5 vragen over…. IDAHOT

5 vragen over…. IDAHOT

Het is IDAHOT! Op allerlei gebouwen wordt op 17 mei de regenboogvlag gehesen. Maar wat is dit eigenlijk voor dag? Waarom is deze dag in het leven geroepen? En voor wie? We vroegen het aan Karlijn van der Boon, preventiemedewerker bij antidiscriminatiebureau RADAR. “Lhbti’ers worden nog altijd dagelijks geconfronteerd met de realiteit van discriminatie.”

1. Wat is IDAHOT?

IDAHOT staat voor de International Day Against Homophobia, Transphobia and Biphobia. Oftewel – in het Nederlands – de Internationale Dag tegen homofobie, transfobie en bifobie. Wereldwijd wordt op 17 mei aandacht gevraagd voor homohaat en de sociale onwenselijkheid daarvan. De dag werd in 2003 in het leven geroepen door de Canadese organisatie Fondation Emergence, maar inmiddels doen zo’n 130 landen mee.

Er is specifiek gekozen voor 17 mei, omdat de Wereldgezondheidsorganisatie op deze dag in 1990 besloot om homoseksualiteit te schrappen uit de lijst met psychische aandoeningen. Tot die tijd stond het namelijk nog altijd in de International Classification of Diseases, een officiële lijst met aandoeningen die wereldwijd gehanteerd wordt.

2. Waarom is IDAHOT belangrijk?

Het feit is dat er nog steeds veel homo- en transfobie in de wereld bestaat. Nog veel mensen krijgen met de keiharde werkelijkheid van discriminatie te maken om hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Ze krijgen moeilijker een baan, worden uitgesloten of gepest. Als gevolg daarvan kampen ze vaker met depressies of zelfs zelfmoordgedachten dan niet-lhbti’ers. Soms zit homo- of transfobie ook in lhbti’ers zelf: als je continu van de mensen om je heen het idee krijgt dat de samenleving jou niet oké vindt, dan ga je het zelf ook niet oké vinden.

In tegenstelling tot evenementen als de Rotterdam Pride, waar seksuele diversiteit vooral gevierd wordt, gaat het tijdens IDAHOT met name om bewustwording. Een dag als deze maakt seksuele en genderdiversiteit zichtbaar, wat bijdraagt aan de sociale acceptatie.

3. Hoe is het gesteld met de veiligheidsbeleving van lhbti’ers?

Hoewel het steeds beter gaat met de sociale acceptatie van seksuele en genderdiversiteit, zie je dat niet per se terug in het veiligheidsgevoel van veel lhbti’ers. Als mensen gevraagd wordt of ze vinden dat iedereen zichzelf moet kunnen zijn, antwoorden ze vaak met ja. Toch gedragen mensen zich daar niet altijd naar. Wanneer iemand eruitziet als een jongen, maar zich niet genderconform gedraagt of kleedt, dan loopt deze persoon een groot risico op negatieve reacties. Die lopen uiteen van uitschelden tot bespugen of van nagekeken worden tot mishandeld worden.

Momenteel doet IDEM Rotterdam onderzoek naar de veiligheidsbeleving van lhbti’ers in Rotterdam. Het doel van dit onderzoek is om nadere richting te geven aan beleid, maatregelen en activiteiten ter bevordering van de veiligheid van deze doelgroep. De onderzoekers zijn nog op zoek naar lhbti’ers uit Rotterdam die hierover geïnterviewd willen worden. Uiteraard is deelname anoniem. Als je mee wil doen of meer informatie wil, kun je contact opnemen met Rob Witte via r.witte@art1.nl .  

4. Hoe herken je een onveilig klimaat voor lhbti’ers als professional?

Wanneer homo als scheldwoord gebruikt wordt en homoseksualiteit een taboe is, dan zorgt dat ervoor dat je niet gemakkelijk uit de kast komt. Tijdens mijn werk heb ik gemerkt dat er best wel veel scholen zijn waar docenten zeggen dat het bij hen niet speelt, vanwege het feit dat niemand uit de kast is. De vraag is natuurlijk of er daadwerkelijk geen lhbti’ers zijn, of dat ze er niet open over durven te zijn. Immers, als je je niet veilig voelt praat je niet over je seksuele gerichtheid.

In andere gevallen is duidelijk sprake van een onveilig klimaat voor lhbti’ers. Er zijn scholen of zorginstellingen waar leerlingen of bewoners heel heftig reageren, bijvoorbeeld omdat ze homofobie van huis uit hebben meegekregen. Wat je vaak ziet, is dat ‘tegenstanders’ het hardst roepen.

5. Wat kun je doen als professional om het klimaat binnen jouw organisatie veiliger te maken?

Er zijn twee groepen die je aandacht nodig hebben. De eerste groep betreft de lhbti’ers, van wie je misschien niet weet wie het zijn, maar die zich mogelijk onveilig voelen. De tweede groep bestaat uit de onruststokers of degenen die zorgen voor de discriminerende sfeer.

Voor de lhbti’ers kun je een veilige omgeving creëren door seksuele en genderdiversiteit bespreekbaar te maken. Daarbij is het van belang om het onderwerp specifiek te benoemen; in het algemeen zeggen dat ‘alles bespreekbaar is’ blijkt niet te werken. Laat weten dat de instelling expliciet aandacht heeft voor lhbti’ers, bijvoorbeeld door posters op te hangen, het onderwerp af en toe aan te kaarten en te wijzen op de mogelijkheid tot een vertrouwelijk gesprek.

Met betrekking tot de ‘onruststokers’ is het van belang om te laten weten hoe jij als professional over het onderwerp denkt. Als je het een lastig onderwerp vindt, is het mogelijk om niet inhoudelijk op het onderwerp in te gaan, maar je kan altijd aangeven dat je het woord ‘homo’ niet als scheldwoord wil horen. Houd er rekening mee dat ‘schreeuwers’ vaak in de minderheid zijn; door ook anderen aan het woord te laten ontstaat er vaak een positievere sociale norm.

Uiteindelijk kun je altijd inzetten op ‘agree to disagree’. Mensen hoeven het niet met elkaar eens te zijn, maar ze moeten elkaar wel met respect behandelen.

Meer weten over IDAHOT?

Kom naar het interessante dagprogramma in de bibliotheek Rotterdam, met inspirerende keynotesprekers, interactieve kennislabs en een workshop over lhbti-veiligheid in het onderwijs door Karlijn van der Boon.

Hoogleraar Lucas Meijs over de vrijwilliger in de toekomst

Hoogleraar Lucas Meijs over de vrijwilliger in de toekomst

Bij sommige organisaties lopen vrijwilligers de deuren plat, andere moeten ze er aan de haren bij trekken. Als het voor bepaalde organisaties nu al lastig is om voldoende vrijwilligers te vinden, hoe moet dat dan in de toekomst? We vroegen het aan Lucas Meijs, hoogleraar Strategic Philantropy and Volunteering aan de Rotterdam School of Management van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

“Al twintig jaar schommelt het percentage vrijwilligers in Nederland tussen de 40 en 50 procent”, zegt Meijs. “Dat komt nu neer op zo’n zeven miljoen vrijwilligers. Het is wel zo dat de tijd die aan vrijwilligerswerk besteed wordt gemiddeld per persoon terugloopt. Daardoor lijkt het voor sommigen dat Nederlanders weinig aan vrijwilligerswerk doen, maar dat is dus allerminst het geval. Er zijn nu eenmaal organisaties waar mensen graag werken en plekken waar mensen minder graag werken.”

Vrijwilligerswerk of niet?

Ook de definitie van vrijwilligerswerk die iemand hanteert, heeft invloed op dit beeld. “Het probleem is dat we vaak praten over vrijwilligers alsof het werknemers zijn”, legt Meijs uit. “Maar bij vrijwilligerswerk gaat het niet om functies, het gaat om de beloningsstructuur (0 euro). In principe valt alles wat je buiten je eigen huishouden voor anderen of de samenleving doet zonder ervoor betaald te krijgen, onder vrijwilligerswerk. Stel dat je met vijf buren met een migratieachtergrond samenkomt om dozen in te pakken met spullen voor arme mensen in het thuisland, dan is dat vrijwilligerswerk. Anderen, met een smallere invulling, zullen echter hameren op een formele organisatie die erachter moet zitten.”

Een ander aspect dat invloed heeft op de definitie van vrijwilligerswerk is tijd. “Als ik vijf minuten spendeer om een politieke petitie door te sturen, dan zie ik dat als vrijwilligerswerk. Het is namelijk een politieke actie waar ik niet voor betaald krijg”, zegt Meijs. “Anderen zouden het pas als echt vrijwilligerswerk zien als iemand urenlang de straat op gaat om anderen die petitie te laten ondertekenen.”

Structureel tekort

Los van de persoonlijke interpretatie van wat vrijwilligerswerk is, doet Nederland het wereldwijd gezien goed als het om aantallen gaat. Toch zijn er steevast twee groepen waar je een tekort aan vrijwilligers ziet: in bestuursfuncties en in de zorg. Los daarvan zijn er organisaties die áltijd meer vrijwilligers kunnen gebruiken. Zo zijn er ongeveer dertigduizend vrijwilligers die namens De Zonnebloem mensen thuis opzoeken, maar daar kunnen er altijd meer bij. Dat is niet omdat ze zo weinig vrijwilligers hebben, maar omdat er zoveel eenzame mensen zijn.”

Daarbij is de behoefte niet altijd concreet. “Bijna alle organisaties antwoorden volmondig ‘ja’ op de vraag of ze meer vrijwilligers kunnen gebruiken, maar specifieke vacatures zijn er vaak niet”, zegt Meijs. “Daarnaast kun je proberen meer vanuit de behoefte van de vrijwilliger te denken in plaats van de organisatie. Als je iemand zoekt voor een dinsdag, maar de vrijwilliger kan alleen op woensdag, kun je dat dan verschuiven? Vraag je ook af of je misschien werk aanbiedt dat veel mensen simpelweg niet leuk vinden om te doen? Of is het misschien werk dat maar een beperkt aantal mensen kan?”

Schieten met hagel

“Veel organisaties schieten met hagel als ze zoeken naar vrijwilligers, terwijl ze een gerichte zoekactie zouden moeten opzetten”, legt Meijs uit. “Denk bijvoorbeeld na over de plek waar je flyers ophangt. Stel dat je iemand zoekt om een praatgroep voor transgender personen te begeleiden, hang dan geen flyers op bij een conservatieve leesclub. Of wanneer je als tafeltje-dekje chauffeurs nodig hebt, ga er dan niet automatisch van uit dat iedereen een rijbewijs heeft.”

Veranderingen door technologie

Door technologische ontwikkelingen is vrijwilligerswerk veranderd, maar het biedt ook nieuwe mogelijkheden. “Het grootste voordeel is dat vrijwilligerswerk minder plaats- en tijdgebonden te maken is”, zegt Meijs. “Campagnevoeren voor een politieke partij kan op Twitter terwijl je op de trein staat te wachten. Of kletsen met eenzame ouderen kan via de chat als je zelf thuis op de bank zit. Of geld inzamelen voor een goed doel, bijvoorbeeld via een sponsorloop, kan via een online crowdfundingsactie in plaats van langs de deuren te gaan. Het is kortom veel gemakkelijker geworden om vrijwilligerswerk te doen.” 

Inclusief vrijwilligerswerk

Technologische ontwikkelingen maken bepaalde vormen van vrijwilligerswerk ook juist toegankelijker. “Samen met Australische collega’s hebben we onderzoek gedaan naar een museum in Australië”, vertelt Meijs. “Het museum wilde graag de gehele collectie virtueel beschikbaar stellen. Daarvoor hebben ze de werken gefotografeerd, maar ook de beschrijvingen. Ze hebben online een netwerk van vrijwilligers opgetrommeld om die teksten te laten uittypen. Iemand die op de trein stond te wachten, had dan een deel van beschrijvingen overgetikt. Weer anderen werden gevraagd om de teksten te controleren. Op die manier konden ook mensen die bijvoorbeeld in een rolstoel zitten, vanuit huis vrijwilligerswerk doen en tegelijkertijd de collectie bezichtigen.”

Vormen die verdwijnen

Er komen nieuwe vormen van vrijwilligerswerk bij, maar er vallen ook vormen af. “Organisaties die klagen over het aantal vrijwilligers, zijn vaak organisaties die om zullen vallen in de nabije toekomst”, zegt Meijs. “Denk bijvoorbeeld aan schaakverenigingen, die omvallen omdat we online schaken tegen mensen over de hele wereld. Of als je graag wandelt kun je lid worden van een wandelsportvereniging, contributie betalen en je aan de regels van de vereniging houden. Maar je kan ook via social media vijftig mensen uitnodigen en zelf een wandeltocht houden.”

Astrid Oosenbrug: zorgprofessional en patiënt samen verantwoordelijk voor passende zorg

Astrid Oosenbrug: zorgprofessional en patiënt samen verantwoordelijk voor passende zorg

Een kwart van de mensen in Nederland krijgt niet altijd de zorg of ondersteuning die zij nodig heeft. Dit komt door schaamte, angst of vanwege een gebrek aan vertrouwen in de zorgverlening. Met de campagne ‘Komt een mens bij de dokter’ wil de Alliantie Gezondheidszorg op Maat, een initiatief van WOMEN Inc, COC Nederland en Rutgers, het belang van inclusieve zorg benadrukken. “Iedereen heeft recht op passende zorg.”

Astrid Oosenbrug

Eén op de tien mensen heeft niet het gevoel dat ze openlijk met hun huisarts over alle onderwerpen kunnen praten, blijkt uit het onderzoek dat de Alliantie heeft laten uitvoeren. Vrouwen geven dit zelfs twee keer zo vaak aan als mannen. Lhbti’ers geven bovendien drie keer zo vaak aan discriminatie en vooroordelen te ervaren als hetero cis-genders.

“Blijkbaar zijn er nog veel zorgprofessionals die vanuit hun eigen norm denken”, zegt Astrid Oosenbrug, voorzitter van COC Nederland. “Al spelen ook vooroordelen en onwetendheid een grote rol. Onlangs sprak ik een meisje dat, nadat ze haar huisarts vertelde dat ze twee moeders heeft, de vraag kreeg of zij ook lesbisch is. Kennelijk dacht deze arts dat seksuele gerichtheid genetisch bepaald is.”

Vooroordelen

Onwetendheid van de zorgverlener is niet het enige waardoor de communicatie tussen zorgverlener en patiënt soms spaak loopt. “Vanuit onze achterban merken we dat lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuele mensen, transgender personen of mensen met een intersekseconditie het ongemakkelijk vinden om problemen te bespreken met een zorgprofessional”, zegt Oosenbrug. “Dit kan vanuit schaamte zijn of uit angst voor vooroordelen op basis van eerdere negatieve ervaringen. Een homoseksuele man die een arts bijvoorbeeld om hiv-remmers vraagt, is niet per definitie die promiscue man die talloze bedpartners heeft.”

Kennis is belangrijk

Hoewel artsen zich niet moeten laten leiden door vooroordelen over een bepaalde seksuele gerichtheid, is het wel degelijk van belang op de hoogte te zijn van iemands seksuele gerichtheid, seksleven of gezinsleven. “Zo weten we bijvoorbeeld dat depressie en zelfmoordgedachten aanzienlijk vaker voorkomen bij transgender personen dan bij niet-transgender personen”, zegt Oosenbrug. “Of blijken vrouwen die alleen seks hebben met andere vrouwen meer risico te lopen op kanker in de eierstokken of baarmoeder(hals). En biseksuele mensen hebben weer vaker last van psychische problemen dan hetero- of homoseksuelen. Een zorgprofessional die van deze cijfers en verschillen op de hoogte is, kan gerichter doorvragen bij lhbti-patiënten.”

Open vragen

Om op een vertrouwenswaardige manier aan deze informatie te komen, is het van belang dat zorgprofessionals een open houding hebben en open vragen stellen. “Patiënten zijn over het algemeen heel blij als zorgverleners bij een eerste ontmoeting heel open zijn in hun vraagstelling”, legt Oosenbrug uit. “Daarnaast moet een arts ook niet schromen om de juiste vragen te stellen, ook als ze mogelijk gevoelig liggen. Stel dat een transgender persoon met bijvoorbeeld een ogenschijnlijk onschuldige hulpvraag komt, dan zou dat indirect iets met de transitie te maken kunnen hebben. De zorgverlener moet dan wel die vraag durven stellen.”

Gedeelde verantwoordelijkheid

Tegelijkertijd benadrukt de campagne de eigen verantwoordelijkheid van de patiënt. Het is ook aan de patiënt zelf om open en eerlijk te antwoorden op bepaalde vragen of al vanuit jezelf informatie te geven. “En wees je ervan bewust dat je zelf ook vooroordelen hebt”, zegt Oosenbrug. “Ga er bijvoorbeeld als lhbti’er niet standaard van uit dat een nieuwe huisarts je niet begrijpt. Wie weet is deze nieuwe huisarts zelf aangesloten bij Roze in Wit, zelf lhbti’er of sensitief op het thema.”

Kijk naar de mens

Toch is het voor veel mensen lastig om in goed vertrouwen met de huisarts of een andere zorgprofessional te spreken, zeker als iemand eerder negatieve ervaringen heeft gehad. Oosenbrug: “Het gevaar is dat deze mensen zorg gaan vermijden en uiteindelijk nog veel slechter af zijn. Dat moeten we te allen tijde voorkomen. Mijn advies is, als je je eigen huisarts niet prettig vindt, om rond te vragen in je omgeving wie een fijne huisarts heeft. Probeer er zo achter te komen welke zorgprofessionals sensitief zijn, op bijvoorbeeld het lhbti-thema, en kijk of je daar terecht kan. Iedereen heeft immers recht op passende zorg.”

Racisme meest gemeld in Rotterdam

Racisme meest gemeld in Rotterdam

Antidiscriminatievoorziening RADAR heeft in 2018 456 meldingen van discriminatie ontvangen van inwoners uit de politie-eenheid Rotterdam. Dit is nagenoeg evenveel als vorig jaar, terwijl landelijk het aantal meldingen bij antidiscriminatievoorzieningen daalde met 8 procent. De politie registreerde 523 discriminatie-incidenten, 77 meer dan het jaar ervoor. Het College voor de Rechten van de Mens ontving 66 verzoeken om een oordeel, dat zijn er 18 meer dan in 2017. Dit blijkt uit de Monitor Discriminatie 2018 over de politie-eenheid Rotterdam die vandaag wordt gepubliceerd.

Dominante rol racisme

Racisme behoudt een dominante rol in de meldingen bij RADAR en registraties van de politie. Daarom wordt daar in deze monitor de aandacht op gevestigd. Ongeveer de helft van de meldingen bij RADAR en de registraties bij de politie had in 2018 betrekking op de grond herkomst/huidskleur. Landelijk was dit voor de meldpunten 45% en bij de politie 43%. Er is bovendien sprake van een sterke stijging bij zowel RADAR (9%) als de politie (8%). Op onder andere de terreinen arbeidsmarkt, onderwijs en huisvesting hadden de meeste meldingen bij RADAR betrekking op de discriminatiegrond herkomst/huidskleur.

Moslims vaak de dupe, antisemitisme daalt

Het grootste deel van meldingen en politieregistraties met de grond religie, ging over discriminatie van moslims. RADAR ontving 43 meldingen over geloof waarvan er 32 gingen over discriminatie van moslims. Bij de politie gingen 25 van de 28 registraties op grond van religie over moslims. Bij RADAR kwam een enkele melding binnen over antisemitisme. Ook bij de politie daalde het aantal meldingen van antisemitisme ten opzichte van 2017. Het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI), daarentegen, registreerde op landelijk niveau meer incidenten.

Veel zwangerschapsdiscriminatie

Bij meldingen met de grond geslacht ging ongeveer een kwart over discriminatie vanwege zwangerschap. Daar is waarschijnlijk de speciale campagne van RADAR debet aan. Discriminatie-ervaringen van transgender personen worden vanaf 2018 apart weergegeven binnen de grond geslacht. In 2018 ging het om 7 meldingen en 2 politieregistraties. Bij RADAR en politie zijn minder incidenten geregistreerd op de grond seksuele gerichtheid. Ook het aantal meldingen op grond van politieke gezindheid daalde. Dit heeft vooral te maken met de afname van spanningen binnen de Turkse gemeenschap als gevolg van de couppoging in Turkije in 2016. Van de verzoeken die het College voor de Rechten van de Mens ontving, ging ruim een kwart over de grond handicap/chronische ziekte.

Meer incidenten onderwijs

De meeste meldingen bij RADAR gingen over de arbeidsmarkt. In de politieregistraties vormden incidenten in de directe woonomgeving de grootste categorie. Een markante stijging is te zien van meldingen op het terrein onderwijs. Bij RADAR gingen de meeste van deze meldingen over herkomst/huidskleur (17), handicap/chronische ziekte (11) en godsdienst (4). Bij de politie ging het vooral over vernieling of bekladding van het schoolplein of schoolgebouw.

Sterke stijging klachten horeca

Het aantal meldingen over horecadiscriminatie fluctueerde sterk de afgelopen jaren. In 2018 lieten de cijfers van het Panel Deurbeleid Rotterdam, de politie en RADAR zien dat bij alle drie deze organisaties sprake was van een stijging. Het totaal van de registraties bij deze organisaties steeg van 48 in 2017 naar 80 in 2018.

Verschillen in de regio

Een groot deel van alle meldingen bij RADAR en geregistreerde incidenten bij de politie werd gedaan in de gemeente Rotterdam. Dit betekent een stijging van het aantal geregistreerde incidenten in Rotterdam van ongeveer 10 procent. Het aantal meldingen bij de overige gemeenten is ongeveer gelijk gebleven, met uitzondering van Lansingerland (van 7 meldingen in 2017 naar 13 meldingen), Nissewaard (van 18 naar 7) en Capelle aan den IJssel (van 23 naar 9). Bij de politie telde het basisteam Centrum de meeste registraties (50), gevolgd door Drechtsteden (42 in Drechtsteden-Buiten en 41 in Drechtsteden-Binnen).

Over de Monitor Discriminatie 2018

De Monitor Discriminatie 2018 is samengesteld door RADAR in samenwerking met de politie Rotterdam en wordt 16 april gepubliceerd. De Monitor Discriminatie bundelt meldingen van antidiscriminatievoorzieningen met politieregistraties omtrent discriminatie en verzoeken bij het College voor de Rechten van de Mens. Zo geeft dit rapport een compleet beeld van de geregistreerde discriminatie-incidenten in de politie-eenheid Rotterdam. De Monitor Discriminatie is te vinden op www.discriminatie.nl.

Wat als niemand je beperking ziet?

Wat als niemand je beperking ziet?

Muisstil proberen de jonge koks van Hotspot Hutspot broodjes te smeren. Nog nooit hebben ze zo zachtjes uien gesnipperd. Nog nooit werd zo voorzichtig de afwas gedaan. En nog nooit werden schoteltjes zo geruisloos op elkaar gestapeld. Goed, helemaal geruisloos koken ging natuurlijk niet, maar iedereen deed haar of zijn uiterste best om de sprekers niet te overstemmen. Een chapeau is op zijn plaats.

Een paar uur eerder. Het is donderdag 11 april 2019, 9.30 uur. Zoetjesaan loopt sociaal restaurant Hotspot Hutspot Krootwijk – in Crooswijk – vol met Rotterdamse welzijnswerkers, actieve burgers en vrijwilligers. Door IDEMs Marian worden ze warm onthaald voor het kennisatelier ‘Onzichtbare beperkingen – Integratie in de breedte’. Mensen met een onzichtbare beperking zien er niet opvallend anders uit dan anderen, maar worden erdoor wel in hun mogelijkheden beïnvloed. Hoe kun je hier als welzijnswerker het beste rekening mee houden?

Wat is een onzichtbare beperking?

Nadat iedereen een kopje koffie of thee heeft bemachtigd en een plaatsje heeft gevonden, gaat IDEM-onderzoeker Inte van der Tuin verder in op het begrip ‘onzichtbare beperkingen’. Want wat wordt daar precies onder verstaan? Wat valt er wel onder en wat niet?

Een hele brede, algemene definitie is “een beperking die pas aan het licht komt door interactie.” Met de aanwezigen wordt het begrip verder verkend: dat bijvoorbeeld doofheid een onzichtbare beperking is, is voor iedereen vanzelfsprekend. Maar wat als iemand niet goed meer mee kan komen in het dagelijks leven, bijvoorbeeld door een traumatische ervaring uit het verleden of een burn-out: valt dat er ook onder? Een eenduidig antwoord blijkt er niet te zijn.

Meer inzicht in onzichtbaarheid

Dat er meer bewustwording van en meer begrip moet komen voor onzichtbare beperkingen, is voor iedereen evident. Om een klein beetje meer inzicht te geven over het leven met een onzichtbare beperking, was MEE Rotterdam aanwezig om een voorlichting te geven. Lieneke, een van de ervaringsdeskundigen van MEE die regelmatig voorlichtingen geeft, vertelde over haar leven met doofheid. Lieneke is niet doof geboren, maar is op haar vierde doof geworden als gevolg van een ziekte. Van jongs af aan heeft ze leren omgaan met haar beperking, waardoor ze op veel punten uitstekend zelfstandig kan leven. Ze rijdt gewoon auto, heeft een wekker met flitslichten in plaats van geluid en kan wanneer nodig een doventolk inhuren om haar bij te staan.

Toch is het niet altijd gemakkelijk voor haar. Lieneke vertelde over de dag dat ze op straat overvallen werd. Iemand trok zo de ketting van haar hals af. Maar 112 bellen als dove gaat niet zomaar… Zodra ze van de schrik bekomen was, vroeg ze hulp aan iemand op straat. Ze ging naar het bureau om aangifte te doen, maar de communicatie verliep stroef. In dergelijke gevallen kun je met spoed een doventolk aanvragen, maar daar moet je hoe dan ook op wachten.

Het publiek verbaast zich erover dat er nog geen oplossing is gevonden, waardoor dove mensen direct alarm kunnen slaan. “Je moet een bericht tikken via je smartphone”, legt Liekene via haar doventolk uit. “Maar dat kost heel veel tijd. In een echte noodsituatie heb je die niet. Er schijnt gewerkt te worden aan een speciale app, dus het is hopen dat deze snel gelanceerd wordt.”

Gelukkig heeft Lieneke ook meer dan genoeg positieve en leuke anekdotes over haar leven. Zo heeft ze een kat die ook doof is. Als het eten geserveerd wordt, roept ze haar kat door hard op de vloer te stampen. “Op de trillingen komt ze gelijk af, want dan weet ze dat er eten is!”

Actieve organisaties

MEE Rotterdam is niet de enige organisatie die zich inzet voor mensen met een (onzichtbare) beperkingen. Tijdens het kennisatelier werd ook kort de aandacht gevraagd voor verschillende andere partijen die actief zijn in Rotterdam:

  • De Van Veldhuizen Stichting is een expertisecentrum, dat via een totaalaanpak met producten als gezinsbegeleiding, opvoedondersteuning en hoogwaardige kinderopvang Plus kinderen binnen gezinnen een optimale ontwikkeling kunnen bieden;
  • Zonder Stempel zet zich in voor lhbti + personen met een licht verstandelijke beperking;
  • Homerun biedt trajectbegeleiding op maat aan jongvolwassenen met een licht verstandelijke beperking vanaf 16 jaar die problemen hebben met verschillende onderdelen van het leven.
  • Lourens Brinkman van Hotspot Hutspot introduceert de hostinglocatie, waar mensen met beperkt budget een heerlijk driegangenmenu voor 9 euro kunnen eten. Heb je meer budget? Dan mag je ook gewoon komen eten, maar je kan ook een tweede diner doneren.

Broodjes en bietensoep

Na zoveel informatie te hebben opgedaan, werd het hoog tijd om over het onderwerp na te praten. Tijdens een heerlijke lunch, bereid door de vrijwilligers van Hotspot Hutspot, smulden de aanwezigen van broodjes, bietensoep en biologische sapjes.

Op de hoogte blijven?

Op de hoogte blijven van alle events en bijeenkomsten van IDEM Rotterdam? Meld je aan bij ons netwerk en schrijf je in voor de nieuwsbrief!