5 vragen over… De Rotterdamse aanpak van geweld tegen vrouwen

5 vragen over… De Rotterdamse aanpak van geweld tegen vrouwen

De Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb heeft deze week in de gemeenteraad zijn excuses aangeboden aan de nabestaanden van de 16-jarige Hümeyra, die eind vorig jaar door haar ex werd doodgeschoten. Niet omdat de burgemeester eindverantwoordelijke is, maar omdat hij zich verantwoordelijk voelt voor het (dodelijke) geweld tegen Hümeyra en vele andere vrouwen in de stad. Eind vorig jaar, na de stille tocht tegen geweld tegen vrouwen die werd georganiseerd door RADAR, Dona Daria, SPIOR en Emancipator, werd de werkgroep ‘Stop geweld tegen vrouwen’ in het leven geroepen. IDEM stelt vijf vragen aan Martha Louis, beleidsadviseur van de gemeente, die deel uitmaakt van deze werkgroep.

1. Wat heeft de werkgroep ‘Stop geweld tegen vrouwen’ tot nu toe gedaan?

Onze belangrijkste taak is een beweging op gang zien te brengen in de stad van mensen die vinden dat geweld tegen vrouwen nu écht moet stoppen. Dat is onze kernboodschap en die moet breed gedragen worden. Dat lijkt een open deur, maar we kunnen de boodschap niet vaak genoeg herhalen. Als werkgroep willen we ons heel erg duidelijk profileren: geweld tegen vrouwen is niet acceptabel en moet stoppen.

De eerste stap is het maatschappelijke debat stimuleren. Hiervoor moeten we het taboe op partner- en huiselijk geweld zien te doorbreken. Er is nog heel veel schaamte, daarom moeten we tegen vrouwen in een gewelddadige relatie zeggen: ‘Je bent niet de enige, er is niets waarvoor je je hoeft te schamen.’

De werkgroep bestaat uit politie, de hulpverlening Veilig Thuis, gemeenteraadsleden en maatschappelijke organisaties. Bestuurlijk gezien is wethouder Bokhove (Jeugd) de trekker van het project, maar ook wethouder Wijbenga (Samenleven) is nauw betrokken bij de werkgroep. Maar de belangrijkste vertegenwoordigers in de werkgroep zijn de ervaringsdeskundigen: voormalige slachtoffers van geweld en ook nabestaanden. Want helaas zijn er ook dodelijke slachtoffers te betreuren, zoals Hümeyra. Hun ervaringen zijn van groot belang. Daar moeten we veel meer gebruik van maken, er valt veel van ze te leren.

2. Wat doet de gemeente verder om geweld tegen vrouwen te stoppen?

Als gemeente zijn we nauw betrokken bij de werkgroep. Ik ben een van de ambtenaren in de werkgroep en wij zorgen voor de verbinding tussen maatschappelijke organisaties en het stadsbestuur. Achter de schermen ondersteunen we het proces van de werkgroep, er is namelijk veel werk mee gemoeid.

Daarnaast zorgen we ervoor dat het onderwerp geagendeerd blijft op de politieke agenda. De (sociale) veiligheid van onder meer meisjes en vrouwen is een belangrijk speerpunt van dit College. Geweld tegen vrouwen is namelijk een vergaande uiting van een veel breder maatschappelijk probleem, namelijk ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Die ongelijkheid is bijvoorbeeld te zien in de loonkloof tussen mannen en vrouwen, en de financiële afhankelijkheid van vrouwen.

We zetten ook in op goede hulpverlening en nazorg. Uit het vernietigende rapport over de hulpverlening rond de zaak van Hümeyra blijkt dat dit veel beter moet met name in de afstemming tussen de verschillende partijen. Daarnaast worden er trainingen gegeven aan politieagenten, om meldingen van geweld tegen vrouwen niet alleen serieus te nemen, maar er ook actief wat mee te doen. Agenten moeten zich bijvoorbeeld beter bewust zijn van de situatie van een vrouw die aan de balie komt: op dat moment is er namelijk al heel erg veel gebeurd. Ook rekening houden met het psychologische mechanisme dat speelt bij vrouwen die terugkeren naar hun gewelddadige partner is daarbij van belang, het is als een soort verslaving. Daar moeten agenten wel voor open staan, ook al begrijpen ze de complexe processen die hiermee samenhangen misschien niet helemaal. Het is heel iets anders dan “boeven vangen”. Daarbij is ook cultuursensitiviteit van belang. Dit geldt voor alle organisaties die te maken hebben met de problematiek.

3. Hoe groot is het probleem eigenlijk in Rotterdam?

In 2018 zijn zo’n kleine 8000 incidenten van huiselijk geweld in Rotterdam bij de politie bekend. We weten dat de cijfers in Rotterdam iets hoger liggen dan het landelijke gemiddelde. En die landelijke cijfers zijn al schrikbarend. Van alle vrouwen in Nederland maakt 45 procent ooit fysiek of seksueel geweld in haar leven mee. Bijna 73 procent is ooit seksueel geïntimideerd. Een op de vijf vrouwen is ooit fysiek mishandeld door haar partner of ex-partner. De dader is in bijna alle gevallen een man. Vaak wordt het fysieke of seksuele geweld gepleegd in huis, wat eigenlijk voor iedereen een veilige plek zou moeten zijn. En tegenwoordig is er ook stalking en cybergeweld, waar vooral veel meiden en jonge vrouwen mee te maken krijgen. Kortom, er komen steeds meer manieren bij om vrouwen geweld aan te doen.

4. Op 25 november vindt het Dialoogdiner van de werkgroep plaats, waarin verder wordt nagedacht over manieren om geweld tegen vrouwen te stoppen. Is daarmee de taak van de werkgroep afgerond?

Integendeel, dan begint het pas. Afgelopen jaar hebben we geprobeerd om met alle partijen samen zoveel mogelijk ideeën op te halen die kunnen bijdragen om het probleem van geweld tegen vrouwen zo effectief mogelijk aan te pakken. In de voorverkenning hebben we een inventarisatie gemaakt van mogelijke activiteiten. Met al deze inzichten maken we een ‘agenda van de toekomst’. We kijken wat maatschappelijke organisaties kunnen doen, maar ook wat we in het reguliere beleid moeten aanpassen om deze hardnekkige problematiek aan te pakken. Hierin maken we een doorlopende lijn in het beleid: van emancipatiebeleid, beleid bij aanpak huiselijk geweld en aanpak seksueel geweld tot de aanpak schadelijke traditionele praktijken.

Aan de voorkant staat preventie centraal. Door het faciliteren van bijvoorbeeld empowermenttrajecten (versterking weerbaarheid). Zo wordt op scholen in het vak burgerschap bijvoorbeeld aandacht besteed aan onderwerpen zoals discriminatie en gelijkwaardigheid van man en vrouw. Hoe kijken jongens tegen meisjes aan en andersom, zou een afgeleide daarvan kunnen zijn. Bewustwording is daarbij van groot belang. Beseffen jongens wel welk effect het kan hebben wanneer je een meisje op straat naroept?

Aan de achterkant werken we hard aan de aanpak van het probleem. Zo proberen we straatintimidatie aan te pakken met het zogenoemde ‘sisverbod’, wat je trouwens ook direct kan melden via de Stop App. We doen mee aan het project ‘Veilige Steden’ in samenwerking met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; het doel van het programma is om de sociale veiligheid van (kwetsbare Rotterdammers en in het bijzonder Rotterdamse vrouwen en meisjes op straat en in het publieke domein (bijv. in de horeca of het openbaar vervoer) te verhogen Kortom, als gemeente ondernemen we van alles om geweld tegen vrouwen een halt toe te roepen. 

5. Voor vrouwen die in een gewelddadige relatie zitten is het vaak heel lastig om daar uit te stappen. Wat is uw advies aan hen?

Hoe moeilijk het ook is, probeer toch het geweld te bespreken met je naaste omgeving. Het is een taboe dat doorbroken moet worden. Weet dat je je er niet schuldig over hoeft te voelen, want je bent lang niet de enige. Probeer het patroon te doorbreken door erover te praten, zet je over die schaamte heen. Als het om stalking gaat, bespreek het met je buren als je stalker een contact- of straatverbod heeft, zodat ook zij weten dat hij niet in de straat mag komen. Aan de andere kant is het ook van belang om vermoedens van huiselijk geweld bij de buren te melden. Dit kan ook anoniem.  Het is tenslotte een misdrijf dat wordt gepleegd. Tot slot: De omvang en ernst van geweld tegen vrouwen in Nederland duiden op een groot maatschappelijk probleem met consequenties op het gebied van veiligheid, openbare orde en volksgezondheid. Geweld tegen vrouwen hangt samen met de verschillen in maatschappelijke positie van vrouwen en mannen, de daarmee samenhangende stereotypering en hardnekkige sociale en culturele legitimeringen van geweld. Een gendersensitieve aanpak is noodzakelijk om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden.

Tomáš de Paauw: “Verbinding mag ook afstand zijn”

Tomáš de Paauw: “Verbinding mag ook afstand zijn”

Zijn stichting mag dan Spraakuhloos heten, toch is dialoog heel belangrijk voor spoken-wordartiest en schrijver Tomáš de Paauw. Tijdens de Dag van de Dialoog, op 5 november in Dakpark Rotterdam, geeft hij een voorproefje van zijn woordkunsten, waarmee hij Rotterdamse jongeren verbindt.

Wat doet stichting Spraakuhloos?

We organiseren evenementen op verschillende plekken in de stad voor jongeren die podiumkunsten beoefenen: we zijn een reizend open podium. Iedere keer programmeren we jonge makers, iedere keer staan we op een andere locatie en iedere keer voegen we een nieuwe kunstvorm toe die nog niet eerder bij ons is vertoond. 

Waarom is het alleen voor jonge makers?

Vijf jaar geleden merkten mijn beste vriend en ik dat er maar heel beperkt aanbod was van hetgeen wij tof vinden. Het was óf heel literair, of heel saai, of overprized. Wij houden juist van mensen bij elkaar brengen. We besloten om een avond te organiseren met performances die wij leuk vinden, als concept in een café in Ommoord. Er kwamen meteen zestig mensen op af! Bij de tweede editie, drie weken later, stonden we op Rotterdam Laat Open. Sindsdien hebben we alle grote venues van Rotterdam wel gehad.

Hoe komen de jonge makers bij jullie terecht?

Met name via ons grote netwerk, via social media, via mond-tot-mondreclame. Ons netwerk bestaat inmiddels uit zo’n duizend artiesten, die vaak ook weer jonge creatievelingen kennen. Voor onze open podia kan iedereen zich aanmelden. Voor onze geprogrammeerde avonden selecteren wij de artiesten, die tussen amateur- en professioneel niveau in zitten. Vaak gaat het om jongeren die we gespot hebben tijdens onze open podia of tijdens andere events.

Is een podium bieden aan jongeren jullie enige doel als stichting?

Nee, we zouden ook graag structureel erkend worden door de gemeente. Binnen de gemeente is er eindeloze beleidsvoering over diversiteit en inclusie, honderden pagina’s zijn erover geschreven en tientallen debatten zijn erover gevoerd. Het zijn onderwerpen waar wij al vijf jaar iets mee doen, het zou fijn zijn als we daar structureel budget voor krijgen.

Hoe financieren jullie nu je events?

Op dit moment via projectsubsidies. Een probleem daarvan is dat er heel veel geld naar de gevestigde orde gaat om meer activiteiten voor jongeren te organiseren, maar vaak weten zij niet hoe ze jongeren moeten bereiken en wat ze voor hen moeten programmeren. Wij weten dat wel. In plaats van hen extra budget te geven om opnieuw het wiel uit te vinden, kunnen ze beter ons jongerenprogramma’s laten maken.

Er zou dus wel wat meer dialoog mogen komen tussen gemeente en organisaties als die van jullie?

Inmiddels kennen ze ons wel, maar we lopen wel tegen een achterhaald systeem aan. Gemeentes of fondsen vragen om uitgebreide geschreven projectplannen, terwijl wij veel beter ons werk en het effect ervan kunnen laten zien in bijvoorbeeld een powerpoint met video. Op die manier kunnen we veel beter ons verhaal vertellen.

Waarom is dialoog voor jou belangrijk?

Verbinding staat bij ons centraal. We zeggen altijd dat iedereen met elkaar verbonden is en dat contact houden het makkelijkste is wat er is. Maar verbinding mag ook afstand zijn; geforceerd samenzijn leidt ook alleen maar tot afscheiding. Elkaars personal space kennen is ook heel belangrijk, misschien moeten we juist beginnen met checken wat iemands grenzen zijn.

Ben of ken je iemand die haar of zijn kunsten wil laten zien op het open podium van Spraakuhloos? Aanmelden kan via de website: http://www.spraakuhloos.com/

Cor Hoffer: “Zorgverleners hoeven niet alles te weten over andere culturen, als ze maar open het gesprek aangaan”

Cor Hoffer: “Zorgverleners hoeven niet alles te weten over andere culturen, als ze maar open het gesprek aangaan”

Een cliënt die niet geholpen wil worden door een medewerker van kleur, communicatieproblemen omdat dementerende migrantenouderen terugvallen op hun moedertaal of een gespannen sfeer bij de hulpverlening door vervelende opmerkingen over vermeende seksuele gerichtheid van een verpleegkundige: als het gaat om inclusie staat de ouderenzorg voor allerlei uitdagingen en dilemma’s. Cultureel antropoloog en socioloog Cor Hoffer doet al dertig jaar onderzoek naar zorg voor migranten in Nederland en geeft trainingen aan professionals in de zorg- en welzijnssector over omgaan met cliënten met andere culturele of levensbeschouwelijke achtergronden.

Wat is het grootste misverstand onder hulpverleners als het gaat om inclusief werken in de zorg?

Zorgverleners hebben vaak het idee dat ze een hele studie moeten doen naar de culturele of religieuze achtergrond van hun cliënt. Ze zeggen vaak: ‘Ik weet niets van de islam of het hindoeïsme, dus ik weet niet hoe ik met deze cliënt op de juiste manier kan communiceren.’ Er ontstaat handelingsverlegenheid, zorgverleners zijn bang om iets stoms te zeggen of klappen dicht. Maar het is helemaal niet nodig om alles van een cultuur of religie af te weten, want in een open gesprek met je cliënt kun je die informatie achterhalen. Het is beter om toe te geven dat je iets niet weet en hier vervolgens vragen over te stellen, dan het probleem te negeren. Zorg dat je altijd open het gesprek aangaat.

Waar lopen zorgverleners zoal tegenaan?

Het belangrijkste is dat migrantenouderen hun ziekte of ouderdom anders kunnen ervaren dan je als autochtone hulpverlener gewend bent. Als je je hier niet van bewust bent, kan de zorg niet goed aansluiten. Een voorbeeld hiervan is dat dementerende ouderen soms aangeven stemmen te horen. Een autochtone hulpverlener zou hierbij snel denken aan symptomen van een psychose, terwijl ‘stemmen horen’ in de Afrosurinaamse cultuur niet altijd als ziektesymptoom wordt gezien of als beangstigend wordt gevonden. Een ander voorbeeld is dat depressieve klachten in verschillende culturen wordt gezien als een gevolg van veel tegenslag, die nu eenmaal bij het leven hoort. Afhankelijk van je culturele achtergrond, kunnen signalen dus heel anders geïnterpreteerd worden.

Kan dat niet tot verkeerde diagnoses leiden?

Dat gebeurt helaas wel eens. Zo hebben enkele Amsterdamse geriaters en psychologen speciale tests ontwikkeld om dementie bij ouderen met een migratieachtergrond beter te kunnen vaststellen. De bestaande tests waren namelijk te veel gericht op autochtone ouderen en de Nederlandse cultuur. Er werd voorheen bijvoorbeeld gevraagd wie de toenmalige koningin was, maar sommige migrantenouderen hadden dat niet direct paraat. Het is belangrijk alert te zijn op dergelijke culturele aspecten, zodat op tijd de juiste begeleiding geboden kan worden en misdiagnostiek wordt voorkomen. Langzaam maar zeker wordt er ook in onderzoek en ontwikkeling van tests en medicijnen steeds meer rekening gehouden met culturele en erfelijke factoren in diverse bevolkingsgroepen.

Zo te horen hebben zorgverleners uit allerlei disciplines baat bij een training cultuursensitief werken?

Zulke trainingen zijn geschikt voor artsen, psychologen, psychiaters, woonbegeleiders, wijkverpleegkundigen. Eigenlijk voor iedereen die iets van doen heeft met ouderen, bijvoorbeeld ook mensen die mantelzorgers ondersteunen.

Wat leer je zoal tijdens een training?

Het gaat vooral over cultuursensitief werken. Daartoe leg ik uit welke invloed cultuur kan hebben op ziekteopvattingen en hulpzoekgedrag. Daarnaast leg ik uit hoe je hier in de dagelijkse praktijk rekening mee kunt houden. Hierbij ga ik  onder meer in op het Culturele Interview, een methodiek om het gesprek tussen zorgverlener en cliënt met een andere achtergrond te stimuleren. Tijdens mijn lezing op het symposium van IDEM Rotterdam en RADAR geef ik alvast een tipje van de sluier.

Waar moeten zorgverleners nog meer rekening mee houden?

In veel culturen speelt de familie of een geestelijke een bepalende rol. In Nederland hameren we ontzettend op de autonomie van de individuele cliënt, terwijl sommige mensen met een migratieachtergrond liever gezamenlijk beslissingen nemen over gezondheid en behandelingen. Van de ene kant is het belangrijk deze voorkeur te respecteren, maar aan de andere kant moet je ook oppassen dat de familie een cliënt teveel uit handen neemt. Ook is het raadzaam voorzichtig te zijn met de inzet van naasten als tolk. Want er is het risico dat de familie uit schaamte of bescherming gefilterd gaat vertalen. Het is daarom aan te raden om een officiële tolk in te schakelen als de cliënt zelf de taal niet machtig is.

Wat zouden de cliënt of familie zelf kunnen doen als ze het idee hebben dat ze niet goed geholpen worden?

Stel dat je het idee hebt dat een arts de belevingswereld van je vader of moeder niet goed inschat, dan zou je om een second opinion kunnen vragen. Er zijn diverse transculturele deskundigen en er komen steeds meer biculturele zorgverleners in Nederland die in zo’n situatie specifieke hulp kunnen bieden.

Bij antidiscriminatiebureau RADAR komen ook wel eens klachten binnen van hulpverleners van kleur, die juist door hun cliënt worden gediscrimineerd. Wat kunnen zij doen?

Dat gebeurt helaas ook. Bijvoorbeeld een witte oudere die niet door een zorgverlener met hoofddoek geholpen wil worden. Dat zorgt voor lastige situaties. Ook hier gaat het om cultuursensitieve communicatie. Het probleem is volgens mij dat veel organisaties hier nog geen beleid op hebben. Een zorgorganisatie zou eigenlijk moeten zeggen: ‘Onze zorgverlener is gekwalificeerd, dus u heeft deze hulp te aanvaarden.’

Meer weten? Kom naar ons symposium over inclusief werken in de ouderenzorg!

Cor Hoffer geeft een lezing op het symposium Onbegrensde mogelijkheden: inclusief werken in de ouderenzorg. Wil je hierbij aanwezig zijn? Meld je hier aan.

SamSam uitvaartcoaching: “Of je even de uitvaart van een familielid wil regelen? Zeg nooit direct ja”

SamSam uitvaartcoaching: “Of je even de uitvaart van een familielid wil regelen? Zeg nooit direct ja”

Een uitvaart van een dierbare kan mensen diep in de financiële problemen brengen. Vooral als de nabestaande zelf tot een kwetsbare groep behoort. SamSam Uitvaartcoaching helpt nabestaanden een weg te vinden in het doolhof van regels en wetten en ondersteunt bij het regelen van een begrafenis of crematie zonder onnodig hoge kosten te maken. Maar ook wijzen de uitvaartcoaches op de risico’s die zijn verbonden aan het regelen van iemands nalatenschap. “Zeg nooit direct ‘ja’ als iemand je vraagt dit te regelen.”

Een begrafenis of crematie? Wel of geen rituelen? Welke muziek wordt er gedraaid en wie gaat er spreken? Bij het regelen van een uitvaart komen talloze vragen op je af. En dan zijn de financiën nog niet eens aan bod gekomen… Want heeft de overledene een verzekering? Kan de uitvaart betaald worden uit de nalatenschap? Of moet de familie voor alle kosten opdraaien? “Het is al moeilijk genoeg als een dierbare overlijdt”, zegt Ardy Moeijes, oprichtster en projectleider van SamSam Uitvaartcoaching. “Maar als je niet uitkijkt, heb je zo een schuld van twee- tot drieduizend euro opgebouwd.”

Onderverzekerd 

Van alle Nederlanders heeft 70 procent een uitvaartverzekering, maar van die groep is 80 procent onderverzekerd. “Mensen willen het goed doen voor een overleden dierbare”, zegt Sherita Thakoerdat, uitvaartcoach bij SamSam. “Nabestaanden zijn emotioneel en willen een waardig afscheid regelen. Het gebeurt vaak dat mensen kiezen voor de duurste opties bij een uitvaart, die sowieso al duizenden euro’s kost, terwijl ze daar helemaal geen geld voor hebben. Schaamte voor armoede speelt daarbij een rol, maar ook onwetendheid over wat er allemaal mogelijk is. Mensen snijden zich dan al snel in de vingers.”

Zo is het bijvoorbeeld niet verplicht om een uitvaartondernemer in de arm te nemen, terwijl dat vaak wel de persoon is die als eerste op de stoep staat. “Zelfs veel gemeentes geven in hun brochures en online informatie aan dat je als nabestaande een uitvaartondernemer moet kiezen”, legt Ardy uit. “Alleen is dat helemaal niet verplicht, je mag een heleboel zelf regelen. Als gemeenteambtenaren al niet goed op de hoogte zijn van de wet- en regelgeving, hoe moet de burger dat dan zijn?”

Volgens Ardy en Sherita hebben uitvaartondernemers de branche in hun greep. “De overheid trekt zich steeds meer terug van het helpen regelen van een uitvaart”, zegt Ardy. “Mensen met een laag inkomen konden rekenen op ondersteuning van de gemeente, die zorgde ervoor dat de uitvaartondernemer betaald werd. Inmiddels is die gemeentegarantie vervallen en is de bijzondere bijstand, waar soms aanspraak op gemaakt kan worden, voor uitvaarten gehalveerd. Dat is meestal niet genoeg voor een begrafenis of crematie, zeker niet als een overledene door noodzaak in het mortuarium van het ziekenhuis moet verblijven.”

Huisbezoek

Via-via komen de uitvaartcoaches van SamSam bij families die financieel in de problemen zitten of daarin dreigen te raken door een uitvaart. Het eerste wat de coaches doen, is een inschatting maken van de financiële situatie van de nabestaanden. “Deze quickscan is noodzakelijk om het juiste traject te kunnen bepalen”, legt Ardy uit. “Er zijn verschillende routes die je na een overlijden kan bewandelen; er zijn verschillende instanties waar je kan aankloppen. Als we een beter beeld hebben van de wensen van de familie en de financiële situatie, dan kunnen we informeren over welke trajecten mogelijk zijn en hoe de kosten zo laag mogelijk gehouden kunnen worden.”

Zo’n huisbezoek, snel na een overlijden, doen de ondersteuners van SamSam altijd met z’n tweeën. “Ten eerste is het heel zwaar om bij een rouwende familie langs te gaan”, vertelt Sherita. “Het zijn natuurlijk lang niet altijd oude mensen die vredig in hun slaap zijn gestorven. We krijgen ook te maken met slachtoffers van geweld, of ernstig zieke mensen. Het is daarom belangrijk om elkaar te kunnen steunen. Ten tweede willen we voorkomen dat een casus niet afgemaakt kan worden. Er kan nu eenmaal ook altijd met ons onverwacht iets gebeuren.” 

Praten over de dood

Het beste zou zijn, om al voordat iemand heengaat over de uitvaart en nalatenschap na te denken. “Het zou fijn zijn als de dood gemakkelijker bespreekbaar wordt”, zegt Ardy. “Soms hebben we met families te maken die nog helemaal niets besproken hebben, ook al ligt een familielid op sterven in een hospice.” Maar nog beter is het om erover te praten als het nog lang niet zo ver is, zodat je bij een plotseling overlijden niet voor het blok wordt gezet. Door een uitvaartondernemer, bijvoorbeeld. De meeste ondernemers werken immers volgens een neoliberaal verdienmodel en hebben niet dezelfde focus als bijvoorbeeld welzijnsorganisaties hebben. “Door vooraf binnen de familie te praten over wensen en financiën, wordt het gemakkelijker om je aan je eigen focus vast te houden.”

Neem de tijd

Het belangrijkste doel van SamSam is eraan bijdragen dat nabestaanden op eigen kracht verder komen. De tijd nemen, is hiervoor het belangrijkste. “Als je in de paniek zit van de dood en ook nog in armoede, is het moeilijk om je weg te vinden in het doolhof van regelgeving”, legt Sherita uit. “Met een paar opmerkingen en tools kunnen we mensen op weg helpen.” Ardy vult aan: “We zijn heel assertief in onze ondersteuning. Als je voor het eerst te maken hebt met het overlijden van een dierbare, dan heb je geen idee wat er allemaal op je afkomt. Je snakt naar adem, dus je neemt alle – al dan niet goedbedoelde – adviezen maar aan. Stel dat je vader in een ziekenhuis overlijdt, dan zegt het ziekenhuispersoneel dat je snel het lichaam moet komen ophalen. Dat is niet alleen om een bed vrij te maken voor een nieuwe patiënt, maar vooral omdat de zorgverzekering van de vader niet meer voor de zorg betaalt. Bij overlijden vervalt de zorgverzekering. Maar er zijn wel flinke kosten verbonden aan het overbrengen van een lichaam drie uur na overlijden naar een mortuarium en de laatste noodzakelijke verzorging: dat kost al gauw 200 euro en je hoeft er niet eens opdracht voor gegeven te hebben.”

SamSam wijst op onorthodoxe alternatieven, die legaal zijn maar niet bekend. “Het is toegestaan om zelf een lichaam te vervoeren, bij wijze van spreken mag dat zelfs op de fiets, mits je de juiste overlijdenspapieren bij je hebt en het lichaam ethisch bedekt is”, legt Ardy uit. “Wat niet is toegestaan is zelf een lichaam begraven of cremeren. Een uitvaart kun je dus nooit helemaal alleen, maar je kan veel meer zelf regelen dan je zou verwachten.”

Nalatenschap

De uitvaart zelf is echter nog maar het begin van het regelwerk nadat iemand overlijdt. Aan de nalatenschap kunnen namelijk allerlei haken en ogen zitten. “Nalatenschap is vreselijk ingewikkeld”, legt Ardy uit. “Als iemand overlijdt moet je binnen drie maanden doorgeven of je als erfgenaam de nalatenschap aanvaardt, verwerpt of beneficiair aanvaardt. Als je niets doorgeeft, bijvoorbeeld omdat je hiervan niet op de hoogte bent, dan heb je automatisch de nalatenschap aanvaard. Als je geluk hebt kan de uitvaart betaald worden uit die nalatenschap en hou je zelf nog en spaarcentje over, maar het is ook goed mogelijk dat de persoon in de schulden zit. Dan is de kans groot dat je met de kosten voor de uitvaart én die schulden zit.”

Die verantwoordelijkheid voor nalatenschap toebedeeld krijgen, zit al in een klein hoekje. “Wettelijk gezien ben je als familie niet verplicht om een uitvaart te regelen. Er wordt gesproken van een morele plicht, maar als jij daar om wat voor reden niet aan wil voldoen, dan hoeft dat niet. In dat geval wordt de burgemeester de opdrachtgever voor de uitvaart.”

Toch zullen de meeste mensen willen helpen als een dierbare overlijdt. “Natuurlijk willen de meeste familieleden zorgdragen voor een mooi afscheid”, zegt Ardy. “Alleen weten veel mensen niet dat het daar vaak niet bij blijft. Je kan ook aansprakelijk gehouden worden voor allerlei financiële kwesties. Die verantwoordelijkheid kan al bij jou komen te liggen als je in bepaalde gevallen alleen maar het huis hebt leeggehaald. Zonder iets getekend te hebben. Zeg dus nooit direct ‘ja’, als iemand vraagt een uitvaart of nalatenschap te regelen.” 

Vrijwilligers

De uitvaartcoaches van SamSam bieden op vrijwillige basis ondersteuning. Omdat het nogal wat kennis en ervaring vraagt om nabestaanden van de juiste informatie te voorzien en een goede inschatting te maken van de financiële situatie van een rouwende familie, krijgen de coaches een intensieve opleiding die speciaal voor SamSam is ontwikkeld door docente Ria Middelham van Duende Training en Coaching. “In ruil voor die kosteloze opleiding, vragen we vrijwilligers om ten minste twee jaar voor ons actief te blijven”, legt Ardy uit. “Dat kan zwaar zijn, want sommige vrijwilligers die zich bij ons melden hebben een romantisch beeld van de uitvaartcoaching. Ze denken dat ze bloemen mogen dragen, koffie schenken of spreken bij een uitvaart. Maar dat is het niet, je wordt geen uitvaartverzorger.”

SamSam heeft altijd mensen nodig die anderen in de hele brei van wat er bij een uitvaart komt kijken kunnen ondersteunen. Het gaat erom dat ze de juiste informatie geven en laten zien hoe nabestaanden dingen anders kunnen doen, zodat ze een weloverwogen beslissing kunnen nemen. Begin 2020 start SamSam met een nieuwe scholing. Meer weten? www.samsamuitvaartcoaching.nl

Ramona Kimberley Molhoop: “Alle kinderen moeten leren dat ze mooi zijn”

Ramona Kimberley Molhoop: “Alle kinderen moeten leren dat ze mooi zijn”

Kleine meiden die menen dat ze nooit prinses kunnen worden, jongens die hun neus niet mooi vinden of kinderen die geloven dat je alleen mooi bent als je je haar verft. Al op zeer jonge leeftijd hebben kinderen allerlei ideeën over wat mooi is, met alle gevolgen voor hun zelfbeeld van dien. De Rotterdamse journaliste en kinderboekenschrijfster Ramona Kimberley Molhoop wilde iets doen om zelfacceptatie van kinderen te vergroten. Ze schreef het prentenboek Prinses Imara’s Haar, om kinderen te leren dat allerlei kapsels mooi zijn.

‘Leek je maar wat meer op je zusje, die heeft prachtig haar, lichte ogen en een lichte huidskleur.’ Journaliste en kinderboekenschrijfster Ramona Kimberley Molhoop was dat ‘mooiere’ zusje. Terwijl zij te horen kreeg dat haar haar zo mooi glad was en zo gemakkelijk te verzorgen, was Ramona maar wat jaloers op haar zus. Zij mocht namelijk regelmatig naar de kapper en kwam dan iedere keer terug als ander persoon: de ene keer met stijl haar, dan weer met vlechten. Ramona wilde ook wel van die lange vlechten met kralen, of een keer wat nieuws.

“Als kind stond ik daar natuurlijk niet bij stil, maar toen ik wat ouder werd realiseerde ik me hoe vreselijk dat voor mijn zus geweest moet zijn”, vertelt Ramona. “Zij kreeg continu te horen dat mijn haar mooier was dan dat van haar en ondertussen zat zij uren bij de kapper waar ze allerlei chemische middelen in haar haar deden.”

Natural hair movement

Het was tijdens haar studententijd dat Ramona zich meer bewust werd van de beeldvorming rond kroeshaar. Ze raakte steeds meer geïnteresseerd in de zogeheten ‘natural hair movement’. “In die tijd zat ik veel op socialenetwerksite Tumblr, waar ik deze Amerikaanse beweging tegenkwam”, licht Ramona toe. “Ik had er nog nooit van gehoord. Eigenlijk had ik überhaupt nooit echt nagedacht over het feit dat kroeshaar in een negatief daglicht staat en wat dat betekent. In Nederland was op dat moment nog niet zoveel bekend over vooroordelen waar deze vrouwen mee te maken hebben. Ik vond een Facebook-groep over ‘natural hair’ waar ik me bij aansloot. Daar was een veelgehoorde vraag: ‘Hoe leer ik mijn dochter dat ze mooi is?’ Het alleen maar zeggen bleek niet genoeg, er was meer representatie nodig. Ik ben op onderzoek uitgegaan en er bleken gewoon geen prentenboeken waarin kinderen met kroeshaar de hoofdrol spelen.”

Ramona kreeg het idee om zelf maar een prentenboek te maken. Toevalligerwijs viel dat samen met een studieopdracht. Tijdens haar studie journalistiek volgde Ramona de minor creative writing en besloot ze om voor een van de opdrachten het prentenboek te maken: Prinses Imara’s Haar. Ook de illustraties maakte ze zelf. “In een prentenboek kon ik twee passies samenbrengen: schrijven en tekenen”, vertelt ze. “Ik heb er bewust voor gekozen om de tekeningen in kinderlijke stijl te maken. Ik wilde dat het verhaal zo dicht mogelijk bij het kind zou staan. Daarom zie je ook duidelijk de potloodstrepen van het inkleuren.”

Haar werk werd heel goed beoordeeld. Daarop besloot Ramona te proberen om haar boek uitgegeven te krijgen. Het had wat voeten in de aarde, maar dit jaar slaagde ze er eindelijk in om een uitgever te vinden. “En nu ben ik druk bezig om het in boekwinkels en bibliotheken te krijgen”, zegt Ramona, “zodat zoveel mogelijk kinderen het kunnen lezen.”

Langverwacht

Ramona’s boek bleek een langverwachte uitkomst voor veel ouders. Ze krijgt allerlei positieve reacties, zowel via social media als na bijeenkomsten waar ze komt voorlezen. “Zo was er een vrouw van in de zestig die vertelde dat ze zo graag gewild had dat het boek er was toen zij zelf kinderen kreeg”, zegt Ramona. “Ook in hun gezin was er een struggle over haar: hoe leer je je dochters dat ze mooi zijn als ze continu te horen krijgen dat hun haar niet mooi is en moeilijk handelbaar? In die tijd waren er geen boeken of films waarin hoofdpersonages kroeshaar hadden, er was gewoon geen representatie van mensen met kroeshaar.” 

Ook nu nog herkennen mensen het verhaal van Imara. Ouders delen hun eigen ervaringen met Ramona na een voorleesmiddag. “Ik verbaas me erover hoe jong kinderen nog zijn als dit al begint te spelen”, legt Ramona uit. “Zo vertelde een moeder dat haar driejarige dochtertje vond dat ze geen prinses kon zijn, omdat ze niet het haar van een prinses had. Hoewel haar moeder zei dat ze prachtig was en prachtig haar had, bleef het kind bij haar standpunt. Ze zou immers nooit een kroontje kunnen dragen, want die zou door haar haar van haar hoofd vallen. Al op zo’n jonge leeftijd kon ze het probleem verwoorden. Je weet wel dat het speelt, maar het is heel confronterend als je dit hoort. Gelukkig is Prinses Imara’s Haar nu haar lievelingsboek.”

Dat geldt niet alleen voor deze driejarige. Via Facebook krijgt Molhoop allerlei fantastische reacties op haar boek. “Ouders sturen me foto’s van kinderen die hetzelfde haar willen als prinses Imara. Ze hebben dan geprobeerd om haar kapsels na te maken en willen zo naar school!”

Ouderbetrokkenheid

Betrokkenheid van ouders is voor Ramona heel belangrijk. Bij events waar ze komt voorlezen, worden daarom ook altijd de ouders van de kinderen uitgenodigd. “Ik vind het niet alleen belangrijk om de kinderen ervan te doordringen dat ze mooi zijn, maar ook dat de ouders ervaringen kunnen uitwisselen”, legt ze uit. “Zij hebben zelf als kind niet altijd geleerd dat ze ook mooi zijn, of hoe ze kroeshaar het beste kunnen verzorgen. Het is niet zo simpel dat je er maar een borstel door haalt en dat het dan goed zit. Dus het is ook een goede plek om haarverzorgingstips uit te wisselen. Niet dat ik mezelf als expert zie, maar ik vind het belangrijk om elkaar te inspireren.”

Tijdens zo’n voorleesevent blijkt hoe vooroordelen over schoonheid en haar er onbewust bij heel jonge kinderen insluipen. “In het verhaal gaat prinses Imara op zoek naar manieren om haar haar te veranderen”, vertelt Ramona. “Tijdens het voorlezen probeer ik altijd interactief te werk te gaan, dus ik vraag de kinderen de hele tijd wat zij denken dat Imara gaat doen. Een jongen bleef maar roepen dat ze haar haar moest verven, dan zou het allemaal goed komen. Ik begreep maar niet waarom die jongen het maar bleef hebben over verven. Na afloop raakte ik met zijn moeder in gesprek. Zij nam de jongen, met een flinke bos krullen, altijd mee naar de kapper. Daar moest hij soms wachten op zijn beurt en zag hij allemaal vrouwen met hun haar in de verf. Hij vroeg waarom ze dat deden. Om er maar snel vanaf te zijn, zei zijn moeder dat ze daar mooier van werden. Dat had hij duidelijk onthouden.”

Zelfacceptatie

De events zijn meer dan alleen maar naar een verhaaltje luisteren. “Na afloop doen we knutselactiviteiten”, zegt Ramona. “De kinderen gaan dan aan de slag met een zelfportret. Dan blijkt dat meisjes al zo jong als 4 jaar hun neus niet mooi vinden, of hun haar niet. Ik houd ze letterlijk een spiegel voor: kijk eens hoe mooi je bent.”

Het boek gaat dan ook niet zozeer alleen maar over haar. “Het gaat over zelfacceptatie, je eigen haar leren waarderen is daar een voorbeeld van”, zegt Ramona. “Maar het boek is voor iedereen, of je nu wit of bruin bent, stijl haar hebt of krullen, een meisje of een jongen bent.”

Molhoop hoopt in de toekomst nog veel meer voorleesevents te mogen verzorgen in bibliotheken of Huizen van de Wijk. “Natuurlijk is het een mooie gelegenheid om mijn boek onder de aandacht te brengen, maar ik vind het ook oprecht belangrijk om te werken aan zelfacceptatie van kinderen. Daarom hoop ik dat ik bijvoorbeeld op basisscholen mag komen voorlezen, zodat zoveel mogelijk kinderen leren hoe mooi ze zijn.”

Ook zo’n voorleesevent bij jouw organisatie?

Prinses Imara’s Haar is te koop via online boekhandels, zoals bol.com of te leen via de buurtbieb.

Ramona Kimberley Molhoop komt graag voorlezen in Huizen van de Wijk of basisscholen. Wil je haar uitnodigen? Neem dan contact op via ramona.kimberley.molhoop@gmail.com of via haar Facebook-pagina.