Suzanne Bouma: “Gendersensitieve aanpak is noodzakelijk bij geweld tegen vrouwen”

Suzanne Bouma: “Gendersensitieve aanpak is noodzakelijk bij geweld tegen vrouwen”

Morgen vieren we Internationale Vrouwendag. Op deze dag staan we stil bij de rechten die vrouwen verworven hebben, maar ook bij de stappen die nog nodig zijn om gelijkheid tussen man en vrouw te waarborgen. “Bijna de helft van de vrouwen in Nederland heeft in haar leven te maken gehad met seksueel of fysiek geweld”, zegt Suzanne Bouma, hoofd Onderzoek bij Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis. “Geweld tegen vrouwen hangt samen met de verschillen in maatschappelijke positie van vrouwen en mannen, de daarmee samenhangende stereotypering en hardnekkige sociale en culturele legitimeringen van geweld. Een gendersensitieve aanpak is noodzakelijk om geweld tegen vrouwen te voorkomen en bestrijden.”

Een eeuw kiesrecht

Sinds 1911 wordt Internationale Vrouwendag gevierd, waarbij wereldwijd aandacht wordt gevraagd voor gelijke rechten en de positie van de vrouw. “In 1912 werd in Nederland voor het eerst Vrouwendag gevierd, toen werd vooral ingezet op algemeen kiesrecht voor vrouwen. Dit jaar is het honderd jaar geleden dat het actieve kiesrecht werd ingevoerd in Nederland. Bij Atria besteden we daar het hele jaar door aandacht aan. Zo organiseren we bijvoorbeeld speciale Kiesrecht-tours, zodat mensen bijzondere archiefstukken uit die tijd kunnen bekijken.” 

Een belangrijke mijlpaal, actief kiesrecht, maar natuurlijk lang niet het enige wat onze grootmoeders, tantes en moeders bereikt hebben. “Er is gelijke toegang tot onderwijs, we worden niet meer ontslagen als we trouwen, we kunnen zonder handtekening van onze man een stofzuiger kopen of bankrekening openen, de zorgtaken zijn niet meer per definitie de verantwoordelijkheid van de vrouw”, zegt Bouma. “Het is goed om op Internationale Vrouwendag stil te staan bij deze verworvenheden.”

Emancipatieranglijst

Ondanks dat we onszelf in Nederland veelal heel geëmancipeerd vinden, staat Nederland op de 27e plek in de wereldwijde emancipatieranglijst. “We doen een heleboel dingen goed, maar vooral Scandinavische landen scoren beter op emancipatie dan wij”, zegt Bouma. “Waarom dan toch vaak gedacht wordt dat gelijkheid bereikt is, dat is me een raadsel. Het betekent dat we moeten blijven benadrukken dat er nog een wereld te winnen valt. Zo is slechts de helft van de vrouwen in Nederland financieel onafhankelijk. Het verschil wordt kleiner, maar nog altijd is er een loonkloof: vrouwen krijgen minder betaald dan mannen voor hetzelfde werk. En in de top van het bedrijfsleven zijn vrouwen ondervertegenwoordigd.”

Gendergerelateerd gevaar

De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen leidt niet alleen tot financiële verschillen of verschillen in mogelijkheden, maar leidt voor een op de twee vrouwen tot gevaar. “Bijna de helft van alle vrouwen heeft in haar leven wel eens te maken gehad met seksueel of fysiek geweld”, zegt Bouma. “De cijfers blijven we herhalen. Want doordat ze zo groot zijn, en het ook te dichtbij komt, lijkt het voor mensen soms ook nietszeggend te worden. Pas als je dit op je laat inwerken, ontstaat er een beeld. Jijzelf of de vrouw die naast je zit heeft seksueel of fysiek geweld meegemaakt, of zal dit meemaken.”

De manier waarop we naar geweld kijken heeft historisch gezien wel een belangrijke ontwikkeling doorgemaakt. Bouma: “Voor de jaren zeventig werd huiselijk geweld of partnergeweld vooral gezien als privéprobleem: wat achter iemands voordeur gebeurt, daar bemoei je je gewoon niet mee. Ook de politie niet. In de decennia erna werd het meer gezien als een maatschappelijk probleem, werd het opgepakt door de politie en werden er blijf-van-mijn-lijfhuizen geopend. Pas sinds de jaren negentig wordt het gezien als maatschappelijk en juridisch probleem. Zo is verkrachting binnen het huwelijk pas in 1991 erkend als misdrijf en strafbaar gesteld.”

Internationale ontwikkelingen

Vanaf het begin van deze eeuw zien we dat geweld tegen vrouwen ook wordt erkend als mensenrechtenschending. Een belangrijke ontwikkeling, meent Bouma. “Hierdoor wordt het steeds meer gezien als multidisciplinair probleem, dat integraal moet worden aangepakt. Daarbij is er internationale aandacht voor het probleem. Zo heeft Nederland de zogenoemde Istanbul Verklaring ondertekend, waarmee de regering beloofd heeft effectief en vanuit een genderperspectief in te zetten op de aanpak van geweld tegen vrouwen. Dit jaar wordt getoetst of de overheid zich aan die belofte houdt.”

Op maatschappelijk vlak heeft de #metoo-beweging veel losgemaakt. “Deze sociale beweging heeft het voor veel vrouwen gemakkelijker gemaakt om over fysiek en seksueel geweld te praten”, legt Bouma uit. “#MeToo geeft het seksueel geweld tegen vrouwen een gezicht en laat ondertussen zien hoe omvangrijk het probleem is.”

Welk geweld telt?

Maar die hand op die bil, is dat nou echt seksueel geweld? Moet een vrouw niet onder de blauwe plekken zitten, voordat we van partnergeweld kunnen spreken? Het blijft een lastig thema en #metoo-verhalen leidden in Nederland vaak tot vragen: zijn de beschuldigingen wel waar? En is het gedrag wel seksueel overschrijdend genoeg? “Wat verstaat iemand onder geweld, dat is een belangrijke vraag”, legt Bouma uit. “Stel dat je buurvrouw van haar man niet de deur uit mag, is dat een vorm van emotionele mishandeling. Maar als jouw definitie van mishandeling alleen fysiek geweld behelst, dan zul je niet zo snel een melding maken.”

Begin vorig jaar publiceerde Atria het onderzoek ‘Welk geweld telt’, waarin voor het eerst onderzocht werd hoe Nederlanders, jong en oud, tegen (ex-)partnergeweld aankijken. “Hieruit bleek dat Nederlanders partnergeweld vooral met lichamelijk geweld associëren. En hoewel 90 procent het erover eens dat geweld binnen een relatie onaanvaardbaar is, blijkt dat wanneer concrete situaties voorgelegd worden, de grenzen verschuiven. Uiteindelijk vindt 29% het gebruik van geweld tegen de partner onder bepaalde omstandigheden acceptabel. Dit geldt in bijna alle situaties vaker voor mannen dan voor vrouwen”, zegt Bouma. “Tegelijkertijd is de huidige sociale norm een probleem. Opmerkingen als ‘dan had ze dat korte rokje maar niet moeten aantrekken’ of, door vrouwen zelf ‘ik kan ook best een bitch zijn’, houden in stand dat we geweld goed willen praten.”

Gendersensitieve aanpak

Fysiek of seksueel geweld tegen vrouwen is vaak een laatste uiting van iets wat (jaren)lang is opgebouwd en waaraan van machtsongelijkheden en verschillen in waardering van mannen en vrouwen aan ten grondslag liggen (wat prachtig verbeeld is in dit filmpje). “Een gendersensitieve aanpak is noodzakelijk”, zegt Bouma. “Hoe complex die relatie ook is, het is nodig om je te realiseren dat geweld en gender met elkaar te maken hebben. Als hulpverlener of agent kun je letten op signalen: is er bijvoorbeeld sprake van een ongelijke machtsverhouding binnen een relatie, vindt hij dat zij zijn bezit is, controleert hij alles wat zij doet? Ook wanneer het gaat om preventie van geweld. Deze uitingen van macht en controle hebben grote kans te leiden tot geweld. Om die reden dienen deze signalen serieus genomen te worden.”

Bouma noemt de werkwijze van de gemeente Rotterdam als goed voorbeeld. “Ik wil mijn waardering uiten voor de gemeente Rotterdam en alle organisaties, zoals IDEM Rotterdam, Dona Daria, RADAR/Art.1, en de wijze waarop zij de verschrikkelijke gebeurtenissen die de afgelopen maanden plaatsvonden in Rotterdam oppakken door aandacht te besteden aan Gender en Veiligheid.”  

Sociale norm veranderen

Al met al hoopt Bouma dat het lukt om onder de jongere generatie de sociale norm te veranderen en te voorkomen dat iemands sekse, identiteit of persoonlijkheid aanleiding vormt voor geweld. Om bij te dragen aan die verandering, heeft Atria samen met Rutgers de Alliantie Act4respect opgericht. Act4Respect zet zich samen met jongeren en professionals in voor gelijkwaardige relaties onder jongeren & jongvolwassenen waarin geen ruimte is voor fysiek, seksueel of cybergeweld. De alliantie heeft een socialenormcampagne en activiteiten voor en met professionals ontwikkeld, die gedeeld worden op de website Act4Respect.nl. “De website is een handige tool voor professionals”, licht Bouma toe. “Alle interventies die wij veelbelovend vinden staan erop. Daarnaast geven we trainingen. Ik merk vaak dat professionals geweld eerst door de ‘genderbril’ moeten bekijken, en dat dan het kwartje valt. Het is dan moeilijk die bril weer af te zetten. Als je eenmaal door hebt dat gender en geweld met elkaar in verband staan, hoe complex die relatie ook is, kun je als professional veel gerichter te werk gaan.”

Act4Respect streeft naar een nieuwe sociale norm waarin iemand sekse of genderidentiteit nooit aanleiding of legitimering kunnen zijn voor geweld. “Hoeveel generaties nodig zijn voordat echt gelijkwaardigheid bereikt is en geweld uitblijft?”, herhaalt Bouma de vraag. “Ik hoop maar één!”

Help, een lhbti’er!

Help, een lhbti’er!

“Heb je een vriendschap met iemand die minimaal 25 jaar ouder is?” De groep schuifelt grotendeels naar rechts: nee. “Heb je wel eens gezoend met iemand van hetzelfde geslacht?” Enkelen wandelen naar links, anderen blijven staan. “Heb je op iedere vraag eerlijk geantwoord?”

RADAR-trainer Rob Stoop legde de aanwezigen het vuur aan de schenen. Door confronterende vragen te stellen, maakte hij de deelnemers aan het IDEM-kennisatelier ‘Help, een lhbti’er’ inzichtelijk dat lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgender personen of intersekse personen in veel gevallen informatie over zichzelf achterhouden. Omdat ze zich er niet comfortabel bij voelen, maar vaak ook omdat het serieuze consequenties kan hebben zoals bedreiging of geweld.

Jongeren online

Tijdens de bijeenkomst op 14 februari 2019, bij Stichting Humanitas aan de Pieter de Hoochweg in Rotterdam, kwamen tientallen professionals samen om deel te nemen aan het kennisatelier. Na de introductie en opwarming gaf IDEM-onderzoeker Larissa Chantre een presentatie over de online leefwereld van jongeren. Welke apps zijn eigenlijk het leukste voor lhbti-jongeren, op welke sites surfen ze en hoe bescherm je hen tegen de bijbehorende risico’s? “Het is me opgevallen dat voorlichting voor meisjes sterk gericht is op ‘preventie’: hoe geef je je grenzen aan, et cetera”, zegt Chantre. “Terwijl dat in de communicatie naar jongens vaak helemaal niet ter sprake komt.”

‘Tinder’ voor kinderen, leeftijdseisen die eenvoudig te omzeilen zijn en online tests om te achterhalen of je op jongens of meisjes valt: er zitten allerlei haken en ogen aan de online leefwereld van lhbti-jongeren. Toch benadrukt Chantre dat het vooral heel leuk is om (online) jezelf te ontdekken. “Anoniem zijn op internet is een van de grootste risico’s, maar tegelijkertijd kan het ook heel prettig zijn om dingen te ontdekken. Stel je voor dat je met bepaalde gevoelens kampt, maar ze niet kan thuisbrengen, dan is het toch heel handig dat je online informatie kan vinden.”

Offline lhbti-organisaties

Ook offline kunnen lhbti-jongeren natuurlijk op diverse plekken in de stad terecht voor hulp of contact met andere lhbti’ers. Gert-Jan Verboom, beleidsadviseur LHBTI+ bij Humanitas Expertisecentrum Seksualiteit Sekswerk en Mensenhandel (ESSM), vertelde de aanwezigen meer over de mogelijkheden van The Hang-Out 010. De ‘tweede woonkamer’ voor lhbti-jongeren is populair, vooral omdat het zo laagdrempelig is. “We vragen zo min mogelijk informatie als een jongere voor de eerste keer langskomt”, legt Verboom uit. “Hoe meer je van de jongeren wil weten, hoe kleiner de kans dat ze terugkomen.”

Moslim en queer

Niet iedereen is zich ervan bewust dat je ook kunt worstelen met meerdere identiteiten: wat nou als je islamitisch bent en homoseksueel? Voor die groep jongeren, die risico lopen op dubbele discriminatie, is Stichting Maruf opgericht. Voorzitter Dounia Jari legde de aanwezigen uit dat uit de kast komen niet voor iedere lhbti’er de ultieme vorm van vrijheid is. “Vaak kiezen islamitische lhbti’ers voor een ‘coming in’”, legt ze uit. “Dat houdt in dat ze voor zichzelf geaccepteerd hebben dat ze homoseksueel, lesbisch of biseksueel zijn, maar dat ze dit niet uiten naar hun familie of vrienden.”

Do’s en don’ts

Schoolmaatschappelijk werker Wendy Maan vertelde over haar eigen ervaring toen een 12-jarige jongen bij haar kwam en zijn twijfel over zijn seksuele gerichtheid uitte. “Als een kind naar je toe komt met deze worsteling, kun je daar zelf wel een beeld bij hebben”, zegt ze. “Misschien zijn er signalen waardoor je denkt, ‘ja, het is zo’. Maar eigenlijk doet dat er niet toe. Sterker nog, het is beter om niet op de zaken vooruit te lopen. Het is niet jouw taak om vast te stellen wat de seksuele gerichtheid van een kind is, of erop aan te sturen. Daarom heb ik hem heel neutraal en open benaderd, om duidelijkheid te krijgen in de wirwar aan gevoelens die hij heeft. Daarbij wist ik in dit geval dat het zijn geheim was, waardoor het lastiger was om zijn ouders er bij te betrekken.”

Nadat in kleinere groepen casussen werden besproken, gingen de deelnemers naar huis met de Paarse Kaart. Hierop staan de belangrijkste do’s en don’ts en kunnen hulpverleners zien naar welke organisaties zij lhbti-jongeren het beste kunnen doorverwijzen. 

Do’s:

  • Wees je bewust van je eigen houding
  • Stel open vragen
  • Straal uit dat je open staat voor diversiteit

Don’ts:

  • Ervan uitgaan dat je cliënt hetero is
  • Ervan uitgaan dat het slim is als je cliënt open is naar ouders of familie
  • Met deze cliënt werken als je zelf niet helemaal open staat voor lhbti’ers

Op de hoogte blijven?

Wil je voortaan op de hoogte blijven van de bijeenkomsten van IDEM Rotterdam? Sluit je dan aan bij ons netwerk.

Wil je ook op de hoogte blijven van de ontwikkelingen in Rotterdam op het gebied van emancipatie, integratie en discriminatie? Schrijf je in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

Onderzoeker Hanneke Felten: “Je hoeft je niet bewust te zijn van je eigen vooroordelen om ze te verminderen”

Onderzoeker Hanneke Felten: “Je hoeft je niet bewust te zijn van je eigen vooroordelen om ze te verminderen”

Van welzijnsorganisaties tot scholen: talloze professionals zetten zich in om discriminatie tegen te gaan en te voorkomen. Maar het blijft lastig om te achterhalen of – en hoe – al die inzet loont. Zorg je eigenlijk wel voor bewustwording door mensen stereotypen over lhbti’ers te laten opsommen? Ontkracht je vooroordelen over migranten juist wel of niet door een vluchteling aan het woord te laten? Onderzoekers van Kennisplatform Integratie & Samenleving hebben de literatuur doorgespit en op een rij gezet welke mechanismen werken bij de aanpak van discriminatie. We vroegen Hanneke Felten, een van die onderzoekers, hoe het nu precies zit.

Discriminatie ontstaat vaak door vooroordelen en stereotypen. Hoe zit dat?

Mensen hebben eigenlijk altijd wel vooroordelen over bepaalde groepen. Om erachter te komen hoe dat bij jou zelf zit, kun je online tests doen, bijvoorbeeld de Implicit Association Test of de test op www.onderhuids.nl. Je kunt dan zien dat bijna alle mensen in meer of mindere mate vooroordelen hebben. Ergens is dat normaal, maar tegelijkertijd kun je er wat aan doen. Het feit dat iedereen vooroordelen heeft, is een slecht excuus om geen verantwoordelijkheid te nemen op dit vlak. Het is namelijk mogelijk om wat aan die vooroordelen en stereotypen te doen. In onze onderzoeken over wat werkt om discriminatie te verminderen geven we allerlei handvatten om die stereotypen onderuit te halen en vooroordelen te ontkrachten.

Moet je je niet juist eerst bewust zijn van die impliciete vooroordelen en stereotypen?

Het is logisch dat je dat denkt, maar bewustwording is niet altijd nodig om van vooroordelen af te komen. Sterker nog, soms schuilt in bewustwording juist het gevaar. Het zou kunnen dat je zoveel hamert op bewustwording, dat je niet meer toekomt aan de vermindering ervan. Het is ook mogelijk dat je iemand wijst op een stereotype, terwijl diegene dat niet eens ‘raar’ vond.

Bewustwording is dus echt niet altijd de eerste stap. Kijk bijvoorbeeld naar pubers. Zij kunnen zich wel bewust zijn van het feit dat ze vooroordelen hebben, alleen kunnen ze daar cognitief nog niet zoveel mee. Het kost cognitief namelijk heel veel moeite en energie om jezelf op dat vlak bij te sturen. Dat gaat nogal lastig als je brein nog niet volledig ontwikkeld is.

Wat kun je doen zonder op bewustwording in te gaan?

Een belangrijke manier is om stereotypen niet te herhalen. Zelfs als je ze zou willen herhalen om te laten zien dat ze niet kloppen, worden ze geactiveerd. Beter is het om nieuwe, positieve associaties te maken bij een bepaalde minderheidsgroep. Als dat maar vaak genoeg gebeurt, dan kun je een stereotype over die groep onderuithalen. De beste manier om dat te doen is om allerlei verschillende mensen te laten zien uit een minderheidsgroep, waarbij sommigen wel aan het stereotype voldoen en anderen juist niet. Zo leer je dat er niet één plaatje bij een groep kloppend is.

Heb je daar een voorbeeld van?

Een goed voorbeeld is het NTR-programma Moslims Zoals Wij, waarin je meekijkt met een groep Nederlandse moslims. Die verschillen onderling allemaal veel van elkaar: qua geloofsbeleving, kleding, seksuele voorkeur, eten. Tegelijkertijd hebben ze hun moslim-zijn gemeen, waardoor het voor de kijker heel moeilijk wordt een stereotype beeld van ‘de moslim’ overeind te houden.

Een ander goed voorbeeld is Mamoun uit Sesamstraat. Het is een jongen van Marokkaanse komaf, hij rijdt door Sesamstraat op een scooter. Die scooter vormt dan voor een deel het stereotype. Tegelijkertijd doet hij onwijs leuke spelletjes met de kinderen, waardoor hij totaal niet bedreigend over komt. Wanneer iemand helemaal niet aan het stereotype voldoet, dan wordt hij als ‘uitzondering’ gezien en niet representatief voor de hele groep. In dat geval zeggen witte mensen bijvoorbeeld: ‘Ik vind Mo erg aardig, hij is niet zo’n ‘echte Marokkaan’. Mamoun is een goed voorbeeld, omdat hij dus niet als die uitzondering neergezet kan worden.

Toch lijkt me dit voor veel professionals lastig uitvoerbaar. Zijn er nog andere manieren om discriminatie tegen te gaan, zonder te hameren op die bewustwording?

Empathie en inleving is ook een heel goed middel. Dat kan bijvoorbeeld door een gastles op school waarin iemand vertelt over de discriminatie die zij of hij meemaakt: denk aan iemand voor de klas die jongeren vertelt over hoe het was om uit de kast te komen als transgender persoon of een vluchteling die vertelt hoe het is om te vluchten uit een oorlogsland. Maar het kan ook via theater of film; ook op die manier kun je je inleven in iemand waar je eerder vooroordelen over had. Een voorbeeld is het filmpje van Jerry Afriyie, van Nederland Wordt Beter, waarin hij uitlegt dat Zwarte Piet kinderen van kleur veel pijn doet. Hij gaat ook vaak in gesprek met anderen om uit te leggen hoe die pijn voelt. Ik denk dat dat een hele goede strategie is.

Als je iemand uitnodigt om een verhaal te vertellen, bijvoorbeeld een vluchteling, dan is een positieve setting van groot belang. Als diegene haar of zijn verhaal moet doen in een stinkend klaslokaal, dan hangen er onbedoeld al negatieve associaties aan die persoon, hoe ontroerend het verhaal ook is. Tot slot is het belangrijk om je te realiseren dat iedereen anders is: niet iedere strategie werkt voor iedereen. Bijvoorbeeld: sommige mensen zijn niet goed in staat om zich in te leven in een ander en hebben moeite met empathie. Voor hen is weer een andere strategie nodig.

Daar komt bij dat sommige mensen last hebben van dubbele discriminatie, bijvoorbeeld een biculturele lhbti’er. Is het eigenlijk wel mogelijk om op verschillende vormen van discriminatie tegelijkertijd te focussen?

In ons onderzoek ‘Meerdere vliegen in één klap’ zijn we gestart vanuit het kruispuntdenken. We hebben in onze onderzoeken juist gemerkt dat het erg lastig is om discriminatie op basis van één specifieke grond te bestrijden want mensen zijn meer dan bijvoorbeeld alleen hun seksuele voorkeur of alleen hun afkomst. Een voorbeeld van hoe je meerdere vormen van stereotypering tegelijkertijd kan aanpakken, is om mensen anti-stereotiep te laten denken. Laat iemand actief bedenken welke aspecten juist niet stereotypisch zijn bij bijvoorbeeld iemand die Mohammed heet. Door actief out-of-the-box te denken oefenen ze met een andere – niet stereotypische – manier van denken. Het mooie hieraan is dat stereotypen en vooroordelen over andere groepen hierdoor ook afnemen, zo bleek uit het onderzoek.

Jullie gaan vooral in op de theorie achter interventies. Hoe weten jullie of ze ook echt werken?

Het is mijn persoonlijke missie om al deze handvatten toepasbaar te maken in de praktijk. Ik en mijn collega’s hebben honderden wetenschappelijke onderzoeken gelezen, maar die komen vaak niet uit de ivoren toren van de wetenschap. Veel van deze methoden zijn in Nederland nog niet of nauwelijks uitgeprobeerd in de praktijk. Het lijkt me dan ook een leuke pilot om dit op te zetten. Als professionals die zijn aangesloten bij IDEM Rotterdam nieuwe vormen van interventies willen uitproberen, dan zijn ze van harte welkom om contact op te nemen met KIS.

Meer lezen? Hier vind je het onderzoek ‘Wat werkt bij verminderen van discriminatie’ en ‘Meerdere vliegen in één klap: onderzoek naar discriminatie’. Ook handig is de samenvattende infographic van ‘Wat werkt bij het verminderen van discriminatie’.


Nog meer lezen? Hieronder volgt een rijtje onderzoeken op dit thema, waaraan Hanneke Felten haar bijdrage heeft geleverd:

  • Felten, H. (2016). Rainbows & Refugees: Verkennend onderzoek naar wat werkt bij het vergroten van de acceptatie van LHBT onder vluchtelingen. Utrecht: Kennisplatform Integratie & Samenleving.
  • Felten, H. (2017). Genderhokjes doorbreken: (hoe) werkt dat? De resultaten van een theorie-gestuurde evaluatie. Alliantie Genderdiversiteit: Utrecht
  • Felten, H. (2017). Riek Stienstra lezing: hoe bestrijd je schijntolerantie? Amsterdam: Edu Divers.
  • Felten, H., Briels, B., Taouanza, I., Walz, G. (2017) Handreiking antidiscriminatiebeleid voor gemeenten. Utrecht: Movisie.
  • Felten, H., Emmen, M. & Keuzenkamp, S. (2015). Do the right thing: de plausibiliteit van interventies voor vergroting acceptatie homoseksualiteit. Utrecht: Movisie
  • Felten, H. & Keuzenkamp, S. (2016). Goed voorbeeld doet volgen? Onderzoek naar de plausibiliteit van de inzet van rolmodellen in de preventie van discriminatie. Utrecht: KIS
  • Felten, H., Oostrum, D., Taouanza, I. & Keuzenkamp, S. (2016). Van confrontatie naar minder discriminatie. Onderzoek naar trainingen gericht op bewustwording van vooroordelen in werving en selectie. Utrecht: Kennisplatform Integratie & Samenleving.
  • Felten, H., Taouanza, I., Broekroelofs, R. (2018) Meerdere vliegen in een klap: Onderzoek naar hoe verschillende vormen van discriminatie tegelijkertijd te verminderen zijn. Utrecht: KIS
  • Felten, H., Taouanza, I. & Keuzenkamp, S. (2016). Klaar met discriminatie? Onderzoek naar effectiviteit van sociale media-campagnes tegen discriminatie. Utrecht: KIS.
  • Felten, H. & Vijlbrief. A. Doing it for optimal impact: Tips voor effectiever discriminatie verminderen over LHBTI’s in voorlichtingen, trainingen en workshops. Utrecht: Movisie
  • Taouanza, I., Felten, H. en Keuzenkamp, S. (2016). Werkt het aangaan van een dialoog tegen vooroordelen en stereotypering? Onderzoek naar de effectiviteit van dialoogbijeenkomsten. Utrecht: KIS
  • Visser, A. & Felten, H. (2018) Discriminatie in werving en selectie: Wat werkt? Zes typen aanpakken onder de loep. Utrecht: Movisie
Help, een lhbti’er! Hoe ga je om met jongeren die worstelen met hun seksuele of genderidentiteit?

Help, een lhbti’er! Hoe ga je om met jongeren die worstelen met hun seksuele of genderidentiteit?

Televisieprogramma’s als Hij is een zij, veelbekeken lhbti-vloggers als Alice Olsthoorn of speciale queerfilmfestivals: lhbti’ers zijn steeds zichtbaarder in de samenleving. Maar brengt al die aandacht voor al die vormen van seksualiteit of genderexpressie jongeren niet alleen maar meer in de war? Hebben jongeren het niet al moeilijk genoeg om hun identiteit te ontdekken?

Niet alleen voor de jongeren zelf en hun ouders is het een lastig onderwerp. Ook professionals in het maatschappelijk veld kampen met vragen over lhbti’ers. Wat kun je het beste doen als een tiener worstelt met seksualiteit of gender? Naar welke organisaties kun je het beste doorverwijzen? Het zijn vragen waar ook Wendy Maan, schoolmaatschappelijk werker op drie basisscholen in Rotterdam, tijdens haar werk tegenaan liep.

“Vorig jaar vertelde een leerling uit groep 8 tegen me dat hij het idee had dat hij op jongens valt”, vertelt ze. “Hij had zijn twijfels gedeeld met zijn opvoeder, een belangrijk persoon voor hem. Zij had er echter heel veel moeite mee; het gezin had een islamitische achtergrond. Als de jongen daadwerkelijk homoseksueel zou zijn, zou hij worden verstoten door zijn familie. De jongen ging nog meer twijfelen over zijn seksuele voorkeur.”

Spanningsveld

Het was een spanningsveld waar Maan nog niet eerder tegenaan gelopen was. Zelf heeft ze geen islamitische achtergrond, maar ze wist wel dat er veel verschillende stromingen bestaan binnen de islam. “Ik weet dat er een imam is die zelf homoseksueel is”, vertelt ze. “In zijn moskee is iedereen welkom. Maar uit de reactie van de opvoeder begreep ik dat dit gezin conservatiever is. Dat was een spanningsveld dat nieuw was voor mij. Ik wist wat ik hem zelf kon bieden, maar ik wist niet hoe hij thuis de ruimte zou krijgen om zijn eigen ontwikkeling hierin door te maken. Ruimte krijgen om te onderzoeken wie je nu eigenlijk bent, is heel belangrijk. Zeker op die leeftijd.”

Wel of niet?

De vraag of de jongen uiteindelijk wel of niet op jongens valt, is volgens Maan niet relevant. “Als een kind naar je toe komt met deze worsteling, kun je daar zelf wel een beeld bij hebben”, zegt ze. “Misschien zijn er signalen waardoor je denkt, ‘ja, het is zo’. Maar eigenlijk doet dat er niet toe. Sterker nog, het is beter om niet op de zaken vooruit te lopen. Het is niet jouw taak om vast te stellen wat de seksuele gerichtheid van een kind is, of erop aan te sturen. Daarom heb ik hem heel neutraal en open benaderd, om duidelijkheid te krijgen in de wirwar aan gevoelens die hij heeft. Daarbij wist ik in dit geval dat het zijn geheim was, waardoor het lastiger was om zijn ouders er bij te betrekken.”

Gesprek met opvoeder

Ondanks dat ze wist dat acceptatie lastig zou worden, ging ze het gesprek met de opvoeder aan. “Ik probeer altijd de ouders erbij te betrekken als een kind ergens mee zit”, legt ze uit. “Als we signalen oppikken en een probleem vermoeden, kunnen we niet zonder toestemming van de ouders met het kind in gesprek. Als een kind uit zichzelf ergens mee komt, probeer ik ook zoveel mogelijk met de ouders in gesprek te gaan. In dit geval vond de jongen het goed om met een van de ouders te praten. Daarbij vind ik dat een jongen van 12 al dingen zelf kan inbrengen, zeker als het om een gevoelig onderwerp als seksuele gerichtheid gaat. Het is iets heel persoonlijks.”

Maan kreeg toestemming van de opvoeder om er verder over te praten met de nieuwe schoolmaatschappelijk werker, want de jongen ging na de zomervakantie naar de brugklas. “Deze maatschappelijk werker had zelf een islamitische achtergrond, dus zij begreep heel goed hoe ingewikkeld het ligt in deze situatie. Ik merkte door deze casus dat ik daar zelf een kennisgebrek in had.”

Verrijken

Kennis blijven opdoen is dan ook van groot belang. “Online kun je natuurlijk heel veel vinden”, zegt Maan, die bijvoorbeeld naar aanleiding van deze casus informatie over de islam is gaan opzoeken. “Maar ook televisieprogramma’s, zoals Hij is een Zij of Uit de Kast, kunnen heel verrijkend zijn. Ik denk niet dat kinderen die hiernaar kijken een bepaalde twijfel wordt aangepraat. Ik ben ervan overtuigd dat je seksuele gerichtheid of het gevoel in een verkeerd lichaam te zitten, van binnenuit komt. Toch is het voor veel kinderen lastig om onder woorden te brengen, omdat ze zich anders voelen en misschien weten dat er weerstand op komt. Dit soort programma’s helpt dan om het te normaliseren.”

Casual

Het onderwerp normaliseren, is een advies dat ze aan collega’s zou meegeven als zij te maken krijgen met een kind dat worstelt met zijn seksuele of genderidentiteit. “Ontvang het en reageer er heel casual op”, licht ze toe. “Gebruik de woorden die het kind zelf ook gebruikt. Probeer niet meteen een beeld te vormen van wat er aan de hand is, plak er geen label op.”

Toch realiseert Maan zich dat het ook voor professionals zelf een lastig thema kan zijn. “Als het een spannend onderwerp voor je is, raad ik aan om voor jezelf na te gaan wat het zo spannend maakt. Iedereen heeft namelijk de eigen opvoeding, eigen culturele achtergrond, eigen wereldbeelden, dingen die je op een bepaalde manier geleerd hebt: dat neem je mee in je werk. Durf daar kritisch naar te kijken: wat doet het lhbti-thema met mij? Bespreek het eventueel met collega’s of in je intervisiegroep. En wees niet bang om tegen een kind te zeggen dat je ergens nog even over na moet denken, dat is helemaal oké. Je kan immers niet alle antwoorden paraat hebben.”

 

Wil je meer weten over de samenwerking tussen lhbti-organisaties?

Kom dan naar ons Kennisatelier ‘Help, een lhbti’er!’

Wanneer? donderdag 14 februari 2019
Hoe laat? 13.30 tot 17.00 uur
Waar? Humanitas – Pieter de Hoochweg 110, Rotterdam
Aanmelden? Ja, graag! Stuur even een mail naar m.modderman@radar.nl