-drie”, legt Lisa uit, “en als dan de kans bestaat dat je weg moet vanwege een aanbesteding… Jongeren geven zichzelf aan iemand over, maar hebben niet meer met jou als jongerenwerker te maken als je moet vertrekken. Een jongere moet dan helemaal opnieuw beginnen.”

Miero vindt dan ook dat jongerenwerkers zich minder druk moeten maken over die vertrouwensband en meer moeten inzetten op resultaten. Echter, om die resultaten te behalen is de vertrouwensband noodzakelijk, menen de jongerenwerkers, ook als je ieder moment uit het gebied weg kan zijn. “Zeker met de aanbestedingen komt het voor dat je als jongerenwerker uit een gebied moet vertrekken”, zegt David. “Maar ik geloof niet dat dit een vertrouwensband in de weg hoeft te staan. Ik kan inzetten op die vertrouwensband en er tegelijkertijd voor zorgen dat een ander mijn werk kan overnemen. Dit doe ik door goed te registreren en goede gesprekken te voeren met een jongere op het moment dat dit aan de orde is. Zo kan ik bijvoorbeeld een kennismaking organiseren met de vervanger, zodat een goede, warme overdracht plaatsvindt.” In zijn beleving zorgt juist die vertrouwensband ervoor dat jongeren inzien dat een collega net zo goed is en wordt blijvend ingezet op resultaat.

Een vertrouwensband om achter te schuilen

“Open en eerlijk gesprekken voeren over alles wat er speelt in het leven van jongeren, dat is waar de vertrouwensband over gaat”, meent David. Isis beaamt dit en voegt eraan toe dat zij het belangrijk vindt om jongeren te laten zien dat zij naast hen staat. Een derde punt van kritiek in de theorie, echter, is dat de vertrouwensband belemmerend werkt als het gaat om het bespreekbaar maken van onderwerpen als seksualiteit. Om die reden zouden ‘jongerenwerkers zich eerder verschuilen achter het idee van de vertrouwensband’, aldus Miero.

De jongerenwerkers spreken zich faliekant uit tegen deze stelling. “Het kan nooit zo zijn dat je vanwege een vertrouwensband iets als seksuele diversiteit niet kan bespreken. Dan heb je gewoon geen vertrouwensband”, vertelt Isis. In dezelfde adem legt zij uit dat dit verwijt geen nieuws is. “Ik hoor het vaker, maar ik ben het er niet mee eens. Bepaalde zaken niet bespreekbaar kunnen maken heeft naar mijn mening niets te maken met de vertrouwensband, maar met de verwevenheid met een wijk en de eigen denkbeelden en ideeën.” Volgens Isis bestaat Rotterdam Noord uit een hechte gemeenschap met veel buurtbewoners en professionals die dezelfde culturele of religieuze achtergrond hebben. Sommige jongerenwerkers komen uit de wijk, zijn er opgegroeid en maken deel uit van deze hechte gemeenschap in hun privéleven. In haar optiek kan deze sterke verwevenheid met een wijk en het erop nahouden van dezelfde denkbeelden belemmerend werken in het gesprek met jongeren.

Kamiel Knoops, Judith Metz en Jolanda Sonneveld, onderzoekers bij het lectoraat Youth Spot van de Hogeschool van Amsterdam dat wil bijdragen aan de professionalisering van grootstedelijk jongerenwerk, erkennen de nadelige kanten van sterke verwevenheid en het gebruik van eigen ervaringen in de gesprekken met jongeren. Volgens het onderzoek bestaat er een risico dat professionals die intensief met jongeren samenwerken en een vertrouwensband hebben opgebouwd, onderdeel kunnen worden van de leefwereld van die jongeren. Dit kan komen doordat “jongerenwerkers samen met jongeren strijden om een ingang te vinden in de dominante samenleving”, waardoor zij het perspectief van jongeren overnemen. Het gevaar van het gedeelde perspectief is, volgens Youth Spot, dat jongeren er geen baat bij hebben dat jongerenwerkers zich met hen identificeren. “Zij hebben namelijk behoefte aan rolmodellen en iemand die hen duidelijk kan maken wanneer grenzen worden overschreden.”

De geïnterviewde jongerenwerkers spreken jongeren altijd aan op gedrag dat niet door de beugel kan. Ook geven zij ongevraagd advies als zij dat nodig achten. De ervaring leert echter dat jongeren meer aannemen op het moment dat er een vertrouwensband is opgebouwd. “Een jongere kan wel binnenkomen met het verhaal dat zij of hij werk wil vinden, maar als je vervolgens onderuit gezakt op een stoel zit met een ongeïnteresseerde houding, dan geloof ik daar weinig van. Laat staan een werkgever”, legt David uit. “Op zulke momenten spiegel ik het gedrag. Ik neem dezelfde houding aan en vraag of ze mij zouden aannemen als ik zo bij een sollicitatiegesprek kom. Omdat ik een band met ze heb opgebouwd, voelen zij zich minder veroordeeld en stellen zij zich open om inzicht te krijgen in de eventuele effecten van hun gedrag.”

“Ook met slechte kaarten kun je winnen”

De kritiek op de vertrouwensband die in de theorie wordt geuit, wordt gedeeltelijk door de jongerenwerkers uit Noord erkend. Het lijkt een ongrijpbaar begrip dat kan zorgen voor de nodige belemmeringen. Volgens hen zijn er zeker jongerenwerkers die het begrip gebruiken om achter te ‘schuilen’. Toch zien zij het zelf als een essentiële voorwaarde voor hun werk. De jongerenwerkers benadrukken met name de praktische kanten en voordelen van de vertrouwensband. Het biedt namelijk de mogelijkheid om het hele verhaal van jongeren te horen te krijgen, wat noodzakelijk is voor effectieve begeleiding en hulp bieden binnen de beperkte tijd die beschikbaar is. “Je wilt jongeren op een goede en prettige manier het ‘eindstation’ van volwassenheid laten bereiken. En met die vertrouwensband durven ze de hulp aan te nemen om de juiste kaart op te gooien. Zoals ik zei: het leven is een kaartspel, maar zelfs met slechte kaarten kun je winnen”, aldus Isis.

Uit privacyoverwegingen zijn de namen in dit artikel gefingeerd.

Geraadpleegde bronnen

  • Assche, van V. & Hermans, G. (2000). Grenzen, gezag en begeleiding: dillema’s van jeugdwerkers en opvoeders. Antwerpen: Universiteit van Antwerpen, departement politieke en sociale wetenschappen
  • Chikar, N (2017). Over de (vertrouwens)brug komen: Een onderzoek naar het effect van een vertrouwensrelatie op de zelfredzaamheid van risicojongeren. Masterthesis, Erasmus Universiteit Rotterdam en Gemeente Rotterdam
  • Gemeente Rotterdam (2017). Elke jongere telt: Programma Rotterdamse Risicojongeren 2016-2020
  • Koops, K., Metz, J. & Sonneveld, J. (2013). Wij zijn de brug naar zelf aan de slag gaan: Onderzoeksrapport over de werking en resultaten van Ambulant jongerenwerk in de grote stad. Lectoraat Youth Spot, Hogeschool van Amsterdam
  • Metz, J. (2013). De waarde(n) van het jongerenwerk. Youth Spot, Hogeschool van Amsterdam
  • Schellekens, J. (2013). De grote vergissing in het jongerenwerk: de Vertrouwensrelatie
  • Miero, W. (2009). Vertrouwensband overgewaardeerd in jongerenwerk. In: SOZIO, Vakblad voor sociale professionals en het sociale domein
  • Valkestijn, M., Bakker, P.P., Hilverdink, P. & Metz, J. (2015). Jongerenwerk in beeld: voor partners in de wijk. Nederlands Jeugd Instituut
#metoo in de Rotterdamse nachthoreca:  wat kunnen we eraan doen?

#metoo in de Rotterdamse nachthoreca: wat kunnen we eraan doen?

Bij het nachtleven hoort dansen, drinken en scharrelen. Maar helaas kunnen er ook vervelende situaties ontstaan. In je billen geknepen worden, uitgemaakt worden voor hoer en avances van collega’s en leidinggevenden: vrouwen maken het regelmatig mee op de werkvloer van nachthoreca. Waarom gebeurt dit en wat kunnen we eraan doen? IDEM-onderzoeker Arwen Hoogenbosch en socioloog Iris Rosendaal zochten het uit en gingen in gesprek met verschillende mensen die werkzaam zijn in de nachthoreca van een van de meest bezochte uitgaansgebieden in Nederland: het centrum van Rotterdam.

Auteurs: Arwen Hoogenbosch en Iris Rosendaal | Illustratie: Ez Silva  

“Toen ik laatst twee dronken mannen weggestuurde, keek een van die mannen van mijn gezicht naar beneden en schreeuwde wankelend uit: ‘nice titties!’ Het kan ook fysiek; dan zit er iemand net iets te lang aan je of gaat met zijn hand langs je billen.” Het voorbeeld laat zien hoe je je als vrouw staande moet kunnen houden wanneer je in een bar, club of café in het centrum van Rotterdam werkt.

Het voorbeeld staat niet op zichzelf. Uit onderzoek blijkt dat de horecabranche van alle branches het op een na hoogst scoort op seksueel grensoverschrijdend gedrag tegen medewerkers door klanten, collega’s en leidinggevenden.[i] Zo ervaart volgens FNV Horeca 49% van de horecawerknemers seksueel grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer, dat zich vooral uitte in vorm van seksueel getinte grapjes, seksistische opmerkingen en seksueel getinte opmerkingen over het lichaam of uiterlijk, maar ook in ongewenste aanrakingen, en zelfs verkrachtingen.[ii] “Die cijfers verbazen me niets”, zegt ex-bedrijfsleider Annemoon. “Ieder meisje dat uitgaat of werkt in de horeca heeft het weleens meegemaakt of zien gebeuren.”

De aard van het werk maakt het risico op grensoverschrijdend gedrag groter: een dienst leveren in een omgeving met alcohol, nachtwerk en weinigpersoonlijke ruimte. Ook op de dansvloer gaat het ontmoeten niet altijd vlekkeloos en ervaren veel vrouwen seksueel grensoverschrijdend gedrag, zo concludeerde het Risbo over de Rotterdamse uitgaansscene in 2018.[iii] Om meer inzicht te krijgen in dit onderwerp hebben we individuele gesprekken met professionals gevoerd en nader onderzocht hoe het gesteld is met de sociale veiligheid van vrouwen op de werkvloer van de Rotterdamse nachthoreca. Waar komen de hoge cijfers van seksueel grensoverschrijdend gedrag vandaan en wat kunnen we eraan doen? 

De ‘sexy serveerster’ als middel

Op de vraag of ze weleens seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft meegemaakt antwoordt Annemoon steevast: “Ja, helaas wel. Ik moet zeggen dat als er een leuk groepje mannen is waar ik een beetje mee klik, dat ik een beetje flirty doe en dan krijg ik meer fooi.Het zou kunnen dat dat een soort groen licht geeft in hun brein, dat ze het persoonlijk opvatten, terwijl ik dat met de volgende groep mannen ook doe.” Annemoon kijkt even bedenkelijk weg. “Toch denk ik dat seksueel grensoverschrijdend gedrag los staat van mijn geflirt. Vaak komt het namelijk totaal uit het niets. Soms zit iemand net iets te lang aan je of gaat met zijn hand langs je billen. Het gebeurt! Maar dan zeg ik: hé luister, daar is de deur en als je blijft bel ik de politie. Dat kan namelijk.”

Werknemers als Annemoon zetten hun seksualiteit wel eens in om meer fooi te krijgen. In die zin is fooi een motief om een seksuele houding aan te nemen tegenover klanten. Hoewel dit misschien niet de voornaamste reden is dat horeca zoveel grensoverschrijdend gedrag kent, is het kenmerkend voor de context van de horeca. Volgens historici is het ontstaan van horeca namelijk verweven met de geschiedenis van sekswerk. Archiefdocumenten uit 1700 v. Chr. laten zien dat de eerste Engelse tavernes en drinkhuizen tegelijkertijd bordelen waren, waar het gebruikelijk was dat de serveerster de gasten mee naar boven nam aan het einde van de avond.[iv],[v] Dit beeld leeft nog steeds, alleen dan subtieler, beargumenteert socioloog Jane Poulston. Zij stelt dat een barvrouw of serveerster nog steeds vaak impliciet gezien wordt als iemand die er volledig voor de klant moet zijn, ook wanneer een klant vraagt om een seksuele of emotionele gunst.[vi] 

Maar hoe zit het dan met nachtclubs? De nachtclubs zoals we ze nu kennen – donkere ruimtes, een dj, harde muziek, spotlights en laserlampen – zijn een relatief nieuw cultureel fenomeen. Het ontstaan van deze clubs loopt parallel met de seksuele revolutie van de jaren zestig. Het werden ruimtes waar gemarginaliseerde groepen zoals lhbtiq+ personen zich veilig konden uiten. Nachtclubs waren in die zin een soort vrijhaven waar bepaalde culturen zich tegen de verdrukkende status-quo en mainstream konden verzetten. Dit licht geromantiseerde beeld van nachtclubs is echter aan het uitsterven en nachtclubs zijn steeds meer plekken geworden die de heteronormatieve wereld op straat weerspiegelen.

Bij veel clubs herken je de eeuwenoude geschiedenis van horeca gelijk, meent serveerster en ex-barvrouw Juliette: “Een vriendin van mij werkt bij zo’n club met vip-tafels, waar ze vaak groepen mannen met veel geld bedient. Een keer zei een van die mannen tegen haar: ‘Wanneer jij lekkere meiden naar onze tafel brengt, krijg je fooi.’ Door de schaars geklede danseressen, zijn dat soort clubs echt gemaakt voor mannen om naar vrouwen te kijken. Dan kwam ze met meiden en dan gooide hij geld op de grond dat zij dan moest oprapen. Soms gaat ze met duizend euro per avond aan fooi weg, maar daar hoort dan wel bij dat je strakke kleding moet dragen, mensen je aanraken en moet blijven lachen.” 

Seksueel grensoverschrijdend gedrag: een grijs gebied

Soms is seksueel grensoverschrijdend gedrag lastig te vatten, omdat het in een grijs gebied ligt. Het is onduidelijk wanneer bepaald gedrag legaal of illegaal is. Daarbij zijn, volgens mede-eigenaar van club BIRD Nina, ervaringen subjectief: “Het ene moment vinden vrouwen een toenadering van een man prettig, omdat ze hem aantrekkelijk vinden. Het andere moment ervaren ze eenzelfde soort toenadering door een voor hen onaantrekkelijke of foute man als onprettig. Soms heb ik er moeite mee dat het laatste als seksueel grensoverschrijdend gedrag wordt geclassificeerd.”

Olivier, eigenaar van Sfeerhoreca, benoemt “iemands eer aantasten” als de kern van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit komt in de buurt van de wettelijke definitie van seksuele intimidatie als “enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd.”[vii] 

Er is een belangrijk verschil tussen respectvol flirten en seksuele intimidatie. Bij het eerste luister je naar de signalen van de ander; alleen met instemming ga je over tot de volgende stap. Bij intimidatie worden zonder toestemming grenzen overschreden, terwijl deze duidelijk zouden moeten zijn: stilte is geen instemming en nee is nee. 

Het probleem is dat seksueel grensoverschrijdend gedrag pas strafbaar wordt wanneer (dreiging van) fysiek geweld onderdeel is van het incident. Hierdoor zijn er veel (niet-fysieke) vormen van seksuele intimidatie, die strafrechtelijk (bijna) niet te vervolgen zijn.

Gelukkig komt hier verandering in. Minister van Justitie F. Grapperhaus is kondigde in mei van dit jaar aan bezig te zijn met een nieuwe wetgeving inzake strafbaarstellingen van seks tegen de wil en seksuele intimidatie. In het nieuwe wetsvoorstel worden naast fysieke ook verbale en non-verbale vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag strafbaar gesteld. Deze wetgeving heldert de regels, normen en waarden omtrent seksueel grensoverschrijdend gedrag op, waardoor veel gedragingen niet langer in een grijs gebied vallen.

Extreme werkomgeving: drank en drugs

Typerend voor (nacht)horecawerk is de voortdurende aanwezigheid van alcohol en drugs, de na-borrels en de intense vriendschappen en liefdesrelaties tussen collega’s. Daarbij beginnen veel werknemers al als tiener of in het begin van hun studententijd met een horecabaan. Jonge werknemers zijn kwetsbaarder. Ze kennen mogelijk hun persoonlijke grenzen minder goed en weten minder over gezond en veilig werken. In die context kan gemakkelijk misbruik gemaakt worden van deze medewerkers. Horecamedewerkster Juliette vertelt over haar vorige baan: “Er gebeurde van alles onderling; iedereen ging met elkaar, affaires, seks… Er waren ook twee veel oudere mannelijke leidinggevenden die ons, destijds zeventienjarige meiden, hun ‘bar-babes’ noemden en zowel ons als de vrouwelijke bezoekers non-stop versierden. Aan de ene kant vond ik dat op dat moment wel interessant, maar aan de andere kant wist ik totaal niet wat ik ermee aan moest, dus ging ik er maar in mee want ik wou mijn baan niet kwijt.”

Bovendien is de werkcultuur over het algemeen precair: werknemers maken lange en onregelmatige uren, verdienen lage lonen en hebben onzekere contracten en inkomsten. Uit eerder onderzoek van Iris Rosendaal blijkt dat dit een van de redenen is waarom veel horecamedewerkers geen verdere carrière zien in horeca en daarom prioriteit geven aan plezier en vrienden maken.[viii] Juliette beaamt dit: “Kijk, er is niemand in de horeca die echt zegt dat dit het beste werk ooit is. Maar wat erbij komt kijken is wel heel leuk: genieten van je werk, lekker eten en drinken, de gezelligheid. Daardoor zijn de relaties die je met elkaar aangaat vaak minder professioneel, dat is wel echt kenmerkend voor de horeca.”

Vanwege de opvatting van horeca als niet-serieus, leuk en informeel werk, wuiven vrouwelijke werknemers gemakkelijker seksuele overtredingen weg dan wanneer ze in meer formele organisaties opereren. Inderdaad, volgens socioloog Rosalind Gill doen vrouwen het beter in grotere, gestructureerde, stabielere organisaties in vergelijking met kleine, onzekere en informele organisaties.[ix] Dit suggereert dat het serieus nemen van een beroep – door bijvoorbeeld hogere salarissen, reguliere uren en zekere contracten in te stellen – kan wijzen op een oplossing voor de problemen in horecawerk omdat het een cultuur creëert waarin vrouwelijke werknemers gelijk worden gewaardeerd.

Grenzen vervagen

Niet alleen wordt seksueel grensoverschrijdend gedrag vaak in een grijs gebied geplaatst, maar ook staan uitgaansgelegenheden bekend om plaatsen waar persoonlijke grenzen vervagen. “Horeca is de huiskamer van de samenleving”, vertelt Marco, bestuurslid van branchevereniging Koninklijke Horeca Nederland (KHN). “Het is een plek waar mensen vanuit alle hoeken samenkomen, drinken en loltrappen.”

Nachtclubs zijn al helemaal bijzondere plekken: je danst dicht op elkaar gedrukt in een donkere ruimte, waardoor ieders persoonlijke ruimte kleiner wordt dan je gewend bent. Bovendien is het nachtleven een goede plek om een spannende date te hebben of een nieuwe lover op te duiken. Gepaard met alcohol en drugs ontstaat daar een perfecte mix van factoren die grensoverschrijdend gedrag stimuleren, meent Annemoon. “Ik denk dat het zoveel gebeurt omdat mensen alcohol of drugs gebruiken in een sfeer die sowieso best flirty is: je gaat uit vanwege een verlangen naar gezelligheid met vrienden, maar ook naar seks. Of dat nu met een gast of een werknemer is, dat maakt dan niks meer uit.”

Volgens Sophie Seawell, Safer Clubbing trainer en dj, vervagen de dagelijkse normen, waarden en grenzen in de nachtcultuur. “We leven in een maatschappij waar de meeste mensen van negen tot vijf werken. Uitgaan is dan ook een plek waar mensen kunnen losbreken van dit stramien, lekker loslaten. Ik ben hier geenszins op tegen. Sterker nog, ik vind dat het nachtleven heel belangrijk is voor onze samenleving om deze reden. Het enige nadeel is echter dat ‘loslaten’ in combinatie met drank en drugs ervoor zorgt dat mensen die grensoverschrijdend gedrag praktiseren minder accountable worden geacht, terwijl ze dat natuurlijk wel zijn!”

Een breder maatschappelijk probleem

“Uit ervaring merk ik dat de mensen die in de nachtclub gemakkelijk over andermans seksuele grenzen gaan, dit ook sneller in het dagelijks leven doen. Binnen onze heteronormatieve maatschappij heerst het idee dat agressief gedrag romantisch is: ‘meisjes plagen, kusjes vragen’, ‘Boys will be boys’, bekende excuusjes die vaak gebruikt worden voor ongewenste aanrakingen in de club. Het vertaalt naar het idee dat het normaal is om over de grenzen van vrouwen te gaan en ze te ‘laten zien wat ze willen omdat ze dat zelf niet weten’. Die sociale dynamiek speelt zich af in het dagelijks leven, maar in het nachtleven zie je een soort intensivering daarvan”, vertelt Seawell tijdens ons gesprek. In die zin dienen nachtclubs als een soort vergrootglas voor het seksisme dat zich in het dagelijks leven afspeelt.

In een blog op DJ Broadcast legt Seawell dit verder uit. “Clubs zijn een verlengstuk van de ‘normale’ maatschappij die clubs juist buiten de deur proberen te houden. En als onderdeel van de publieke ruimte heeft de club een geslacht: mannelijk. Dat is de standaard. Uiteraard zijn niet alleen vrouwen slachtoffer: ook mannen worden tijdens het uitgaan lastiggevallen. Maar over het algemeen staat dit niet in relatie met [sic.] de hinder die vrouwen in publieke ruimtes ondervinden.”[x] 

De hinder die vrouwen ervaren wordt versterkt door de diepgewortelde seksuele werkcultuur van de nachthoreca. Een werkcultuur waarin persoonlijke grenzen snel vervagen door de focus op een leuke tijd en de bevrediging van primaire behoeftes zoals eten, drinken en sociaal contact. Een werkcultuur waarin klanten vaak (seksuele) verwachtingen hebben van het personeel, door het populaire beeld van de ‘sexy barman of -vrouw’. Een werkcultuur waarin seksuele toenaderingen genormaliseerd zijn: wat ergens anders minder wordt getolereerd, wordt in de horeca eerder geaccepteerd.

Terwijl vrouwelijke werknemers aan de ene kant deze seksistische werkcultuur omarmen, bijvoorbeeld door deel te nemen aan seksuele politiek door te flirten in ruil voor meer geld (fooi), verzetten ze zich er ook tegen, bijvoorbeeld door het heft in eigen hand te nemen, zelf te bepalen wat ze dragen en de politie te bellen wanneer klanten te ver gaan. Wellicht mede veroorzaakt door de #MeToo-beweging, lijkt dit verzet steeds groter te worden en is er een groeiend bewustzijn van horecapersoneel ten aanzien van hun rol bij het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Bewustzijn, actie en visie

Sinds een jaartje hangen er in Rotterdamse uitgaansgelegenheden campagneposters om bewustzijn te creëren van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Een daarvan is ‘Ask for Angela’: een actie van BNNVARA waarbij ‘Angela’ als codewoord dient om hulp te vragen aan het barpersoneel. Stichting Rutgers heeft een gelijksoortige campagne, ‘Ben je oké?’, waarmee het de bedoeling is dat seksueel grensoverschrijdend gedrag eerder opgespeurd wordt door deze vraag te stellen. De campagne ‘Stop op tijd. Wij schenken niet door’ is indirect gericht op het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Nina legt uit: “Dronken mensen zijn vervelend. Bovendien gaan ze gemakkelijker grenzen over. Vandaar dat we op tijd moeten stoppen met het geven van alcohol.” Dit zijn allemaal relatief nieuwe acties waarvan de resultaten nog onbekend zijn. Wat kunnen we nog meer doen om een nog veiligere nachtclubcultuur te creëren? 

Volgens Ricardo Eshuis van Stichting Vakbekwaamheid Horeca (SVH) moet er niet alleen meer onderzoek komen naar de oorzaken van de hoge cijfers van het seksueel grensoverschrijdend gedrag, maar moeten er ook meer trainingen gevolgd worden binnen de sector. “Het is vaak zo dat er binnen een horecabedrijf te weinig mensen werken met een diploma. De totale opleidingsgraad is te laag. Op basis van dit soort cijfers moeten bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen en meer trainingen organiseren voor hun personeel. Er zijn genoeg trainingsbureaus en het hoeft helemaal niet duur te zijn.”

Volgens Annemoon is het erg belangrijk om het personeel goed in te lichten over de mogelijkheden van bescherming in het bedrijf. “Wanneer ik iemand aanneem, benoem ik seksueel grensoverschrijdend gedrag en vertel ik dat diegene meteen naar mij kan komen als het fout gaat. Het is gewoon een feit: elk meisje dat uitgaat of in de horeca werkt, maakt wel eens seksueel grensoverschrijdend gedrag mee, of het nu bij jou is of als je ernaast staat. Daarom is het belangrijk om bewustzijn hierover te creëren door het personeel goed te instrueren.” 

Olivier, eigenaar Sfeerhoreca, houdt zich ook vooral bezig met het creëren van bewustzijn. Bij de wekelijkse vergadering worden dan ook dit soort onderwerpen besproken. Juliette is het daarmee eens en vindt dat er in Nederland meer campagnes zoals ‘Ask for Angela’ mogen zijn. “Het is namelijk voor veel mensen onduidelijk welke paden van beschermingen er zijn met betrekking tot seksueel grensoverschrijdend gedrag.”

Volgens Seawell is het belangrijk om als nachtclub het voortouw te nemen en duidelijk te communiceren wat wel en niet kan. “Daarbij is het zeker belangrijk dat het team onderling zich veilig voelt bij elkaar. Wanneer je als club goed voor je personeel zorgt en uitdraagt dat seksueel grensoverschrijdend gedrag niet oké is, dan zal het ook minder gebeuren bij het publiek.”

Namens Stichting Sexmatters helpt Seawell in de ontwikkeling van workshops in Safer Clubbing: een training die zich richt op een veilige sfeer creëren voor zowel het personeel als de bezoekers zonder geweld, discriminatie en seksisme. “Er ligt vaak nadruk op de regels dat er geen wapens of drugs in de club mogen, of dat je aan te dronken personen geen drank meer mag verkopen. Er ligt een minder grote nadruk op seksueel grensoverschrijdend gedrag, waardoor bezoekers een gevoel krijgen dat het ‘erbij hoort’. Clubs kunnen een grote rol spelen in het duidelijk communiceren van normen en waarden: dit is niet normaal, je hebt recht op een nacht zonder grensoverschrijdend gedrag en wij zijn er voor jouw veiligheid.”

“Huisregels zijn maar huisregels, it needs to be put in practice! Toen ik laatst bij de Gender Bending Queer Party bij de Perfomance Bar was, werd ik bij de deur begroet door de organisatie en werden heel duidelijk de regels uitgelegd: oké, dit is het soort feestje dat we vanavond hebben, dit zijn onze regels, als er iets is kom dan naar ons toe. Zo goed!”, vertelt Seawell enthousiast. Voor haar ligt de oplossing dan ook in het uitdragen van een visie als nachtclub. “Spreek de intentie uit dat je het voor al je bezoekers comfortabel en veilig wil maken en je bent al een heel eind.”

Ricardo: “Het mes snijdt aan twee kanten. Aan de ene kant is het belangrijk dat horecapersoneel leert hoe ze grensoverschrijdend gedrag kunnen signaleren en afweren, om zo een veilige werksfeer te creëren. Aan de andere kant is er een groter maatschappelijk bewustzijn nodig waardoor er minder agressors zijn. Binnen de horeca kunnen we vooral werken aan het eerste, een veilige sfeer op de werkvloer, waardoor we ook bijdragen aan een groter maatschappelijk bewustzijn.”

Iris Rosendaal is zelfstandig onderzoeker en schrijver, gespecialiseerd in sociale en filosofische vraagstukken. In 2016 behaalde ze haar bachelor in Liberal Arts & Sciences aan de University College Roosevelt en in 2019 haar master in Sociologie. Haar onderzoeken centreren zich rond thema’s zoals gender, cultuur en zelfontplooiing. Naar aanleiding van haar masterthesis heeft zij de afgelopen drie maanden voor IDEM Rotterdam onderzoek gedaan voor dit artikel.


Geraadpleegde bronnen

[i]  TNO, Nea, 2018

[ii]  Totta, FNV, onderzoeksrapport

[iii]  Risbo, https://www.risbo.nl/_images/Risbo_SGG_2018.pdf

[iv] White, A., 1968. Palaces of the People: A Social History of Commercial Hospitality. Rap and Whiting, London.

[v] Taylor, D., Bush, D., 1974. The Golden Age of British Hotels. Northwood, London.

[vi] Poulston, J. (2008). Metamorphosis in hospitality: A tradition of sexual harassment. International Journal of Hospitality Management, 27(2), 232–240.

[vii] Het Burgerlijk Wetboek, (Artikel 7:646 lid 8 BW)

[viii] Rosendaal, I.M. (2019) Sexual Transgressions in Dutch Hospitality: Organizational Culture, Structural Conditions & Modes of Agency. Universiteit van Amsterdam.

[ix] Gill, R. (2014). Unspeakable Inequalities: Post Feminism, Entrepreneurial Subjectivity, and the Repudiation of Sexism among Cultural Workers. Social Politics: International Studies in Gender, State & Society, 21(4), 509-528.

[x] Sophia Seawell, Seksuele Intimidatie: Eerder regel dan uitzondering. DJ Broadcast https://www.djbroadcast.net/article/139898/seksuele-intimidatie-in-clubs-eerder-regel-dan-uitzondering

“Niemand vraagt ooit hoe het is op Zuid” –  de ervaringen van jongeren in ‘verhippend’ Feijenoord

“Niemand vraagt ooit hoe het is op Zuid” – de ervaringen van jongeren in ‘verhippend’ Feijenoord

‘Stijlvolle lofts gevestigd op Katendrecht, het meest roemruchte schiereiland van Nederland’ of ‘een uniek schakelpunt tussen twee werelden, de Kop van Zuid en Afrikaanderwijk’. Het contrast tussen Rotterdam-Zuid en de rest van de Maasstad wordt in brochures voor nieuwbouwprojecten op Zuid afgeschilderd als uniek en historisch cultureel erfgoed. Onder invloed van deze ‘verhipping’ verandert Feijenoord in rap tempo: sociale woningbouw moet wijken voor dure, luxe nieuwbouwprojecten die nieuwe mensen naar het gebied moeten trekken. Maar hoe voelt dit voor Rotterdammers die in ‘achterstandswijk’ Feijenoord zijn opgegroeid? IDEM-onderzoeker Inte van der Tuin ging in gesprek met professionals en jongeren van Zuid.

Op de hoek van de Pretorialaan en de Bloemfonteinstraat trekken de felgele luifels en vrolijk gekleurde terrasstoeltjes je naar espressobar Pretoria. Het retro interieur valt niet langer uit de toon in deze wijk. Het winkelaanbod van Feijenoord verandert de laatste jaren: naast Turkse slagers verrijzen er hippe koffiezaakjes, vegan winkels en creatieve ondernemers. Een paar straten verderop staan de panden er minder florissant bij: in de Tweebosbuurt staat een groot aantal woningen te wachten op de sloopkogel. Een deel van de bewoners voert nog steeds een (juridische) strijd tegen woningcorporatie Vestia. In Feijenoord is duidelijk sprake van gentrificatie. Kort gezegd komt dat neer op opwaardering van wijken door de komst van kapitaalkrachtige inwoners, met als gevolg een stijging van de huur- en huizenprijzen. In Rotterdam is deze ontwikkeling nadrukkelijk gemeentebeleid. Naast de aanpassing van het woningaanbod stimuleert de gemeente met subsidieregelingen de vestiging van ondernemers uit andere delen van de stad in Rotterdam-Zuid, zoals de eigenaresse van de vegan bakkerij op de Hillelaan. Op de vraag of ze jongeren uit de buurt in dienst heeft, is haar antwoord dat het “helaas niet is gelukt om die te vinden.”

Hoe ervaren jongeren die in Feijenoord zijn geboren en getogen deze veranderingen? Hebben zij (veelal jongeren met migratieachtergrond) het idee dat het stigma van Rotterdam-Zuid als het ‘slechte’ deel van de stad aan kracht verliest? Gaan er met de bevolkingsverandering ook andere dingen verloren? En wat krijgen zij zelf mee van deze zogenaamde ‘upgrade’ van hun wijk? Om inzicht te krijgen in de ervaringen van jongeren tussen de 16 en 30 jaar, legde ik contact met verschillende professionals die met de doelgroep werken. Ik kreeg de kanttekening dat er veel tijd en inlevingsvermogen nodig is om de ervaringen van jongeren werkelijk te begrijpen. Een terechte opmerking, want voor dit artikel zou ik niet lang genoeg de tijd hebben om onderzoek te doen. Mede hierdoor is het alleen gelukt om jongeren te spreken die een opleiding volgen. Via de professionals kwam ik namelijk als eerste met hen in contact. Toch hebben de professionals en jongeren die ik heb gesproken contact met een brede groep jongeren, die wel een afspiegeling vormen van Feijenoord. Hierdoor kreeg ik toch een interessant kijkje in de levens van jongeren in Feijenoord. “Niemand vraagt me ooit hoe het is op Zuid”, zegt een van hen. “Mensen hebben altijd allerlei aannames.”

Opgroeien in Feijenoord

De jeugdervaringen van jongeren staan in sterk contrast met de promotieteksten over Katendrecht als ‘hippe plek en gewilde woonwijk’ en Afrikaanderwijk als ‘intieme buurt’. Criminaliteit, vandalisme en overlast komen al snel ter sprake. Gabriel, een welbespraakte mbo-student van 18 jaar, vertelt over de wijk waar hij opgroeide: “Er was altijd veel geluid: je hoorde auto’s hard rijden, mensen maakten ruzie, er werden dingen kapotgemaakt. Achteraf gezien was het overlast, maar iedereen was eraan gewend en het voelde als iets normaals. Ik besef dat het niet normaal is, maar ik weet: op Zuid is het wel normaal. Zo zie ik het. Over het algemeen is die chaos niet goed, maar ik ben er zo in opgegroeid dat het me niet meer zoveel boeit.”

Jongeren hebben het idee dat het bijvoorbeeld in de Afrikaanderwijk rustiger is geworden dan vroeger. De 17-jarige mbo-studente Nour zegt dat er vaker schietpartijen, inbraken en branden waren toen zij jonger was. Zij denkt dat het gemeentebeleid een aandeel heeft gehad in deze verandering. Door de sloop van woningen zijn mensen die met elkaar zijn opgegroeid, onder andere in de Tweebosbuurt, uit elkaar gehaald. “Dat is wel vervelend”, zegt ze, “maar er is minder chaos. Als je elkaar kent en je bent er opgegroeid dan doe je dingen.” Met die ‘dingen’ doelt ze op criminele activiteiten. Het mag rustiger zijn geworden in Feijenoord, menen ook de professionals, maar de ‘straatcultuur’ is nog steeds vrij dominant aanwezig. Joany Muskiet, die zich met haar Stichting Helderheid al jaren als ‘moeder van de wijk’ inzet voor jongeren in Feijenoord, vertelt dat de thuissituatie van jongeren van invloed is op de aantrekkingskracht die de straatcultuur op hen heeft: “Voor het afmaken van een opleiding heb je stimulans en bemoediging nodig. Iemand die steeds zegt: je redt het wel. Als een kind dat niet heeft en hij zit op straat met gasten met wie hij kan chillen, dan kies je daar toch voor. Ze weten dat je altijd geld kunt verdienen met drugs.”

Jongeren bevestigen de invloed die ouders hebben op de mate waarin jongeren in aanraking komen met straatcultuur. Ze vertellen dat niet alle kinderen en jongeren van hun ouders de ruimte krijgen om zich met straatcultuur in te laten. Zo vertelt Roebia, een 20-jarige hbo-studente, dat zij nooit buiten mocht spelen, omdat haar moeder Rotterdam-Zuid ‘gevaarlijk’ vond. Zij denkt dat zij een uitzondering was en dat veel kinderen juist heel vrij werden gelaten, ook als het ging om hun schoolprestaties. Volgens Gabriel krijgt een deel van de jongeren niet van huis uit mee dat ze allerlei mogelijkheden hebben en daardoor het idee krijgen dat school niets voor hen is: “Ze denken: de straat is stoer, ik ga niet naar school, school is niet voor mij weggelegd. Zeker als ze de citotoets hebben gemaakt en zien dat ze geen havo-materiaal of hoger zijn. Dat zien ze als iets negatiefs. Als ze havo of vwo hebben dan heb ik wel gezien dat ze soms anders naar de wereld gaan kijken, dat ze meer van hun potentie gaan gebruiken. Omdat ze denken: oh, ik ben slim. Maar ik zie ook mensen die havo deden of vwo en nu mbo niveau 2. Ze zijn bezig met dealen of hebben thuis problemen en denken dat ze het niet ver gaan brengen.”  

Sociale verbondenheid

Opgroeien in Feijenoord heeft volgens jongeren ook positieve kanten. Veel van hen groeien op in de nabijheid van familie en vrienden. Zij zijn over het algemeen positief over hun wijk, zo ook de jongeren die meewerkten aan dit artikel. Het recente kwantitatieve onderzoek Maasstad aan de monitor door de Erasmus Universiteit onderstreept dat bewoners met lage inkomens in een buurt als Afrikaanderwijk regelmatig veel lokaal ‘sociaal kapitaal’ bezitten en dus veel contacten hebben in hun wijk. Deze sociale verbondenheid zorgt ervoor dat hun wijk waardevol voor hen is. Twee jonge ondernemers die zijn opgegroeid in Afrikaanderwijk en op Katendrecht hebben goede herinneringen aan de onderlinge betrokkenheid. “Opgroeien in de Afrikaanderwijk was leuk”, vertelt een van hen. “Er was een gezonde sociale controle. De deur kon je open laten staan. Andere kant was dat er naalden lagen op een braakliggend terrein waar wij als kinderen speelden. Maar ik had geen last van het stigma van achterstandswijk. Het is jouw wijk en je voelt je er thuis.”

In kwalitatief onderzoek naar de betekenis van de buurt voor jongeren met een migratieachtergrond die opgroeien in vergelijkbare (‘achterstands’)wijken als die in Feijenoord, komt naar voren dat sociale contacten voor hen van groot belang zijn. Uit twee onderzoeken van antropoloog Martijn Koster en van socioloog Patricia Wijntuin onder jongeren in Utrechtse ‘achterstandswijken’ blijkt bijvoorbeeld dat jongeren hun wijk vaak als ‘gezellig’ karakteriseren. ‘Gezellig’ omdat zij er vrienden hebben wonen, goed contact hebben met de buren, mensen elkaar op straat begroeten en er gezamenlijke activiteiten in de wijk worden gedaan. Een onderzoek van sociaal geograaf Kirsten Visser, dat is uitgevoerd in de Feijenoordse wijken Afrikaanderwijk, Bloemhof, Hillesluis, Feijenoord en Vreewijk, laat zien dat ook hier de meeste jongeren hun wijk positief waarderen, grotendeels vanwege de betrokkenheid van bewoners.

Hechte contacten en vriendschappen ontstaan vooral tussen jongeren met dezelfde levensstijl en vaak dezelfde etnische of religieuze achtergrond, toont een recent onderzoek van Kennisplatform Integratie & Samenleving naar identiteitsbeleving en gevoelens van binding van jongeren met een migratieachtergrond. Logischerwijs ontstaat er gemakkelijker een hechte band als jongeren gedeelde normen en waarden hebben en elkaar begrijpen. Een verbindende factor binnen wijken in Feijenoord die etnische en religieuze verschillen overstijgt, is de gedeelde straattaal en -cultuur, die in gesprekken met jongeren en professionals uit Feijenoord ter sprake komt. Jongeren vertellen dat die manier van praten zo vertrouwd is dat ze soms niet eens beseffen dat ze straattaal gebruiken en geen Standaardnederlands. Pas als ze merken dat ze niet door iedereen worden begrepen, hebben ze dit door. Zo’n gedeelde taal schept een band, die volgens Muskiet voor een groot deel van de jongeren ook op een gedeelde ervaring is gebaseerd: “Sinds ik mij voor jongeren van de straat ben gaan inzetten heb ik ontdekt dat zij hun eigen cultuur hebben ontwikkeld; de straatcultuur. Als ze elkaar ontmoeten zeggen ze ook altijd: hee niffo, broer, hoe gaat het, geven ze elkaar een box, een brasa. Ik wilde weten wat de band was die hen bij elkaar bracht en door de jaren heen heb ik dat ontdekt: het was afwijzing, door ouders, door de maatschappij. Want je hebt allerlei jongeren van elke cultuur, ze hebben die band met elkaar. Dat vind ik bijzonder.”    

Trots op hun wijk

Jongeren delen ook hun trots op de wijk en het gebied waar ze wonen. Jongeren houden van hun omgeving, benadrukt Muskiet: “Mijn overleden zoon had het altijd over Zuidzijde, 5314 – de zone van de metro. Zo trots zijn ze.” Muskiet is de moeder van rapper Helderheid, die in 1995 samen met een aantal andere rappers uit Zuid de Tuigcommissie oprichtte. De Tuigcommissie introduceerde het gebruik van 5314 in rapteksten, geïnspireerd door graffiti-artiesten die het spoten, staat in de publicatie Roffa 5314. Sindsdien is de metrozone van Rotterdam Zuid populair bij jongeren die aan anderen duidelijk willen maken wat hun ‘terrein’ is. Ook het bovengenoemde onderzoek in Feijenoord laat zien dat jongeren over het algemeen trots zijn op hun wijk en zich (sterk) identificeren met deze plaats en de gemeenschap. Hun wijk is meestal één van hun favoriete plekken in Rotterdam. Opnieuw komt in het onderzoek hun identificatie met de zone van het openbaar vervoer, 5314, naar voren als uitdrukking van hun trots. Het getal 5314 komt regelmatig terug in graffiti-tags, op muren in toiletten, op schooltassen en in statussen op sociale media. Deels is de trots van jongeren volgens onderzoeker Visser een reactie op de negatieve beeldvorming over Feijenoord en Rotterdam-Zuid in het geheel. Zij zijn zich bewust van het beeld van ‘probleemwijk’ en ‘achterstandsbuurt’ dat veel buitenstaanders hebben. Dit doet echter weinig af aan hun eigen identificatie met hun wijk. Mogelijk versterkt de beeldvorming deze identificatie volgens de onderzoeker juist.          

Verdwijnt de leefwereld van jongeren?

Op dit moment is de gentrificatie in het gebied Feijenoord nog grotendeels geconcentreerd in de wijken langs de Maas. De transformatie van Katendrecht is het opvallendst. De jonge ondernemer die er is opgegroeid en veel met jongeren werkt, vindt dat het schiereiland wordt ‘gehypet’ en zegt dat jongeren die er wonen “niets hebben” aan de veranderingen. Volgens hem pakken de veranderingen juist negatief voor hen uit: “Jongeren zien hun leefwereld kleiner worden. De plekken waar ze vroeger speelden verdwijnen. Er wordt heel veel gebouwd. Nieuwe bewoners lopen met een boog om jongeren heen. Daarvan zijn zij zich bewust: ‘We weten wel hoe ze naar ons kijken.’”

Ook in andere delen van Feijenoord verdwijnen parkjes om plaats te maken voor dure huizen en appartementen. De nieuwe bewoners die deze woningen kunnen betalen hebben over het algemeen een totaal andere belevingswereld dan de jongeren die in Feijenoord zijn geboren en getogen. “En van beide kanten geldt: onbekend maakt onbemind”, zegt een professional. Uit eerder onderzoek van Martijn Koster blijkt dat jongeren, die zelf vooral in sociale woningbouw wonen, de delen van de wijk met koopwoningen niet beschouwen als ‘hun wijk’. Sociale contacten zijn heel belangrijk voor hun beleving van de wijk. Op basis van die contacten identificeren zij zich wel of niet met delen ervan. Door sloop van sociale huurwoningen en de bouw van woningen in een hoger segment worden in zekere zin delen van de wijk afgenomen van jongeren. Nour, die grotendeels bij haar tante in Afrikaanderwijk is opgegroeid, beschrijft hoe zij de herstructurering van de wijk ervaart: “Mijn oom woonde in de Tweebosbuurt, die wordt gesloopt, en hij is nu verhuisd naar Ridderkerk. Hij is daar wel tevreden. De verbouwing van Afrikaanderwijk moet nog beginnen, maar het is al wel veranderd doordat er veel mensen zijn verhuisd. Er moeten wel dingen worden veranderd, maar ik vind het niet leuk. Het is toch je jeugd.”  

Stigma van Rotterdam-Zuid

Hoe positief de wijken van Feijenoord in het promotiemateriaal voor nieuwbouwprojecten ook worden gepresenteerd, aan de negatieve invloed die het stigma van Zuid heeft op de levens van jongeren die er zijn opgegroeid lijkt weinig veranderd. Sterker nog, zij lijken nadeel te ondervinden van het stigma, terwijl het van witte bewoners met een goed inkomen en nieuwbouwwoning vanzelf afglijdt. Door reacties van anderen en berichtgeving in de media, beseffen de jongeren goed dat zij zijn opgegroeid in een impopulair deel van de stad. Mbo-studenten vertellen dat zij met de negatieve beeldvorming over Zuid werden geconfronteerd toen zij in een ander deel van de stad naar school gingen. “Iedereen kwam bijna uit Noord en leerlingen keken mij gelijk aan toen ze hoorden dat ik uit Zuid kwam”, vertelt Gabriel over zijn ervaring op een middelbare school in Rotterdam Noord. “En dan begin je je te schamen dat je in Zuid woont. Een weekje werden er ook grappen gemaakt van: je woont in Zuid, je bent arm hè. Zulke dingen.”  

Roebia ging in Barendrecht naar een ‘witte school’. Daar werd ze gepest. Medeleerlingen schreeuwden onder andere ‘Rotterdam Zuid’ naar haar. Zelfs mbo-docenten reageerden met opmerkingen als “getto hoor”, toen Nour vertelde dat zij in Zuid woont. De mbo-studenten vertellen verder dat medestudenten die in andere delen van de stad wonen vaak niet in Zuid willen “chillen”. Ze zijn nooit naar Rotterdam-Zuid geweest en willen er ook niet heen. Nour is bang dat het voor haar moeilijker zal zijn om na haar opleiding een baan te vinden. “Soms denk ik wel dat het moeilijk gaat worden om werk te zoeken omdat ik in Zuid woon”, vertelt ze. “Ik denk dat iemand die in Kralingen woont eerder wordt aangenomen dan ik. Dat weet ik niet zeker, maar ik heb dat gevoel.”     

Jongeren hebben het idee dat de negatieve associaties die mensen hebben bij Zuid, zoals criminaliteit en drugsgebruik, invloed hebben op het beeld dat anderen van hen hebben. Een recent onderzoek van stadsgeograaf Fenne Pinkster naar de stigmatisering van de Amsterdamse Bijlmer bevestigt dat bewoners inderdaad last kunnen hebben van negatieve beeldvorming over hun wijk en dat herstructurering hier (op korte termijn) weinig aan verandert. Ook laat het zien dat er verschillen zijn in de mate waarin bewoners door een ruimtelijk stigma worden geraakt. Juist bewoners met een kwetsbaardere positie hebben meer last van zo’n stigma, dat bestaat uit verschillende dimensies: een raciale, sociale en een materiële. Zo is het stereotiepe beeld van een bewoner van de Bijlmer iemand met een donkere huidskleur met een inkomen uit een uitkering die woont in een sociale huurwoning. Hoe meer overeenkomsten iemand met dit stereotype beeld heeft, hoe meer die persoon last heeft van het stigma en in allerlei situaties moet bewijzen anders te zijn.

Aandacht voor jongeren

Jongeren mogen warme herinneringen hebben aan Rotterdam-Zuid, het negatieve imago is deels nog steeds gebaseerd op de realiteit. Veel jongeren die er opgroeien bevinden zich in een kwetsbare positie en verbetering van hun situatie is wenselijk. De huidige herstructurering van wijken in Feijenoord lijkt voor hen echter weinig op te leveren. Twee professionals zijn van mening dat beleidsmakers vooral zijn gericht op het verbeteren van de statistieken over wijken, zoals cijfers over inkomen, woningvoorraad en veiligheid, waarin “welvarende mensen de problemen van mensen die het minder hebben overschaduwen”. Gabriel ziet herstructurering – in lijn met een deel van de wetenschappers die zich bezighouden met gentrificatie – niet als oplossing maar als verplaatsing van de situatie: “Ik vind dat je iets moet doen voor de arme mensen die in goedkope huizen wonen, in plaats van ze weg te sturen naar de rand van de stad of andere gemeenten.”

Verschillende professionals en jongeren vertellen dat er onder bewoners van Feijenoord een gedeeld gevoel bestaat, namelijk dat de huidige materiële investeringen niet voor hen worden gedaan. Het valt hen op dat (welzijns)organisaties die zich voor bewoners inzetten vaak van buitenaf komen. Niet voor niets bestaat de uitspraak: ‘Wat je doet voor Zuid, zonder Zuid, is tegen Zuid.’ Muskiet is ervan overtuigd dat deze aanpak niet werkt. “Er komen hier allerlei organisaties die ons komen vertellen hoe we het moeten doen, want zij hebben gestudeerd”, zegt ze. “Maar ze kennen die jongens niet en die jongeren van hier die vertrouwen dat niet, want die weten: jij bent nieuw hier, je komt hier werken en verdient je geld en om vijf uur ben je weer weg. En natuurlijk zien ze dat het altijd witte mensen zijn die ze hiernaartoe sturen. Op zich moet dat niets uitmaken, maar als zij dat iedere keer zien, dan denken ze wel: hé, waar zijn die mensen met mijn kleurtje die mij komen vragen hoe het is in die wijk. Dat maakt uit, zeker weten.”

Uit privacyoverwegingen zijn de namen van de jongeren gefingeerd.

Geraadpleegde bronnen

  • Day, M. en M. Badiou (2019). Geboren en getogen. Onderzoek naar de identiteitsbeleving en gevoelens van binding van jongeren met een migratieachtergrond. Utrecht: Kennisplatform Integratie en Samenleving.  Engbergsen, G., G. Custers, I. Glas en E. Snel (2019).
  • Maasstad aan de monitor. De andere lijstjes van Rotterdam. Rotterdam: Erasmus Universiteit.  
  • Grieving, Elsbeth (2007-2008). Roffa 5314. Online tijdschrift.
  • Koster, M. (2011). ‘Gezellig, gewend en de misvatting van de gemengde wijk: jongeren over Overvecht’ in: G. Bolt, R. van Kempen en M. Koster (red.) Jongeren, wonen en sloop. Stedelijke herstructurering gezien door de ogen van jongeren. Den Haag: Nicis Institute.
  • Pinkster, F., M. Ferier en M. Hoekstra (2019). ‘Het hardnekkige stigma van de Bijlmer.’ Online: Sociale Vraagstukken. 
  • Visser, K., G. Bolt en R. van Kempen (2015). ‘Come and live here and you’ll experience it’: youths talk about their deprived neighbourhood, Journal of Youth Studies 18:1.
  • Wijntuin P. (2019). “Mijn buurt is leuk en gezellig!” De betekenis van de buurt voor Marokkaans-Nederlandse jongeren in achterstandswijken. Nijmegen: Radboud Universiteit.
  • Stuk Rood Vlees Podcast, aflevering 34 – Stadsgeografie en de stigmatisering van wijken, met Fenne Pinkster via stukroodvlees.nl
Aan vrijwilligers geen gebrek:  het geheim van House of Hope

Aan vrijwilligers geen gebrek: het geheim van House of Hope

Zorginstellingen en welzijnspartijen kunnen niet zonder vrijwilligers. Toch is het voor veel organisaties lastig om hen te vinden. Ook in Rotterdam zijn er tal van organisaties waar vrijwilligers niet bepaald de deur platlopen. Ondanks dat bijna de helft van de Rotterdammers een vorm van vrijwilligerswerk doet, ervaren verschillende partijen een vrijwilligerstekort. Behalve House of Hope, een sociaal initiatief in Beverwaard. IDEM-onderzoeker Larissa Chantre gaat op zoek naar het ‘geheim’ van deze organisatie: hoe komt het dat zij zelfs ‘nee’ moeten verkopen aan nieuwe vrijwilligers?

Enkele tafels staan her en der in de ruimte, met eenvoudige schoolstoeltjes eromheen. In de hoek is een minikeukentje geïnstalleerd, waar het koffiezetapparaat langzaam filterkoffie uitsputtert. Langs de ramen staat een lange tafel, met een rij computers waar hipsters hun neus voor zouden ophalen. Midden in de ruimte staat een bank met grijze kussens. En een paar gele, om het geheel nog iets van kleur te geven. De woorden ‘huiskamer’ en ‘gezellig’ zijn niet de eerste typeringen die in me opkomen als ik binnenstap. Maar de geur van verse koffie en het warme onthaal van de vriendelijke vrijwilligers zorgen voor een fijn gevoel.

De Huiskamer, zoals de ruimte genoemd wordt, van Stichting House of Hope bevindt zich op de eerste etage van Huis van de Wijk ‘De Focus’, middenin de wijk Beverwaard. Naast de Huiskamer heeft de stichting enkele lokalen tot haar beschikking om lessen te geven. Het kantoor, dat gedeeld wordt met het Leger des Heils, wordt vooral door de drie betaalde medewerkers bezet. De 144 andere ‘hulpverleners’ van House of Hope werken stuk voor stuk op vrijwillige basis. Zo zijn er vrijwilligers die taalles geven, ondersteuning bieden bij de vrouwen- en mannengroepen, taken vervullen als gastvrouw of -heer of deel uitmaken van de klussendienst.

Kerkelijke oorsprong

Hoewel religie geen expliciete rol meer speelt, is House of Hope ontstaan uit de op Zuid gevestigde kerken. Dat de kerk maatschappelijk actief is in de wijk, was echter lange tijd niet vanzelfsprekend. ‘Er staan zes kerken, maar geen van hen is van relevantie voor de wijk’, waren de harde woorden in een rapport van de deelgemeente Charlois in 2001. De kerkelijke gemeenschap op Zuid gaf de deelgemeente geen ongelijk. Ook zij vonden dat de kerken te weinig investeerden in de samenleving of de sociale problematiek in de wijk. Om die reden heeft een aantal mensen uit de International Christian Fellowship Rotterdam (ICF) gezamenlijk een project opgezet met als doel om ‘meer leven in de wijk’ te creëren. Hieruit is House of Hope ontstaan. Nu is House of Hope een zelfstandige organisatie, al is er nog wel een samenwerkingsverband met ICF Rotterdam. Daarnaast is de christelijke grondslag terug te vinden in het dagelijks werk, bijvoorbeeld in de sfeer waarin mensen liefdevol en met respect worden benaderd. De organisatie gebruikt niet voor niets de metafoor van een ‘Levenshuis’. Zo omschrijft House of Hope zichzelf in haar jaarverslag als “een bouwbedrijf dat aandacht heeft voor de levenshuizen van mensen. Deze hebben soms scheuren, brokken en achterstallig onderhoud. Een huis helpen renoveren kost tijd en vraagt doorzettingsvermogen. Ook moet je naar het totaalplaatje kijken: gezondheid, basisbehoeften, persoonlijk welzijn, relaties en een zinvol leven. Want de vloer oplappen terwijl het dak nog lekt, heeft weinig zin.”

Om deze hulp te realiseren probeert de organisatie in te spelen op de behoeften van bewoners uit de wijk. Op basis van deze behoeften en met de focus op het ‘totaalplaatje’, worden verschillende activiteiten opgezet. Voorbeelden hiervan zijn het inloopspreekuur waar bewoners een beroep kunnen doen op maatschappelijk werk en activiteiten voor vrouwen, mannen en kinderen om ontmoeting en uitwisseling van ervaringen te bevorderen. Met ‘naastenliefde’ als uitgangspunt, probeert House of Hope een familiesfeer te creëren tijdens de activiteiten. “In deze setting mogen mensen zichzelf zijn, kunnen ze even op adem komen en mogen ze ervaren dat ze van waarde zijn”, beschrijft de organisatie in zijn jaarplan.

Bij de verschillende activiteiten die House of Hope faciliteert zijn veel vrijwilligers en wijkbewoners betrokken. Een groot deel van hen vervult meerdere taken, soms zelfs op dezelfde dag. Hoewel dit geen eis is, vinden veel vrijwilligers het juist prettig dat zij aan verschillende activiteiten kunnen bijdragen. De mogelijkheid om te variëren in taken is voor hen van groot belang. Volgens de Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV) en het kenniscentrum Vrijwilligers aan Zet zorgt variatie in taken voor binding met een organisatie. De vrijwilligers van House of Hope herkennen dat. “Door bij verschillende activiteiten actief te zijn kan ik werken aan mijn Nederlandse taal. Ik ontmoet veel mensen waardoor ik leer over anderen en mezelf. Ook leer ik hoe ik anderen kan helpen”, legt Fatima uit.

Echter, niet alle vrijwilligers nemen verschillende taken op zich en dit is ook zeker niet verplicht. Het heeft vooral te maken met het ‘vertrouwen in eigen kunnen’ en hoe vrijwilligers bij House of Hope zijn binnengekomen. Zo zijn sommigen er nog niet klaar voor om verschillende functies op zich te nemen. Er wordt dan voor gekozen om te beginnen met één specifieke taak, waarna vrijwilligers met de tijd – afhankelijk van interesses en opgedane vaardigheden – kunnen opklimmen. House of Hope probeert vrijwilligers hierin in te ondersteunen en hen te motiveren door scholing en trainingen aan te bieden.

Van hulpvrager naar hulpgever

“Toen ik binnen kwam bij House of Hope sprak ik slecht Nederlands, had ik weinig sociale vaardigheden en was mijn leven niet op orde”, vertelt Mohamed, terwijl we een kopje koffie drinken in een van de spreekkamers. “Ik deed niks en was erg geïsoleerd en eenzaam. Bij House of Hope kreeg ik hulp bij mijn problemen. Ze vroegen mij om ook te werken als gastheer, zodat ik kon oefenen met de taal. Toen ik beter Nederlands sprak en had gewerkt aan mijn problemen, ben ik gaan helpen bij de formulierendienst. Zes jaar later ben ik de spil in het klussenteam. Ik heb hier echt kunnen groeien, ben bijna elke dag aan het werk en voel me minder geïsoleerd.” Er verschijnt een trotse glimlach op zijn gezicht. Het verhaal van Mohamed staat niet op zichzelf. De meeste vrijwilligers komen bij House of Hope terecht vanwege een hulpvraag. Deze kan variëren van hulp nodig hebben bij een brief lezen, tot ernstige problematiek.

House of Hope wordt door het merendeel van de hulpvragers gevonden via mond-tot-mondreclame. Doorverwijzing vanuit andere instanties gebeurt minder vaak. Afhankelijk van de hulpvraag, bekijkt de organisatie of vrijwilligerswerk betekenisvol kan zijn voor de hulpvrager. Veel cliënten starten vrijwel direct met vrijwilligerswerk. De vrijwilligersfuncties die zij beoefenen, brengen niet al te veel verantwoordelijkheden met zich mee. Daarnaast gaat het vaak om een klein aantal uur per week. “Een hersteltraject noemen wij het”, legt vrijwilligerscoördinator en teamleider Yvonne uit. “Door te werken aan problemen en tegelijkertijd vrijwilligerswerk te verrichten kunnen zij zich beter ontwikkelen. Dit draagt bij aan een sneller proces als het gaat om verbetering van iemands positie in de samenleving.” Door van ‘hulpvragers’ ‘hulpgevers’ te maken worden volgens House of Hope kleine stapjes gemaakt om hen (weer) te laten deelnemen aan de maatschappij.

De vrijwilligers staan vierkant achter deze manier van werken. “Ik ben zo goed geholpen toen ik problemen had”, vertelt Fatima. “De mensen die hier werken, werken vanuit hun hart. Je wordt net zo lang geholpen totdat iets daadwerkelijk is opgelost, ook wanneer je eenmaal bent gestart als vrijwilliger. Ik wil gewoon graag iets terug doen voor anderen en de hulp die je hebt ontvangen weer doorgeven.”

Meer dan alleen vrijwilligerswerk, meer dan alleen een vrijwilliger

Naast dankbaarheid, heerst een sterk gevoel van loyaliteit bij de vrijwilligers. Enerzijds voelen zij zich loyaal naar hulpvragers uit de buurt, omdat zij op de hulp van vrijwilligers ‘wachten’. “Zodra ik bericht krijg van een klus, ben ik daar”, legt Mohameduit. “De mensen die vragen naar klussenhulp hebben niemand of kunnen het niet meer zelf. Je kan ze dan niet laten wachten. Het voelt goed dat ik ze kan helpen.” Deze loyaliteit kan voortkomen uit de betekenisvolle relaties die vrijwilligers kunnen opbouwen met andere hulpvragers. Volgens Lucas Meijs, hoogleraar Strategische Filantropie & Vrijwilligerswerk’, delen vrijwilligers vaak kenmerken met de mensen die zij helpen, is er een grotere persoonlijke betrokkenheid en is het contact informeler. Dit is ook het geval bij de vrijwilligers van House of Hope: zij delen het kenmerk ‘hulpvrager’, kampen wellicht met vergelijkbare problematiek en kiezen er uiteindelijk zelf voor om vrijwilliger te worden waardoor zij persoonlijk meer betrokken zijn. Anderzijds voelen de vrijwilligers ook een loyaliteit naar House of Hope. Deze loyaliteit heeft vooral te maken met het idee dat ze iets terug moeten doen voor de organisatie, als dank voor de hulp en begeleiding die zij hebben ontvangen.

De vrijwilligers geven echter ook andere redenen om vrijwilligerswerk te doen. Het komt steeds neer op contact. “Het gaf mij de mogelijkheid om mensen te leren kennen en deze contacten te onderhouden”, zegt Astrid. “Ik heb een familie erbij gekregen.” Met het woord ‘familie’ doelen de vrijwilligers op een warme, liefdevolle groep die begrip heeft voor de situatie waar sommigen inzitten en waar iedereen elkaar als gelijke behandelt. Deze groep bestaat niet alleen uit collega-vrijwilligers, maar ook de betaalde krachten worden genoemd als onderdeel van deze groep. Dit is een positief gegeven, daar onderzoek heeft uitgewezen dat het hebben van een sociaal netwerk zorgt voor ondersteuning en een vangnet, vermindering van stress en andere mentale klachten. Daarbij vergroot het de kans om tegenslagen te kunnen verwerken. Het lijkt alsof het gevoel dat de organisatie bij de vrijwilligers oproept een belangrijke rol speelt in waarom zij verbonden zijn aan House of Hope. En verbonden blijven, zelfs als de wens om door te stromen naar betaald werk in vervulling gaat.

Ligt het gevaar van overvraging op de loer?

Wel rijst de vraag of het beschreven gevoel van dankbaarheid, loyaliteit, familiariteit en het ‘hulpvrager-hulpgeverprincipe’ niet leidt tot overvraging van de vrijwilliger. Uit onderzoek van de Universiteit voor Humanistiek en de NOV blijkt dat 51% van alle vrijwilligers druk en overbelasting ervaart. Het gaat dan met name om vrijwilligers in de sector zorg en welzijn, dus bij gelijksoortige organisaties als House of Hope. Deze druk komt enerzijds door de bezuinigingen die gepaard gingen met de decentralisatie zorg, werk en jeugdhulp in 2015, wat onder andere heeft geleid tot complexere hulpvragen van cliënten. Anderzijds kunnen werkzaamheden, zoals één-op-éénbegeleiding en crisissituaties, confronterend zijn voor vrijwilligers. Dit kan ervoor zorgen dat ‘vrijwilligers weleens over hun eigen grenzen heen gaan en hun draagkracht oprekken’, menen de onderzoekers.

Als het leeuwendeel van de vrijwilligers van House of Hope zelf de nodige problemen heeft, is hun (emotionele) draagkracht dan wel voldoende om als vrijwilliger aan de slag te gaan? Het sterke gevoel van dankbaarheid en loyaliteit, in combinatie met onvoldoende draagkracht, zou ertoe kunnen leiden dat ook zij over hun eigen grenzen gaan. Immers, tegen een familielid zeg je niet zomaar ‘nee’ en zet je sneller dat ene stapje extra.

House of Hope lijkt hier vanuit organisatorisch oogpunt rekening mee te houden, ook al zet de organisatie expliciet in op deze familiale setting. De beroemde uitspraak ‘vrijwilligerswerk is vrijwillig, maar niet vrijblijvend’, neemt House of Hope niet te letterlijk. Met vrijwilligers die afwezig zijn, wordt namelijk niet heel streng afgerekend. “Uiteraard zijn er afspraken”, licht Yvonne toe. “De vrijwilligers kunnen niet komen en gaan as they please, want wij werken namelijk ook voor anderen in de wijk. Zij rekenen op ons. Tegelijkertijd moeten vrijwilligers fouten kunnen maken en hiervan kunnen leren. In plaats van straffen uitdelen, gaan wij veel liever het gesprek aan over waarom zij afwezig waren.” Met het oog op uitstroom naar de betaalde arbeidsmarkt, vindt House of Hope het belangrijk om in te zetten op vaardigheden zoals verantwoordelijkheid. “Als je werkt voor een baas kun je namelijk ook niet zomaar wegblijven”, vult Yvonne aan. “Maar we houden rekening met het feit dat sommige vrijwilligers ook de nodige problemen hebben en dus niet altijd in staat zijn om de gevolgen van wegblijven te overzien.”

Geen beleid, maar cultuur

Het uiten van waardering is belangrijk bij House of Hope. “Onze vrijwilligers zijn meer dan alleen vrijwilligers en dat is dan ook iets wat we graag aan hen willen laten zien. Oprechte aandacht geven aan onze vrijwilligers: daar staan wij voor”, bepleit Yvonne. Deze ‘oprechte aandacht’ uit zich in de vorm van activiteiten uitsluitend voor vrijwilligers, zoals het verkennen van een andere stad of een barbecue. Maar ook een kaartje en een bloemetje als iemand ziek is of een kleinigheidje met een verjaardag dragen bij aan de ‘familieband’. “Vrijwilligers ervaren niet alleen dat ze gezien worden als ze actief zijn, maar ook dat ze gemist worden als ze er niet zijn.”

Vrijwilligers die een groot aantal uren per week betrokken zijn en/of extra verantwoordelijkheden hebben in hun werk bij House of Hope, krijgen naast de reguliere vormen van waardering een vrijwilligersvergoeding. De teamleider legt uit dat deze niet bedoeld is om vrijwilligers te werven of te behouden. Om die reden wordt de hoogte van de vergoeding ook niet kenbaar gemaakt in vacatures of tijdens gesprekken over vrijwilligerswerk. “We doen dit juist om een beetje extra waardering te tonen”, legt Yvonne uit. “Ook geloven wij dat een vergoeding kan helpen om vrijwilligers te stimuleren in hun verantwoordelijkheden, doorontwikkeling te bevorderen en het gat tussen vrijwilligerswerk en betaald werk te verkleinen.”

Het uiten van waardering en het bieden van een passende beloning is persoonlijk en dus maatwerk. Volgens het Centrum voor Dienstverlening (CVD) is het dan ook van belang om in te spelen op de persoonlijke wensen van vrijwilligers. Hoe kijken de vrijwilligers van House of Hope aan tegen de vorm van waardering? Ik vraag het aan Leila, een van de gastvrouwen in de Huiskamer. “Je hoort echt ergens bij hier”, vertelt ze. “Als ik ziek ben en er ligt een kaartje op de mat, dan voel je dat mensen met je meeleven. Er wordt aan je gedacht en het team heeft begrip voor de situatie. Mooi. Echt een warm gevoel.” Ook de vrijwilligers die wat extra’s krijgen in de vorm van een vergoeding, vertellen dat het vooral gaat om ‘dat schouderklopje’. Een zakcentje is mooi meegenomen, zeker als je moet leven van een uitkering. Maar het is niet wat de vrijwilligers motiveert. Het gaat vooral over anderen willen helpen en daar een klein gebaar voor terug krijgen. “Of het nou een kaartje, een bloemetje of een kleinigheidje is… Het is vooral de liefde die je ervoor terug krijgt van de organisatie en buurtbewoners. Dat zorgt ervoor dat ik dit wil doen.”

Dankbaarheid, loyaliteit, het zijn van een familie: het zijn mooie woorden en gevoelens die de vrijwilligers voor House of Hope hebben. In de cultuur van de organisatie hebben warmte en persoonlijke benadering een belangrijke plaats. Zo’n warm bad kan voormalige cliënten en toekomstige vrijwilligers de ruimte geven om te zijn wie ze zijn met alle ‘brokken’ en ‘scheuren’ die het leven heeft veroorzaakt. Het geeft hen de mogelijkheid fouten te maken en ervan te leren. Om langzaam weer te kunnen deelnemen aan de maatschappij. Meer dan andere organisaties wellicht doen, zet House of Hope in op warmte en persoonlijke aandacht om hulpbehoevende wijkbewoners te vinden, te helpen en te binden. Door hen niet alleen ‘hulpvrager’ te laten zijn, maar vooral ook ervoor te zorgen dat zij ‘hulpgever’ kunnen worden. De vriendelijke gezichten, de verse koffie en de deur die voor iedereen openstaat: het lijkt de binding met de wijk, de personen die terecht komen bij House of Hope en de organisatie zelf te versterken. Misschien is dit ook wel waarom mensen hier de deur platlopen, hoe ongezellig en sfeerloos de Huiskamer voor een buitenstaander ook mag lijken.

Uit privacyoverwegingen zijn de namen in dit artikel gefingeerd.

Geraadpleegde bronnen

– 5 vragen aan professor Lucas Meijs over de waarde van vrijwilligerswerk (n.d.). Van: www.uvv.online-magazine.nl
– CVD (2016). Waarderen en belonen van vrijwilligers. Rotterdam: Centrum voor Dienstverlening
– Enorme vraag naar vrijwilligers: ‘Mensen hebben minder tijd’ (2019). Van: www.nu.nl
– Grootegoed, E., Machielse, A., Tonkens, E., Blonk, L. & Wouters, S (2018). Aan de andere kant van de schutting: inspelen op de toenemende vraag naar vrijwillige inzet in het lokale sociaal domein. Vereniging NOV
– House of Hope (2018). House of Hope Jaarrapportage.
– IDEM Rotterdam (2017). Gebiedsbeeld IJsselmonde. Signalen over integratie, discriminatie, v/m-emancipatie en lhbt-emancipatie uit IJsselmonde, Rotterdam: IDEM Rotterdam
www.houseofhope.nl

Kenniskaart Jongeren & Eenzaamheid

Kenniskaart Jongeren & Eenzaamheid

Wie denkt aan eenzaamheid, ziet vaak ouderen voor zich. Echter, gebleken is dat jongeren tot de eenzaamste groepen in de samenleving behoren. In de afgelopen jaren is er steeds meer aandacht gekomen voor het thema eenzaamheid bij jongeren. Zo bracht Brandpunt+ in september 2018 de documentaire ‘Jong en Eenzaam’ uit.

Ondanks dat er veel aandacht is voor eenzame jongeren en er initiatieven zijn opgezet om dit tegen te gaan, heeft vooral de tweet van Nadï het stof doen opwaaien. In haar tweet vertelde ze over de eenzaamheid die zij ervaart en deed ze een oproep voor een sociaal netwerk bij haar in de buurt. Met de hashtag #eenzamejongeren en #maatjegezocht opende zij het gesprek over eenzaamheid. Haar tweet, die viraal ging, heeft ervoor gezorgd dat Stichting Join us op 4 september 2019 het Landelijk meldpunt voor eenzame jongeren heeft gelanceerd. Hier kunnen eenzame jongeren een melding maken om zo de urgentie van eenzaamheid bij jongeren zichtbaar te maken. Eenzaamheid kan leiden tot serieuze klachten die grote gevolgen kunnen hebben voor de fysieke en psychische gezondheid van mensen. Dit kan ervoor zorgen dat participatie in de samenleving wordt bemoeilijkt.

In deze Kenniskaart heeft IDEM-onderzoeker Larissa Chantre de cijfers, signalen en achtergrond van eenzaamheid onder jongeren op een rij gezet.