Tessa Hofland: “Het stoorde me dat de slavernijgeschiedenis hier niet makkelijk is terug te zien”

Tessa Hofland: “Het stoorde me dat de slavernijgeschiedenis hier niet makkelijk is terug te zien”

Historicus en journalist Tessa Hofland maakte de podcast ‘Nooit bewust opgeslagen, over het Rotterdamse slavernijverleden’. In de vierdelige serie behandelt ze iedere aflevering een ander thema. Zo neemt ze je mee naar plekken in Rotterdam waar je nog sporen van het slavernijverleden kan zien en interviewt ze onderzoekers die migratiestromen in en uit Rotterdam in kaart gebracht hebben.

Hoe ben je op het idee gekomen voor deze podcast?

Tijdens gesprekken over het slavernijverleden hoorde ik mezelf steeds weer zeggen dat het ook een Nederlands verleden is, en dus ook Rotterdams. Maar dat past niet bij het beeld dat veel mensen hebben van slavernij, want het wordt alleen maar verteld als iets dat overzees gebeurde. Het wordt bijna als excuus gebruikt: ‘Het gebeurde niet hier, dus we konden er niets van weten.’ Zelf heb ik tijdens mijn studies kennis opgedaan over het slavernijsysteem op de Caribische eilanden, maar ik wilde ook mijn eigen omgeving kunnen duiden. Hoe heeft het slavernijverleden een impact gehad op mijn eigen stad, op Rotterdam dus.

Waarom is dat belangrijk?

De koloniale geschiedenis werd altijd neergezet als iets wat mensen onderscheidt. Maar dat is niet de basis die je wil hebben in een stad, of land. Het is namelijk een gedeelde geschiedenis, een geschiedenis die ons verbindt. Misschien waren je voorouders slachtoffer van het systeem of iemand die eraan heeft meegewerkt, en dat is een groot verschil maar toch is het een gedeeld verleden.

Kun je als witte vrouw dat verhaal vertellen?

Om allerlei redenen heb ik met die vraag geworsteld. Moet ik hier als witte vrouw wel een voortrekkersrol in nemen? Een aantal gesprekken hebben mij ervan overtuigd om het toch te doen. Een van de redenen was dat ik de mogelijkheid had om met een klein financieel risico deze podcast te maken. Ik heb een parttime baan en dus een inkomen. Bovendien had ik de nodige kennis en ervaring als journalist en historicus. Daarnaast is het niet alleen de verantwoordelijkheid van mensen van kleur of van zwarte mensen om dit thema aan te kaarten. Is het niet juist de verantwoordelijkheid van witte mensen, die ooit dit probleem hebben gecreëerd? Ik wilde in ieder geval de basis leggen van deze geschiedenis, zodat die last niet altijd bij anderen komt te liggen. Het is de geschiedenis van onze, dus ook van mijn stad die ik vertel.

Vanwaar de focus op Rotterdam?

Mijn fascinatie begon breder, namelijk met het idee van het Koninkrijk. In 2012 ging ik naar Curaçao voor mijn studie. Het idee van het Koninkrijk was nog vaag voor me, dus ik wilde daar naartoe om er meer over te leren. Ik ben later ook op Saba, St Eustatius en St Maarten, Aruba en Bonaire geweest. Daarmee had ik het hele Koninkrijk gezien.

Op Curaçao merkte ik dat je sporen van het slavernijverleden makkelijker kon terugzien dan in Nederland. Dat begon me te storen: waarom is de geschiedenis daar zo duidelijk en leren we er hier zo weinig over? Ik woon in Rotterdam, dus ik wilde mijn eigen stad ook op dit vlak leren kennen.

Wat heeft je het meest verrast tijdens het maken van de podcast?

Waar ik me het meest over verbaasde, was de echo die altijd klonk: ‘Hoe konden we dat nou weten?’ Maar Rotterdam is meer dan de haven, de scheepsbouwers, de jeneverstokers. Er zijn altijd mensen in Rotterdam geweest die het slavernijsysteem met eigen ogen hebben gezien, of zelf slachtoffer waren van het systeem. Zwarte mensen en mensen van kleuren waren ook altijd in de stad. Die moeten verhalen hebben verteld, en die moeten zijn meegenomen naar andere plekken. Toen al moeten er verhalen rondgegaan zijn over hoe tot slaaf gemaakten behandeld werden, dat er lijfstraffen werden uitgedeeld, dat ze urenlang moesten werken in de brandende zon. Het verrassende is dat ook in die tijd geprotesteerd werd, maar toch zijn op een gegeven moment de verhalen verstomd.

Heb je enig idee waarom dat zo was?

Deze vraag heb ik gesteld aan Alex van Stipriaan, hoogleraar Caribische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit, die ook betrokken is bij het Rotterdamse onderzoek naar het slavernijverleden van de stad. Hij legde uit dat het systeem van onderdrukking en mensen onmenselijk behandelen, dat we honderden jaren in stand gehouden hebben, op een gegeven moment niet meer bij ons zelfbeeld paste. Er waren bijvoorbeeld al eerder herdenkingen van het slavernijverleden, maar die waren op zeker moment gestopt. En door de wereldoorlogen in de twintigste eeuw, is het waarschijnlijk nog meer naar de achtergrond verdwenen.

Wat zou iedere Rotterdammer moeten weten van de geschiedenis van de stad?

Rotterdam is niet ontstaan uit de as van het bombardement in 1940. Rotterdam heeft een lange geschiedenis, het is een hele oude stad. Het was een van mijn drijfveren om te laten zien dat de Rotterdamse geschiedenis niet begint bij het bombardement in de Tweede Wereldoorlog. Daarvoor had je het slavernijverleden, allerlei migratiestromen, noem maar op. Ook dat hoort allemaal bij onze geschiedenis.

Online Kennisatelier over racisme

Wil je meer weten over het slavernijverleden van Rotterdam en de relatie met hedendaags racisme? Neem dan deel aan ons online Kennisatelier ‘All lives matter: ja toch, niet dan?’, waar Tessa Hofland een van de sprekers is. In onze agenda vind je meer informatie over het Kennisatelier of meld je direct aan!

Illustratie: Ez Silva

Jacqueline Rensen: “Hopelijk is de invloed van Irma blijvend”

Jacqueline Rensen: “Hopelijk is de invloed van Irma blijvend”

Vertalingen naar gebarentaal, trainingen voor horende mensen die samenwerken met een slechthorende of dove collega en zelfs workshops zingen in gebarentaal voor kinderen. De Rotterdamse Jacqueline Rensen zet zich op verschillende manieren in voor inclusie van slechthorende en dove mensen. De populariteit van gebarentolk Irma Sluis tijdens de persconferenties over de coronacrisis heeft de interesse in gebarentaal doen toenemen. “Maar Irma is niet meer altijd te zien, de aandacht verslapt weer”, zegt Jacqueline Rensen. “Toch hoop ik dat haar invloed blijvend is.”


Lange tijd dacht Jacqueline Rensen, die zwaar slechthorend geboren is en op latere leeftijd doof werd, dat het haar eigen verantwoordelijkheid was om te kunnen communiceren op de werkvloer. Ze zorgde ervoor dat ze collega’s goed kon zien als ze spraken, besteedde extra aandacht aan sheets tijdens presentaties, regelde een tolk bij bijeenkomsten en was niet verontwaardigd als een vergadering toch doorging als zij niet kon meedoen. Maar toen ze een baan kreeg bij Dovenschap, de nationale belangenbehartiger van vroegdove mensen, ervoer ze hoe het ook kon. Iedereen kon er gebaren, dus er waren geen belemmeringen in de communicatie. Bij de Brede Raad 010, waar Jacqueline aan deelneemt, nam de managementassistent het op zich de tolk te regelen voor vergaderingen. En als er geen beschikbaar was, werd de vergadering verschoven, zodat haar mening altijd meetelde. Jacqueline voelde zich eindelijk gehoord.


Gedeelde verantwoordelijkheid


“Ervoor zorgen dat een slechthorend of doof iemand goed kan meekomen op de werkvloer, is een gedeelde verantwoordelijkheid”, zegt Jacqueline. “Daar ben ik me in de loop der jaren steeds bewuster van geworden. Een gebarentolk is er niet zozeer omdat ik doof ben, maar vooral omdat niemand anders gebarentaal kan.”

Gelukkig komt er steeds meer aandacht voor inclusie op de werkvloer. “Voorheen was de tendens ‘zij moet zich aanpassen aan ons’, maar de houding van veel werkgevers, leidinggevenden en collega’s verandert”, legt ze uit. “Het is misschien lastig om horende collega’s te verplichten, maar steeds vaker wordt verwacht dat zij zich ook aanpassen.”


Tips voor horende collega’s

Zo moeilijk hoeft die aanpassing ook helemaal niet te zijn. Jacqueline geeft graag enkele tips aan horende mensen die een slechthorende of dove collega hebben. “Als een collega heeft aangegeven slechthorend of doof te zijn, kun je om te beginnen vragen wat diegene nodig heeft om jou te kunnen verstaan”, legt Jacqueline uit. “Door die vraag te stellen voelt de slechthorende of dove collega zich minder bezwaard. Laat merken dat diegene het niet alleen hoeft te doen en dat jij slechthorendheid accepteert.”

Harder praten is niet heel zinvol. “De articulatie is veel belangrijker”, legt Jacqueline uit. “Veel mensen weten niet wat ze moeten doen als iemand vraagt of ze duidelijker kunnen praten. Ga in ieder geval niet staccato en heel langzaam praten, dan valt alle mimiek weg. Houd een normaal spreektempo aan, maar praat net iets rustiger. Zorg er verder voor dat je aandacht hebt voor je collega: maak oogcontact.” Kijk niet raar op als je collega vraagt je een kwartslag of zo te draaien. Dat is nodig vanwege de lichtval.

Ook tijdens vergaderingen wordt het met kleine aanpassingen een stuk makkelijker voor dove of slechthorende collega’s. “Als slechthorende heb je uren beschikbaar om in te zetten voor een gebarentolk of schrijftolk. Dat is iemand die op een speciaal toetsenbord met lettergrepen meetypt, zodat de dove of slechthorende kan meelezen”, vertelt Jacqueline. “Mocht die niet beschikbaar zijn, zorg er dan voor dat de vergadering gestructureerd verloopt. Verspreid vooraf de agenda, zorg voor een goede voorzitter die beurten geeft en spreek onderling af dat iemand een hand opsteekt als diegene iets wil zeggen. En zijn er presentaties? Stuur ze voor de vergadering naar de bewuste collega.”


Populariteit


Op haar huidige werk, bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, werd in januari 2019 het thema ‘diversiteit en inclusie’ gepresenteerd. Jacqueline zag haar kans en greep de gelegenheid aan om aandacht te vragen voor slechthorend- of doofheid op de werkvloer. Ze begon met workshops ‘visuele communicatie’ voor collega’s, om hen bewust te maken van hoe je kan communiceren zonder iemand te verstaan. De enthousiaste deelnemers wilden zelfs meer gebarentaal leren.

Door de coronacrisis konden de fysieke workshops niet meer doorgaan, maar Jacqueline wist te regelen dat haar werkgever 150 accounts inkocht voor de GebarenChallenge, een online cursus om gedurende een jaar vijfhonderd gebaren te leren. “Deze werden aangeboden via ons intranet”, vertelt Jacqueline. “En binnen drie dagen waren er al honderd accounts vergeven. Dat enthousiasme gaf me ontzettend veel energie! Ik hoop dat ik met veel meer collega’s in gebarentaal kan communiceren als we straks weer naar kantoor kunnen.”

De animo voor de cursus is ongetwijfeld vergroot door de populariteit van gebarentolk Irma Sluis, die Nederland heeft leren kennen door de persconferenties over de coronacrisis. “Irma is niet meer altijd te zien, dus de aandacht zal misschien verslappen”, zegt Jacqueline. “Bovendien zorgt het toegenomen gebruik van mondkapjes voor een nieuw probleem: het is niet meer mogelijk om de mond en de mimiek te zien als mensen praten, waardoor het voor doven en slechthorenden nog moeilijker wordt om te communiceren. Gelukkig is de informatievoorziening voor doven en slechthorenden wel hoger op de politieke agenda gekomen, dus dat is een goede eerste stap. Mogelijk wordt door de wet Erkenning Nederlandse Gebarentaal het een en andere beter geregeld.”


Gebarentaal op school


Een structurele oplossing zou zijn als kinderen op de basisschool al gebarentaal leren, meent Jacqueline. “Ik begrijp dat je over het algemeen niet vaak dove mensen tegenkomt”, legt ze uit, “maar als kind kun je gemakkelijker een extra taal leren dan wanneer je ouder bent. Bovendien heeft het nog andere voordelen: mocht iemand later zelf slechthorend of doof worden, dan kent diegene al de basis. Een ander voordeel is dat je je lichaam en je mimiek beter durft te gebruiken, je krijgt er meer lef van. Bovendien kun je kiezen uit een visuele taal en gesproken taal en deze flexibel inzetten, afhankelijk van situaties”

Jacqueline ziet in dat een verplichtstelling voor gebarentaal onwaarschijnlijk is, maar wijst er wel op dat het gemakkelijk aangeboden kan worden als keuzevak. “Je kan op school allerlei talen leren, dus waarom niet ook gebarentaal?”

Mijn grote dank gaat uit naar gebarentolk Tina van Dijk die dit interview ondersteund heeft.

Geen 18, geen druppel? Alcoholgebruik onder jongeren in Pernis als sociale norm

Geen 18, geen druppel? Alcoholgebruik onder jongeren in Pernis als sociale norm

Een biertje na de training, een mixdrankje voor het schoolfeest of een roseetje met vrienden: een drankje als je minderjarig bent, lijkt in Pernis niet zo’n probleem. Hoewel in 2014 de leeftijdsgrens voor het nuttigen van alle alcoholische dranken werd verhoogd van 16 naar 18 jaar, lijken veel inwoners van Pernis hier niet zo strikt mee om te gaan. ‘Een drankje hoort erbij’, is een veelgehoord argument van ouders. Maar hoe verander je die – voor de volksgezondheid en veiligheid ongewenste – sociale norm, als ouders het probleem niet zo zien? IDEM-redacteur Wilke Martens toog naar Pernis om te bekijken hoe het gesteld is met alcoholgebruik onder jongeren.

Wie voor het eerst door Pernis wandelt, zou niet vermoeden dat sommige van de straten met regelmaat bezaaid waren met ‘kabouterpost’ en lege drankflessen. Integendeel, de dorpskern van Pernis doet pittoresk aan, met haar achttiende-eeuwse boerderijen, groene gordel, woningen die verschanst liggen achter dijken en de kinderkopjes die de stegen een historische uitstraling geven. Maar de dorpskern mag nog zo idyllisch zijn, het is de haven van Rotterdam die de hoofdrol speelt in Pernis. Een groot deel van de bijna vijfduizend inwoners van Pernis is werkzaam in de haven. En na een lange dag hard werken als sjorder, cargadoor of kraanmachinist, dan heb je wel een biertje verdiend. Of twee.

Veelvuldig gebruik van alcohol is in Pernis genormaliseerd, zo blijkt uit het Gebiedsbeeld Pernis dat IDEM Rotterdam in 2018 publiceerde. Voor deze gebiedsverkenning werden professionals en actieve bewoners geïnterviewd over de thema’s integratie, discriminatie, man/vrouw-emancipatie en lhbti-emancipatie. Hoewel het niet direct iets met deze thema’s te maken heeft, is het opvallend dat alcohol- en drugsgebruik veelvuldig als aandachtspunt werden aangemerkt tijdens de interviews en focusgroepen. Met name het feit dat jongeren er vroeg bij zijn als het genotsmiddelen betreft, baart de professionals zorgen. Ook in andere documenten over Pernis, waaronder het Gebiedsplan 2015-2018 en de Wijkagenda 2019-2022, komt problematisch alcohol- en drugsgebruik bij jongeren herhaaldelijk als onderwerp terug. Reden genoeg om voor dit artikel wat dieper in dit onderwerp te duiken.

Achter de voordeur: ingesloten norm

Niet op straat of aan de bar, maar achter de voordeur wordt in Pernis de norm bepaald met betrekking tot alcoholconsumptie, zo staat te lezen in het Gebiedsbeeld: “Achter de voordeur is het volgens gesprekspartners vaak de norm dat in de avonden na het werk, en op zaterdagmiddag, ontspanning gepaard gaat met alcohol. Dit is het voorbeeld dat jongeren en kinderen meekrijgen vanuit huis, en dat op de voetbalclub of bij een andere vereniging verder gestimuleerd wordt.” Bovendien beginnen Pernissers vaak op jonge leeftijd met drinken.

Voor Tamara Hardenbol, secretaris van de voetbalvereniging en trainer, is dat een herkenbaar beeld. “Hier heerst een bepaalde cultuur, waar een drankje ‘erbij hoort’”, vertelt ze tijdens een bezoek om te praten over dit thema. “Vooral als het mooi weer is, dan neem je lekker een biertje. Het is gezellig, je neemt er nog een. Als je als ouder zelf drinkt en dat ook normaal vindt, kan het een lastige discussie worden met je puberzoon of -dochter als die niet mag drinken.”

In plaats van het gesprek met de zoon of dochter aan te gaan over de gevaren van alcohol op jonge leeftijd, stellen ouders vaak voor om samen met hun kind een (eerste) drankje te doen. Dat merkt jongerenwerker Sadik op. “We lopen in Pernis aan tegen normaliseren van alcohol- en drugsgebruik”, legt hij uit. “Natuurlijk niet door iedereen, maar ik zie het meer gebeuren dan in andere gebieden waar ik werk. Voorheen werd het nog wel als taboe gezien, maar nu is het normaal. Niet alleen voor de jongeren zelf, maar ook voor de ouders. We zien vaak dat jongeren voor het eerst met alcohol of tabak in aanraking komen via de ouders. Ze mogen wel een biertje proberen, onder begeleiding. Dan is het niet raar dat iedereen het normaal vindt als een minderjarige drinkt.”

Drinken is de norm, bevestigt ook het onderzoek ‘Doe normaal’. Een van de respondenten vindt het niet gek dat bijvoorbeeld voorlichting niet werkt: “Zolang hij of zij denkt dat het normaal is om iedere avond na het werk vijf biertjes te drinken, zal hij of zij niet snel een wijkbijeenkomst rondom alcohol- en drugsgebruik bezoeken.”

Gebiedsplan: inzetten op de jeugd

In het Gebiedsplan 2015-2018 wordt eenzelfde beeld geschetst. In Pernis wordt meer gedronken dan gemiddeld in Rotterdam. Overmatig drank- en drugsgebruik onder jongeren hangt samen met overlast en vandalisme. Om dit tegen te gaan, moet meer ingezet worden op de jeugd, aldus het Gebiedsplan. Pernisse jongeren voelen zich naar verhouding eenzamer dan gemiddeld in Rotterdam, en gebruiken meer alcohol en drugs dan gemiddeld. Hun perspectief moet worden vergroot, zo luidt de conclusie. Maar heeft dat wel zin als drinken de norm blijft?

Victor Nagtegaal, wijkmanager van Pernis, erkent dat bovengemiddeld alcoholgebruik onder jongeren een probleem is in het stadsgebied. Al tientallen jaren zelfs. “Er zijn allerlei maatregelen genomen om problemen in het algemeen terug te dringen”, zegt Nagtegaal, “maar er zijn beperkte maatregelen genomen om specifiek dit punt aan te pakken.”

Het alcoholgebruik onder jongeren staat in het wijkactieplan op de agenda, maar blijft al ruim een decennium een pijnpunt. Volgens Nagtegaal heeft dat te maken met de complexiteit van het probleem. “Het is zo ontzettend taai en er hangen zoveel verschillende dingen mee samen, waardoor we er nog niet uit zijn wat de beste oplossing is. In het verleden zijn allerlei maatregelen genomen, maar een ingesleten norm veranderen is iets van de lange adem.”

De vergelijking met roken ligt voor de hand: vijftien jaar geleden vond iedereen het normaal dat er veel gerookt werd. Inmiddels is de algemene tendens dat gezond leven belangrijk is. Toch is eenzelfde aanpak als de antirookcampagnes niet een kant-en-klare oplossing. Nagtegaal: “Er zit nog een groot verschil in de sociale acceptatie van alcohol en sigaretten. Kijk bijvoorbeeld alleen al hoe we de horeca promoten, nu de coronamaatregelen versoepeld zijn. Ik hoop dat iedereen een glaasje fris drinkt op het terras, maar dat is niet realistisch. De manier waarop we met alcohol omgaan is anders dan de manier waarop we met sigaretten omgaan. Vroeger was het vrij normaal dat je op je twaalfde je eerste biertje kreeg. Dat patroon is zo sterk ingesleten, dat het veel tijd kost voordat mensen zich aan een nieuwe norm willen houden.” 

Naast de ingesleten norm, spelen financiële belangen een grote rol bij de houding ten aanzien van alcohol. “De verkoop van alcohol vormt een belangrijke inkomstenbron voor bijvoorbeeld de voetbalvereniging”, legt Nagtegaal uit. “Ze hebben wel eens een alcoholvrij weekend georganiseerd, maar dan lopen ze aanzienlijke inkomsten mis. Als alcohol zo’n belangrijk deel uitmaakt van het verdienmodel van een vereniging, en dus van hun bestaansrecht, kun je als gemeente moeilijk de verkoop gaan verbieden. Dat zou alleen aanvaard worden als er financiële compensatie tegenover staat.”

Nagtegaal hoopt dat met de inzet op gezonder leven, ook het alcoholgebruik afneemt. “In Pernis zijn we druk bezig met de inzet op een gezondere leefstijl, vanuit medisch oogpunt. De focus ligt nu vooral op tegengaan van overgewicht, maar vanuit die insteek kun je uiteindelijk een bredere gedragsverandering tewerkstellen. Het kost alleen heel veel tijd. Toch heb ik goede hoop en vermoed ik dat je over tien jaar wel verschil ziet.”

Alcoholgebruik onder jongeren: een dorps probleem?

Hoewel de minimumleeftijd om alcohol te mogen nuttigen op 18 jaar ligt, hebben veel jongeren al eerder hun eerste drankje op. Zo heeft 32,2 procent van de 14- en 15-jarige vmbo-leerlingen in Rotterdam wel eens alcohol genuttigd in het schooljaar 2017-2018, zo blijkt uit onderzoek van het Centrum voor Jeugd en Gezin. In Pernis ligt dit percentage echter veel hoger: 47,5 procent. Alleen in de stadsgebieden Hoogvliet en Rozenburg ligt dit percentage eveneens boven de 45 procent.

Een veelgehoord argument is dat er in de kleine kernen te weinig te doen is voor jongeren, waardoor ze uit verveling gaan experimenteren met drank en drugs. In de Wijkagenda 2019-2022 wordt al aangemerkt dat de mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding voor jongeren in Pernis verbeterd moeten worden. Toch gelooft Nagtegaal niet dat jongeren meer drinken of drugs gebruiken, alleen maar omdat er minder te doen is in Pernis. “Je hebt ook te maken met landelijke trends, zoals lachgas”, zegt hij. “Dat heeft niets te maken met de faciliteiten in het stadsgebied. Wat wel een belangrijk punt is, is dat je van die faciliteiten er maar één hebt. Als bijvoorbeeld de turnvereniging wegvalt, dan kun je niet meer turnen in Pernis. Daarom doen we ons best om wat er is te behouden.”

Een andere mogelijke verklaring voor de verschillen tussen de kleine kernen en andere stadsgebieden, ligt volgens Nagtegaal in de bevolkingssamenstelling. “In de kleine kernen is de bevolking overwegend autochtoon, terwijl in de rest van Rotterdam 20 tot 30 procent van de bewoners een islamitische achtergrond heeft. En over het algemeen wordt door moslims minder gedronken”, legt hij uit. Dit verschil wordt bevestigd door kinderarts Nico van der Lely van de alcoholpoli in het Reinier de Graaf-ziekenhuis in Delft, zo blijkt uit een artikel in NRC uit 2015 over het verschil in alcoholgebruik tussen dorpen en steden. “Hun [jongeren met islamitische achtergrond, WM.] ouders zijn strenger en hanteren de mentaliteit uit het Nederland van de jaren vijftig. De tweede generatie moslims schuift echter wel langzaam op in de richting van het drinken van meer alcohol.”

Van der Lely wijst bovendien op de verantwoordelijkheid van ouders als het gaat om een norm stellen: “De regio’s liggen op dat vlak iets achter ten opzichte van de steden omdat er een andere cultuur heerst. Een gemaakte cultuur die in grote mate wordt bepaald door ouders die alleen naar de voetbal- of hockeyclub komen voor de ‘derde helft’ en hun kinderen zo het slechte voorbeeld geven. Tevens een cultuur onder invloed van reclames waarin alcoholgebruik als ‘stoer’ wordt neergezet.”

Hoewel specifiek op jongeren gerichte alcoholreclames verboden zijn, lijken drankmerken een sluiproute gevonden te hebben. Via Instagram maken steeds meer influencers – al dan niet betaald – verkapt reclame voor alcohol. Communicatie-wetenschapper Hanneke Hendriks deed onderzoek naar de manier waarop alcohol werd gepresenteerd in posts van populaire influencers, zo schrijft Het Parool. “De voornaamste conclusies: invloedrijke personen praten veel en positief over alcohol en tonen ook veel alcoholmerken zonder goed duidelijk te maken dat het om reclame gaat. Op die manier kunnen drankmerken het verbod op alcoholreclame gericht op jongeren omzeilen.”

Jongerenwerk: vechten tegen de bierkaai?

Als jongeren alleen maar positieve beelden voorgeschoteld krijgen via hun ouders en hun idolen, hoe doordring je hen dan van de gevaren van alcohol? Niet zo gemakkelijk, weet Sadik. Hij en zijn collega’s van jongerenwerkorganisatie Miero hebben er een flinke kluif aan om jonge Pernissers bewust te maken van de gevaren van alcohol en drugs. Niet alleen het feit dat drinken door jongeren genormaliseerd is maakt het moeilijk om hen van een ander perspectief te voorzien, maar ook het feit dat jongerenwerkers maar beperkt de tijd hebben. “We hebben in Pernis een opdracht van iets meer dan een halve fte en daar is alcoholpreventie weer een klein stukje van”, legt Sadik uit. “We hebben al niet veel tijd en we kunnen jongeren in de probleemleeftijd niet gemakkelijk bereiken, omdat er geen middelbare school is in Pernis.”

De jongerenwerkers van Miero geven daarom al voorlichtingen over alcohol op de basisschool. “Hoe eerder, hoe beter”, zegt Sadik. “We zijn genoodzaakt om preventief al in te zetten op basisscholen, dus hopelijk kunnen we daar later effect van zien.” De jongeren van de toekomst krijgen misschien een ander voorbeeld, maar voor de jongeren van nu is er nog veel werk aan de winkel. “We proberen jongeren individueel te benaderen”, legt Sadik uit. “Als we bijvoorbeeld op een van onze talentenavonden zien dat iemand kampt met overmatig gebruik, dan gaan we met die jongere in gesprek. We laten voorbeelden zien van waar het fout kan gaan en we laten zien wat de gevolgen van overmatig alcohol- en drugsgebruik op de lange termijn zijn. Meestal wil de jongere in kwestie proberen om het eerst zelf op te lossen. Die ruimte bieden we wel; we willen de ontwikkeling niet frustreren. Maar als we blijven zien dat de persoon overmatig gebruikt, dan proberen we diegene toch naar een hulpinstantie te begeleiden.”  

Maar het is vechten tegen de bierkaai, als ouders alles maar prima vinden. “Er zijn ouders die het allemaal wel best vinden zolang ze geen klachten krijgen over hun kind”, weet Sadik. “‘Mijn zoon of dochter zit op school of werkt, verdient eigen geld, is goed bezig, als ze dan met vrienden een jointje roken, dan zij het zo.’ Er zijn natuurlijk ouders die er anders over denken, maar dit is het gevoel bij veel ouders in Pernis. Wij zien dat jongeren steeds vroeger beginnen, steeds meer soorten drank en drugs gebruiken. Dat kan een giftige cocktail worden.”

Sadik hoopt dat ouders betere afspraken maken. Niet alleen met hun kinderen, maar ook onderling. “Als je kind met de kinderen van de buren omgaat, maak dan afspraken met elkaar. Als ze van jou één biertje mogen, maar van de buren een hele krat, dan moet het wel fout gaan.” 

Voetbalvereniging is op de goede weg, maar moet scherp blijven

Ouders met meningsverschillen over alcohol en jongeren. Dat is ook bij de voetbal-vereniging het grootste probleem, heeft Tamara Hardenbol gemerkt sinds jongeren 18 jaar moeten zijn, ook voor een biertje of een wijntje. “De vrijwilligers hebben er geen moeite mee om niet te schenken aan minderjarigen, maar er is wel een soort angst voor ‘reacties van…’. Ze legt verder uit: “Op het moment dat een ouder een biertje bij ons aan de bar haalt en deze aan een kind geeft, dan zouden wij de discussie moeten aangaan. Sommige barvrijwilligers hebben daar geen moeite mee, maar anderen vinden het lastig om ouders hierop aan te spreken.”

Ouders realiseren zich te weinig welke gezondheidsrisico’s alcoholgebruik op jonge leeftijd met zich meebrengt, meent de trainer. “Het wordt steeds duidelijker hoe schadelijk alcohol is op jonge leeftijd, maar je blijft ouders hebben die denken dat het wel meevalt. Het is soms ook moeilijk om te controleren of om precies te weten wat een kind drinkt. Stel dat het eerste elftal – waarvan het grootste deel ouder is dan achttien, maar waar ook een paar jongens van zeventien spelen – weer eens een keer wint, dan wordt er een krat bier naar de kleedkamer gebracht. Tja, hoe controleer je dan dat die paar jongens van zeventien niet dat biertje pakken? Het is niet zo dat ze kwaadwillend tegen de regels in willen gaan, maar de ouders en de club willen met die krat wel de winst vieren.”

Ook in de kantine komt het wel eens voor dat een ouder een drankje voor haar of zijn kind haalt. “Sommige ouders zeggen dan: ‘Ik sta er toch bij, het is mijn eigen verantwoordelijkheid.’ Maar officieel hebben wij als club de verantwoordelijkheid, wij moeten ervoor zorgen dat minderjarigen überhaupt geen alcohol krijgen. Als er dan een keer een controle komt, dan krijgen we een fikse boete of moeten we misschien wel sluiten.” 

Hoe moeilijk het soms ook is om het gesprek hierover aan te gaan, voetbalvereniging Pernis is samen met Rotterdam Sportsupport druk bezig om het tij te keren. “Er is een sportcode ontwikkeld, waarin aandacht wordt besteed aan alcoholpreventie bij jongeren”, legt Hardenbol uit. “We kijken samen welk beleid we erop kunnen maken en welke protocollen erbij horen. De afgelopen twee jaar zijn we al intensief met dit onderwerp bezig. We maken de Nix-campagne toonbaar in de club, we hangen posters op, leggen informatiekaarten op tafel. We trainen de barvrijwilligers met foto’s van jongeren, waarbij ze moeten raden hoe oud ze zijn.”

Kortom, VV Pernis doet volop haar best. Maar soms slipt er wel eens wat tussen de mazen van de goede intenties door. “Op de vereniging staat een soort bushokje, waar gerookt mag worden. Daar zag ik laatst nog een oud A4’tje hangen, waarop staat dat alcohol onder de 16 jaar verboden is. We zijn er druk mee bezig, maar toch hangt zoiets er nog. Dan denk ik: ‘Kom op, nog even aanscherpen die handel.’”


Geraadpleegde bronnen

5 vragen over…. Discriminatie van moslima’s

5 vragen over…. Discriminatie van moslima’s

Moslima’s krijgen bovengemiddeld vaak met discriminatie te maken. Door hun veelal zichtbare identiteit zijn deze vrouwen vaker en eerder doelwit van pesterijen, discriminatie of uitsluiting. Maar hoe komt het eigenlijk dat zij hier relatief meer last van hebben? En wat kun je als professional doen om deze vorm van discriminatie tegen te gaan? Afiah Vijlbrief, Nienke de Wit en Bauke Fiere voeren voor IDEM onderzoek uit naar discriminatie van moslima’s op de arbeidsmarkt. Zij beantwoorden vijf vragen over moslimadiscriminatie.

1. Moslima’s ervaren relatief veel discriminatie. Hoe komt dat?

In tegenstelling tot moslimmannen of moslima’s zonder hoofddoek, worden moslima’s met een hoofddoek vaker gediscrimineerd. Juist door hun hoofddoek worden zij zichtbaar herkend als ‘symbool’ van de islam. Sommige mensen hebben hierbij direct vooroordelen, bijvoorbeeld dat denkbeelden van een moslima zouden indruisen tegen ‘progressieve’ westerse ideeën over gendergelijkheid. Moslima’s worden door hun zichtbaarheid expliciet bejegend, denk bijvoorbeeld aan uitschelden (op straat), genegeerd worden of niet aangenomen worden voor een baan. Ook moslima’s die geen hoofddoek dragen kunnen met stereotypering of vooroordelen te maken krijgen, alleen gebeurt dit vaak subtieler.

Als moslima’s gediscrimineerd worden, kunnen zij bovendien met een combinatie aan gronden te maken krijgen. Denk bijvoorbeeld aan seksediscriminatie, omdat ze vrouw zijn, in combinatie met een negatieve houding tegenover de islam, en/of racisme vanwege hun huidskleur of etnische achtergrond. Moslimadiscriminatie gaat daarom verder dan alleen religie.

2. Op welke terreinen ervaren moslima’s de meeste discriminatie?

De meeste meldingen die antidiscriminatiebureaus ontvangen over ervaren discriminatie van moslims hebben betrekking op de arbeidsmarkt. De beschikbare gegevens zijn vrij algemeen, dus deze vraag is lastig te beantwoorden voor specifiek moslima’s. In 2019 ging het om 35% van alle meldingen van moslimdiscriminatie. Voorbeelden hiervan zijn het niet aangenomen worden voor een functie vanwege het dragen van een hoofddoek en genegeerd worden. Ook over de terreinen commerciële dienstverlening en de openbare ruimte komen relatief veel meldingen binnen, bijvoorbeeld het nageroepen of uitgescholden worden op straat.

3. Wat zijn de verschillen tussen ervaringen met islamofobie tussen vrouwen en mannen?

Zowel islamitische vrouwen als mannen maken discriminatie mee. Neem bijvoorbeeld de arbeidsmarkt. Uit onderzoek blijkt dat mannen met een niet-westers klinkende naam minder vaak worden uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek dan iemand met hetzelfde cv en een westers klinkende naam. Hierover valt meer te lezen in het rapport Liever Mark dan Mohammed. Bij vrouwen is het vaker zo dat zij worden aangekeken en aangesproken op hun positie ten opzichte van mannen, wat voortkomt uit vooroordelen over een religie die vrouwen onderdrukt. Onbewust worden vrouwen daardoor ook op een bepaalde manier op de werkvloer gepositioneerd. Zo worden moslima’s bijvoorbeeld vaker niet serieus genomen. Ze zijn namelijk vrouw én islamitisch. Een voorbeeld uit de praktijk is dat ondanks opleidingsniveau, de moslima gevraagd wordt voor werk dat onder haar niveau is.

4. Hoe verschilt seksisme tegen moslimavrouwen met dat tegen andere vrouwen?

Moslima’s kennen in ieder geval twee ‘minderheidsidentiteiten’: namelijk vrouw en islamitisch. Niet-moslima’s behoren tot minstens één minderheidsgroep. Moslima’s worden gestigmatiseerd door hun religie, maar ook nog eens geseksualiseerd door hun vrouw-zijn en mogelijk geëxotiseerd door hun uiterlijk, etniciteit of afkomst. Deze lagen in hun identiteit verschillen mogelijk van niet-moslima’s met andere zichtbare en onzichtbare identiteitskenmerken.

5. Wat kun je als moslima doen als je met discriminatie te maken krijgt? En als niet-moslima?

Je kunt (anoniem) een melding doen van discriminatie bij het antidiscriminatiebureau in je gemeente (in Rotterdam is dat RADAR). De gespecialiseerde klachtbehandelaars kunnen je, indien gewenst, advies geven over mogelijke vervolgstappen en je hierin ondersteunen. Meldingen geven daarnaast inzicht in wat er speelt in de maatschappij. Onderzoek doet dit ook. Momenteel voert IDEM onderzoek uit naar de ervaringen van moslima’s op de Rotterdamse arbeidsmarkt.

Anderen kunnen altijd een goede bondgenoot zijn door zich uit te spreken tegen discriminatie, ook in het geval van moslimdiscriminatie. Ga naast iemand staan die gediscrimineerd wordt, op welke grond dan ook, en geef deze persoon ruimte om zichzelf uit te kunnen spreken, ook op de werkvloer. Verder kun je iemand die discriminatie meemaakt ondersteunen door bijvoorbeeld een luisterend oor te bieden en samen te kijken naar wat mogelijke oplossingen zijn voor de situatie. 

Heb je interesse om deel te nemen aan het onderzoek van IDEM? Werk jij als moslima op de Rotterdamse arbeidsmarkt en wil je je ervaringen anoniem delen ten behoeve van dit onderzoek? Neem dan contact op met onderzoeker Afiah Vijlbrief (a.vijlbrief@radar.nl). Als dank voor je deelname ontvang je een cadeaubon ter waarde van 15 euro.

IJsjes met een boodschap in Crooswijk

IJsjes met een boodschap in Crooswijk

Volgende week kun je zomaar een roze kar met kleurige parasols tegenkomen in Crooswijk, waaruit nog ijsjes komen ook. Maar zo’n ijsje krijg je niet zomaar. Het zijn ijsjes met een boodschap en nodigen kinderen uit om op een laagdrempelige manier in gesprek te gaan over migratie en vluchtelingenproblematiek. Kunstenaarscollectief We Sell Reality bedacht het project. “Volwassenen denken vaak in onmogelijkheden, kinderen kijken met een frisse blik.”

Kunstenaars, asielzoekers en kunststudenten trokken vanmiddag door Crooswijk met een kleurrijk versierde ijsjeskar. Spelende en passerende kinderen kregen een ijsje – in de vorm van een poppetje – als ze de vraag wilden beantwoorden die erop stond. De vragen gingen allemaal over migratie. “De kinderen gaven allerlei verschillende antwoorden”, vertelt Rieneke de Vries van het collectief.  “Hele wijze antwoorden ook, zoals grenzen zijn alleen de grenzen in je hart. Of dat mensen alleen de grens niet over mogen als ze wapens of drugs bij zich hebben.”

Nieuw asielbeleid

Met de frisse en open houding van de kinderen verzamelt het collectief nieuwe inzichten. Deze worden gebundeld en gevisualiseerd in twee kunstworkshops. “Met de resultaten daarvan hopen we met een goede, alternatieve denkwijze over migratie te komen”, legt Rieneke uit. “Volwassenen denken immers vaak alleen in onmogelijkheden of cirkels. We hopen een frisse blik te werpen op migratievraagstukken en uiteindelijk bij te dragen aan een nieuw asielbeleid.”

Afgelopen winter voerde het collectief een soortgelijk experiment uit. “De kar was zwart en we hadden er gele vlaggen opgezet”, vertelt Rieneke. “We deelden soep uit aan mensen en stelden hen destijds ook vragen over de vluchtelingenproblematiek. Maar de meeste mensen stonden er niet echt voor open of ze waren te druk met winkelen. Hopelijk gaat dat dit keer beter.”

De kunstenaars gaan woensdag, donderdag en vrijdag weer de wijk  in om met behulp van ijsjes nieuwe inzichten te verzamelen.

All you can art

Het uitdeelproject maakt deel uit van het van oorsprong Curaçaose All you can art, een zomerproject waarbij iedere Rotterdammer mee kan doen om kunst te maken. Een select groepje volgt de Summerschool van All you can art, waarbij ze onder begeleiding van kunstenaars als David Bade hun eigen weg in de kunstwereld ontdekken. “All you can art gaat om contact maken met mensen in de wijk”, zegt een van de studenten. “En dit is een hele goede manier om dat te doen.” Een ander vult aan: “Het is mooi dat kinderen op deze manier aan het denken gezet worden.”

Meer weten?

Wil je meer weten over het Curaçaose project? Lees dan dit artikel van Trouw. Wil je zelf kijken of meedoen? Ga dan voor 30 augustus naar de Kunsthal of neem een kijkje bij het Kunstcentrum aan de Crooswijkseweg 82.