Verslag Kennisatelier ‘Voorbij de eigen bril’

Verslag Kennisatelier ‘Voorbij de eigen bril’

It takes a village to raise a child. De bekende uitdrukking zegt genoeg: een kind opvoeden is niet gemakkelijk en al helemaal niet in onze individualistische samenleving. In Rotterdam zijn er allerlei organisaties waar ouders terecht kunnen voor vragen over en ondersteuning bij opvoeding. In het Kennisatelier ‘Voorbij de eigen bril’ gingen professionals in op de vraag hoe ouders die hulp nodig hebben, zo inclusief mogelijk geholpen kunnen worden.  

Hoe bereik je ouders die de Nederlandse taal beperkt beheersen? Hoe zorg je voor cultuursensitieve ondersteuning? En hoe ga je om met de enige vader in de groep? Kortom, is de opvoedondersteuning in Rotterdam inclusief genoeg om alle Rotterdamse ouders te bereiken? Deze en andere vragen werden besproken door zo’n veertig Rotterdamse professionals die op donderdag 19 mei 2022 bij elkaar kwamen in De Weerhaan in Rotterdam-Noord.  

Presentatie onderzoek 

IDEM Rotterdam deed onlangs onderzoek naar opvoedondersteuning in Rotterdam: wat is nodig om de opvoedondersteuning inclusiever te maken? Voor het onderzoek ‘Voorbij de eigen bril’ zijn opvoedondersteuners in Rotterdam bevraagd door middel van een digitale vragenlijst en interviews. Ook zijn er twee focusgroepen gehouden met biculturele ouders die gebruikmaken van opvoedondersteuning. Tijdens het Kennisatelier presenteerde onderzoeker Bauke Fiere de belangrijkste resultaten van het onderzoek.  

Een daarvan is dat de diversiteit van opvoedondersteuners volgens professionals gering is, terwijl een aanzienlijk deel van de ouders die gebruikmaakt van opvoedondersteuning een biculturele achtergrond heeft. Een taalbarrière of onbekendheid met het aanbod kunnen drempels zijn voor ouders. Verder maken vaders veel minder gebruik van opvoedondersteuning, ongeacht de achtergrond. Schaamte kan een rol spelen voor vaders om hulp te zoeken. 

Inclusief aanbod  

De hulpvragen van ouders met diverse culturele achtergronden verschillen over het algemeen niet veel van elkaar. Het gaat vaak om algemene thema’s als consequent zijn, hoe om te gaan met kinderen die niet willen luisteren, et cetera. Toch zijn er ook verschillen, zo kan de opvatting over de corrigerende tik bijvoorbeeld anders zijn. Professionals geven aan altijd een open houding aan te nemen, ook al sluit een thema niet aan bij hun eigen normen en waarden. Hierdoor blijft het soms lastig om de eigen bril af te zetten, ook al proberen opvoedondersteuners een open houding aan te nemen en maatwerk te leveren. 

Wat is er nodig? 

Drempels verlagen kan door bijvoorbeeld de communicatie aan te passen, licht onderzoeker Bauke Fiere toe. Andere punten zijn:  

  • Aanbod in meerdere talen aanbieden. 
  • Materiaal minder ‘talig’ maken, dus meer gebruikmaken van afbeeldingen dan geschreven taal. 
  • Minder focus op effectiviteit. Maatwerk is minder goed meetbaar, maar wel belangrijk om aansluiting te vinden.  
  • Meer rekening houden met nieuwe gezinsvormen, niet alleen met etnische diversiteit.  
  • Investeren in kennis en vaardigheden van professionals. Veel opvoedondersteuners willen graag hun deskundigheid bevorderen op het gebied van cultuursensitief en inclusief werken.  
  • Specifiek aanbod voor vaders, bijvoorbeeld door een mannelijke professional aan te nemen, meer vaders in een groep te zetten en programma’s aanbieden in de avonduren.  

Tips uit het veld  

Opvoedexpert Fadma Bouchataoui werkt al twintig jaar in Rotterdam. Zij deelt haar eigen ervaring en tips met de aanwezigen. ‘Als je je richt op een specifieke doelgroep, dan sluit je een andere doelgroep automatisch uit’, legt ze uit. ‘Dat kan ook niet anders, maar het is wel belangrijk je daarvan bewust te zijn.’  

Bouchataoui geeft aan dat een echt inclusieve samenleving alleen mogelijk is als minderheidsgroepen sterker worden. ‘Als je stevig in je schoenen staat, sta je makkelijker open voor de ander’, zegt ze. ‘Als je zelf onzeker bent, dan laat je een ander minder toe. Daarom is het soms nodig om de eigen groep eerst te versterken, voordat je ze meekrijgt in een diverse, grote groep.’  

Zelf heeft ze dat toegepast door haar islamitische identiteit in te zetten om contact te maken met islamitische ouders. ‘Als ik een islamitische groep wil bereiken, kan het helpen om iets te vertellen over de profeet – vrede zij met hem – over opvoeden, bijvoorbeeld. Dat opent een deur om met ouders in gesprek te gaan.’  

Daarnaast is het volgens Bouchataoui van belang dat ouders inzien wat voor invloed hun eigen gedrag heeft. ‘Ga niet aan de ouder voorbij als je bezig bent met een opvoedinterventie’, licht ze toe. ‘Mensen moeten begrijpen dat hun gedrag effect heeft op het gedrag van het kind.’  

Een praktische tip van Bouchataoui is om in flyers foto’s van kinderen van diverse achtergronden te bereiken, in plaats van foto’s van ouders. ‘Een foto van kinderen trekt altijd de aandacht, om welke ouders het dan ook gaat.’  

Het allerbelangrijkste is om altijd te controleren of je interventie wel aansluit bij de ouders die jij wil helpen. ‘Een interventie kan wel evidence based werken in Amerika, of in Leiden, maar dat wil niet zeggen dat het ook werkt voor de ouders in Rotterdam-Zuid’, zegt Bouchataoui. ‘Daarom is het belangrijk dat professionals die al jarenlang in Rotterdam werken eens samen gaan kijken wat werkt en wat niet. Er is ontzettend veel kennis en knowhow. En samen kunnen we die duurzaam inzetten: dus niet af en toe een training geven, maar echt ouders zelf laten oefenen en dat opvolgen in een langer traject.’  

Ontmoeting  

Volgens Dieneke Barendrecht van het Centrum Jeugd en Gezin in Rotterdam, is ontmoeting een van de belangrijkste manieren om ouders te ondersteunen. ‘Het gedrag van het kind is bijna universeel’, legt ze uit, ‘dus dat bindt heel erg. Als ouders zich veilig genoeg voelen om dit tijdens een bijeenkomst te bespreken, dan kunnen ze elkaar tips geven. Als je dat voor elkaar krijgt ben je, denk ik, inclusief genoeg.’  

Medboxing  

Tot slot gaf Wendy Calvino van Medboxing een korte presentatie over boksen om kinderen en jongeren te bereiken. ‘Boksen wordt gezien als agressieve sport maar dat hoeft echt niet zo te zijn’, legt ze uit. ‘We leren kinderen vanaf 7 jaar boksen, zonder fysiek contact. Maar het is wel een middel om hun energie kwijt te raken, en soms zelfs om trauma te verwerpen of als therapievorm voor het gezin.’  

Meer weten? 

Spokenwordartiest Nabil Tkhidousset maakt voorstelling over intergenerationeel trauma

Spokenwordartiest Nabil Tkhidousset maakt voorstelling over intergenerationeel trauma

Spokenwordartiest, theatermaker, podcastmaker en ondernemer: de 29-jarige Nabil Tkhidousset maakt met een missie. Met zijn culturele uitingen wil hij intergenerationeel trauma, mentale gezondheid en de schaduwkanten van het Nederlandse zorgstelsel op de kaart zetten. ‘Alleen door mijn eigen volharding vond ik therapie die bij me paste.’

Jihad an Nafs – gevecht van de ziel. Dat is de titel van Nabils eerste theatervoorstelling. Want een gevecht met zijn ziel, dat voerde hij. ‘Het stuk is – grotendeels – gebaseerd op mijn eigen leven’, vertelt Nabil. ‘Het gaat over het verwerken van intergenerationeel trauma, een trauma van je ouders of grootouders waar jij ook last van hebt. En over hoe je je weg moet vinden in de verwerking daarvan.’

Die weg was hobbelig voor Nabil. ‘Het was een hele zoektocht voor me om een therapievorm te vinden die voor me werkte’, vertelt hij. ‘Ik heb een lang proces doorgemaakt waarin ik allerlei soorten therapie geprobeerd heb. Het duurde zo lang omdat ik niet de juiste vorm vond, of geen klik had met de therapeut. Maar ook omdat ik me niet serieus genomen voelde door artsen of psychologen.’

Lichaamsgerichte therapie

In zijn jeugd was Nabil een stille, verlegen jongen. Als hij wel iets zei, deed hij dat automatisch met een glimlach. ‘Dat is nou eenmaal hoe ik ben’, lacht hij, ‘ik vertel alles met een glimlach. Ook toen ik mijn huisarts en later psycholoog vertelde over mijn depressie, over mijn zelfmoordgedachten. Maar door die glimlach werd ik totaal niet serieus genomen.’

Al kreeg Nabil op een gegeven moment wel behandelingen, ze werkten niet voor hem. ‘Ik was een jaar of 22 en bleef maar tegen een muur aanlopen in de ggz’, vertelt hij. ‘Ik moest iets vinden of ik zou er een eind aan maken. Alleen zag ik dat laatste als verliezen. Ik ben veel te koppig en te trots om daar aan toe te geven. Ik had al negen therapeuten gehad en wist echt niet meer wat ik kon doen, maar toch besloot ik verder te zoeken. Uiteindelijk kwam ik bij lichaamsgerichte therapie. Zes, zeven jaar lang heb ik iedere week die therapie gevolgd.’

Eindelijk vond Nabil een therapievorm die bij hem paste. ‘In het westen ligt de focus heel erg op het hoofd’, legt hij uit. ‘Als je de problemen in je hoofd oplost, dan is het goed. Maar trauma slaat zich op in je lichaam. Net als je hoofd, heeft je lichaam ook een geheugen. Tijdens de lichaamsgerichte therapie pakte ik zowel de mentale als fysieke kant van de trauma’s aan. Pas toen ging ik me beter voelen.’

Kwetsbaar

In Jihad an Nafs – gevecht van de ziel gaat het onder meer over deze zoektocht. ‘Wat ik schrijf en wat ik maak wil ik dicht bij mezelf houden’, legt hij uit. ‘Op die manier wordt het iets unieks, maar ook iets kwetsbaars. Door mijn verhaal te delen, hoop ik dat anderen er iets aan hebben.’

Nabil hoopt vooral biculturele jongeren te bereiken. Hij wil laten zien dat er in het theater, de literatuur en de film plek is voor hen. ‘Biculturele jongeren worden vaak op een bepaalde stereotiepe manier neergezet, op tv bijvoorbeeld’, zegt hij. ‘Daarom hoop ik dat er ook veel mensen uit de zorg, uit het onderwijs en beleidsmakers komen kijken. Hopelijk kunnen we dan uiteindelijk met z’n allen die stereotypen doorbreken.’ 

Underdogs

Nabils ambities reiken ver: hij werkt niet alleen aan zijn eigen producties, maar wil ook een platform maken voor andere ‘underdogs’. ‘Ik zou graag andere talenten een podium bieden’, legt hij uit. ‘Op mijn eigen manier zou ik talenten gaan scouten en hen laten maken wat ze willen en kunnen maken. Zo hoop ik uiteindelijk te breken met alle stereotypen over biculturele jongeren in literatuur, theater en film.’

Professionals kunnen een handje helpen met dat doorbreken van stereotypen. Om te beginnen door te luisteren naar die biculturele jongeren. ‘Ga niet al dingen invullen voor je cliënt of wie dan ook’, zegt hij. ‘Parkeer al je theorieën even. Ga leuke dingen doen, vooral als je met kinderen of jongeren werkt. Je leert iemand veel beter kennen als je activiteiten doet dan wanneer je achter je bureau je behandelplan opstelt. Natuurlijk blijft de theorie belangrijk. Het vormt de basis. Maar we moeten terug naar de menselijkheid in de zorg. Als mensen het gevoel hebben dat er naar hen geluisterd wordt, dan kom je veel eerder tot de kern.’

Jihad an nafs – gevecht van de ziel gaat op 26 november 2022 in première in Podium Islemunda. De eerste try-out is op 12 november 2022, ook in Podium Islemunda Wil je op de hoogte blijven van Nabils (schrijf)kunst? Volg hem op Instagram via @_dousset. 

Foto: Brandon Gravenberch.

Verslag Kennisatelier ‘Dikke huid en veel empathie’

Verslag Kennisatelier ‘Dikke huid en veel empathie’

Je werk niet kunnen doen omdat je man bent, een hoofddoek draagt of een donkere huidskleur hebt. In de Rotterdamse ouderenzorg komt het regelmatig voor. Cliënten weigeren soms hulp, schelden hulpverleners uit of zijn op andere manieren vervelend of bedreigend. IDEM Rotterdam deed onderzoek naar discriminatie in de Rotterdamse ouderenzorg. Tijdens het Kennisatelier ‘Dikke huid en veel empathie’ presenteerde onderzoeker Inte van der Tuin de resultaten.

Bijna twintig (zorg)professionals en andere geïnteresseerden kwamen op donderdag 21 april 2022 samen in Café Dox om te praten over discriminatie door cliënten in de Rotterdamse ouderenzorg. Tijdens dit kennisatelier presenteerde onderzoekster Inte van der Tuin de resultaten van het onderzoek ‘Groot verantwoordelijkheidsgevoel en een dikke huid’, deelden zorgmedewerkers hun discriminatie-ervaringen tijdens het werk en werd er plenair nagedacht over mogelijke oplossingen om discriminatie in de ouderenzorg tegen te gaan.

 

‘Een respondent gaf aan dat iemand ooit zei dat als zij nog een keer voor de deur van de cliënt zou staan, hij haar wat aan zou doen. En dat alleen omdat de zorgverlener een hoofddoek draagt.’ Het is een van de verhalen die onderzoekster Inte van der Tuin optekende voor het kwalitatieve onderzoek naar discriminatie in de ouderenzorg. Meer dan fysieke dreigementen, komen discriminerende verzoeken op basis van huidskleur, geloofsovertuiging, gender of seksuele oriëntatie voor. Bijvoorbeeld als een cliënt tijdens het intakegesprek specifiek vraagt om iemand zonder hoofddoek.

Thuiszorg 

In Nederland kennen we intramurale zorg (verpleeghuizen) en extramurale zorg (thuiszorg). Uit het onderzoek blijkt dat discriminerende verzoeken vooral gedaan worden in de extramurale zorg. ‘Doordat de zorg in iemands huis wordt verleend, denkt men dat zij het recht hebben om verzoeken in te dienen die vaak discriminatoir zijn’, aldus Van der Tuin. Ook gebeurt het dat de cliënt de zorgverlener wegstuurt, omdat de cliënt geen zorg wil ontvangen van iemand met bijvoorbeeld een migratieachtergrond.

In het onderzoek is ook gekeken hoe ouderenzorgorganisaties omgaan met discriminatie. De meeste leidinggevenden die zijn geïnterviewd voor het onderzoek, gaven aan dat alleen een traumatische ervaring een legitieme reden kan zijn om een discriminerend verzoek in te willigen. Denk aan seksueel misbruik door een man, waardoor de cliënt geen mannelijke zorgverlener wil. Wat verder opviel is dat enkele organisaties discriminatie niet herkennen, omdat er weinig gemeld wordt.

Respectloos

Verpleegkundige in de thuiszorg Jackeline Moreira Tavares deelde in een kort vraaggesprek haar ervaringen met discriminatie door cliënten. ‘Tijdens mijn stage kwam ik er voor het eerst achter dat discriminatie in de zorg toch wel een ding is’, vertelt Jackeline. Tijdens de opleiding was er weinig aandacht voor discriminatie in de ouderenzorg. Inmiddels herkent ze de meest subtiele vormen van discriminatie. ‘Het gaat niet alleen om nare opmerkingen die je naar je hoofd geslingerd krijgt’, legt ze uit, ‘maar ook om moeilijker te herkennen vormen van discriminatie. Zo zoeken cliënten eerder contact met witte collega’s en kijken ze mij niet aan. Of ze trekken mijn deskundigheid in twijfel, terwijl er geen enkele aanleiding voor is.’ Als haar wordt gevraagd wat dat met haar doet, haalt ze diep adem. ‘Het raakt mij enorm. Ik voel mij op dit soort momenten alleen, gedemotiveerd en ik ga dan met minder plezier naar die cliënt, omdat ik weet dat hij mij respectloos behandelt.’

De discriminatie melden doet Tavares niet vaak meer. ‘Discriminatie overkomt mij zo vaak. Heel vaak schakel ik mijn gevoel gewoon uit en verleen ik zorg. Soms vraag ik de cliënt ook waarom die een bepaald beeld heeft over mensen. Dat zorgt voor interessante gesprekken. Na zo’n gesprek zie je ze vaak ook denken en realiseren dat hun voorkeur of reactie alleen gebaseerd is op vooroordelen.’ 

Op hulp van een leidinggevende hoeft Tavares niet te rekenen. Ze zit in een zelfsturend team. ‘Alle probleem moeten wij met elkaar oplossen’, licht ze toe. ‘Maar als mijn witte collega’s mijn situatie bagatelliseren en doen alsof ik lieg, dan komen we niet tot een oplossing. Door reacties als ‘och, dat is een zieke cliënt, dat moet je hen niet kwalijk nemen’, kan ik mij ontzettend eenzaam voelen.’ 

Steun van bovenaf

Leidinggevende Elouise Tahapary zet alles op alles om haar medewerkers te ondersteunen als zij discriminatie ervaren. De gevallen melden is de eerste stap. ‘Als medewerkers merken dat ik melden belangrijk vind, dan gaan zij dat ook belangrijk vinden en sneller discriminatie melden’, legt ze uit. Wanneer Tahapary een discriminatiemelding ontvangt, plant ze meteen een gesprek in met de desbetreffende zorgverlener: ‘Vaak merk ik tijdens zo’n gesprek dat er veel meer is gebeurd dan wat de zorgverlener heeft opgeschreven.’ De hulpverleners lijken voorvallen dus al kleiner te maken dan ze zijn.  

‘Op een middag werd ik gebeld door een witte medewerker die vertelde dat een zwarte uitzendkracht enorm werd uitgefoeterd door een cliënt’, vertelt Tahapary. ‘Ik belde meteen de uitzendkracht om te vragen wat er is gebeurd en hoe het met haar gaat. Het meisje ontkende alles, er was volgens haar niets aan de hand. Pas toen ik het nogmaals vroeg, vertelde ze me dat ze bang was dat ik haar niet meer zou inzetten.’

Gelukkig is er volgens Tahapary een positieve verschuiving te zien. ‘Door het personeelstekort gaan we van ‘klant is koning’ naar het centraal stellen van de medewerker.’ Uit het onderzoek blijkt dat veel zorgverleners die discriminatie ervaren zich eenzaam voelen. ‘Daarom is het belangrijk dat ook leidinggevenden pro-actiever het gesprek aangaan over discriminatie en medewerkers ondersteunen waar nodig’, zegt ze. ‘Als alle neuzen dezelfde kant op staan, sta je sterker als organisatie.’

‘Zorg ik voor de cliënt of zorg ik voor mezelf?’

‘Zorg ik voor de cliënt of zorg ik voor mezelf?’

Gediscrimineerde medewerker in Rotterdamse ouderenzorg cijfert zichzelf weg 

‘Zorg ik goed voor de cliënt of zorg ik goed voor mezelf?’ Met dat dilemma worstelen veel medewerkers in de Rotterdamse ouderenzorg die gediscrimineerd worden vanwege hun migratieachtergrond, gender of seksuele oriëntatie. Zowel in de thuiszorg als in verpleeghuizen speelt dit. Zorgverleners willen goede zorg verlenen aan de ouderen en voelen zich dermate verantwoordelijk, dat ze hun eigen welzijn naar de achtergrond schuiven. 

Dat is een van de belangrijkste conclusies uit kwalitatief onderzoek van IDEM Rotterdam naar discriminatie door cliënten in de Rotterdamse ouderenzorg. Voor dit onderzoek zijn interviews gehouden met twaalf zorgverleners, tien leidinggevenden, vier medewerkersvertrouwenspersonen, een arbocoördinator en een kwaliteitsmedewerker. Daarnaast zijn de resultaten van een online vragenlijst voor zorgverleners in de analyse meegenomen. 

Toch iemand helpen die jou discrimineert 

Discriminatie op de werkvloer heeft impact op medewerkers, zeker wanneer zij ook op andere momenten in hun leven met discriminatie te maken krijgen. Daarbij is het extra pijnlijk om te worden gediscrimineerd door iemand die jij probeert te helpen. Vaak speelt bij deze ouderen een cognitieve stoornis, zoals dementie, een rol. Veel zorgverleners laten de discriminatie om die reden over zich heen komen, zo blijkt uit het onderzoek. Zij zien het als een teken van professionaliteit om desondanks zo goed mogelijk hulp te verlenen aan de discriminerende cliënt. 

Terughoudendheid bij melden 

Rotterdamse ouderenzorgorganisaties hebben een meldsysteem voor grensoverschrijdend gedrag door cliënten, zoals discriminatie. Ook zijn er protocollen aanwezig over hoe om te gaan met dit soort gedrag. In de praktijk wordt discriminatie door cliënten niet veel gemeld. Medewerkers praten eerder met collega’s (die soortgelijke ervaringen hebben), vrienden of familie over hun ervaringen. Als een officiële melding wordt gemaakt, wil dat vaak zeggen dat de ervaring zeer ernstig was en er al vele discriminatie-ervaringen aan vooraf zijn gegaan. 

Voor het welzijn en werkplezier van zorgverleners is het van groot belang dat er een duidelijke grens wordt getrokken. Uit het onderzoek blijkt dat begrip en steun van collega’s de impact van discriminatie verminderen, maar wanneer die er onvoldoende zijn kan discriminatie zeer negatieve gevolgen hebben. Zorgverleners kunnen bijvoorbeeld op zoek gaan naar een andere baan. 

Discriminatie ook schadelijk voor organisatie 

Een andere baan moeten zoeken terwijl je het werk leuk vindt, is kwalijk voor de zorgverlener zelf. Maar ook de continuïteit van de zorgorganisatie komt hiermee in gevaar. In de huidige krappe arbeidsmarkt is het van groter belang dan ooit om goed voor medewerkers te zorgen en hen te behouden voor de organisatie. Bij steeds meer zorgorganisaties is dan ook een verschuiving te zien: niet langer is de ‘klant koning’, maar het welzijn van de medewerker staat meer centraal. 

Discriminerende verzoeken van cliënten tijdens een intakegesprek, bijvoorbeeld een mannelijke zorgverlener afwijzen, worden niet langer getolereerd. Alleen als er een traumatische ervaring aan het verzoek ten grondslag ligt, wordt een uitzondering gemaakt. Verschillende leidinggevenden geven in de interviews aan behoefte te hebben aan een keiharde grens bij discriminatie tijdens zorgverlening. Indien een cliënt onomstotelijk en herhaaldelijk discrimineert, zouden zij de zorgverleningsovereenkomst willen ontbinden. 

Stedelijk platform voor jongerenwerkers in de maak

Stedelijk platform voor jongerenwerkers in de maak

Rotterdamse jongeren voelen zich vaak verbonden met hun wijk. Tegelijkertijd zijn ze heel mobiel en pakken ze de fiets, scooter of metro naar alle andere delen van de stad. Voor jongerenwerkers is samenwerking met andere gebieden dan ook van groot belang. Wmo radar gaat in de nieuwe welzijnsopdracht samenwerken met de gemeente Rotterdam en andere welzijnsaanbieders aan een stedelijk platform voor Rotterdamse jongerenwerkers. IDEM Rotterdam sprak met Peggy Manikus, Domeincoördinator jeugd en jongeren in Delfshaven van wmo radar, over het belang van samenwerking in het jongerenwerk.  

Zonde om iedere keer het wiel opnieuw uit te vinden, dat vond Peggy Manikus toen ze bij wmo radar begon als jongerenwerker. ‘Het viel me op dat er in verschillende gebieden verschillende aanpakken werden gebruikt’, vertelt ze. ‘Natuurlijk zijn de gebieden heel anders als het om jongeren gaan, als je kijkt naar de bevolkingssamenstelling. De gebiedsgrenzen en verschillen zijn op papier misschien heel duidelijk, maar in de praktijk loopt het allemaal in elkaar over.’

Kleine stapjes

Binnen de organisatie werd besloten om steeds meer samen op te trekken. ‘De samenwerking tussen gebieden is niet meteen heel groots opgepakt, maar in kleine stapjes opgezet’, zegt Peggy. ‘Zo begon het bijvoorbeeld met Up to you, een traject voor jongvolwassenen die moeite hebben met het vinden van een baan. Zij werden in vier weken klaargestoomd om te solliciteren, waarbij we ons netwerk van ondernemers inzetten. En dat is natuurlijk interessant voor jongeren in de hele stad.’

Up to you bleef niet het enige project dat de gebiedsgrenzen overging. ‘Ook de Powerklas+ is uitgegroeid tot een groot project’, vertelt Peggy. ‘Dat zijn lessen voor kinderen in de basisschoolleeftijd die ondersteuning nodig hebben in sociaal-emotionele vaardigheden. Dat project begon in Centrum, is daarna opgestart in Delfshaven en verder gegroeid. Collega’s uit verschillende gebieden zitten met elkaar om tafel en volgen samen trainingen. Het fijne is dat ze niet het wiel opnieuw hoeven uit te vinden, van elkaar leren, samen ontwikkelen en in het geval van de Powerklas+ voor elkaar kunnen invallen als dat nodig is, ongeacht welk gebied.’

Samenwerking tussen organisaties

Om de samenwerking niet alleen binnen een organisatie te houden, maar ook tussen verschillende organisaties te bevorderen, wordt gewerkt aan een platform voor jongerenwerkers in Rotterdam. ‘Dat is een van de leuke ontwikkelingen in onze nieuwe opdracht’, vertelt Peggy. ‘De gemeente gaat de basis ervoor leggen, waarna wij er verder mee aan de slag kunnen.’

Hoe het platform er precies gaat uitzien, is nog niet bekend. ‘Het wordt waarschijnlijk in eerste instantie een digitaal netwerk, iets waar je alles kan vinden’, vertelt Peggy. ‘Maar het zou heel leuk zijn als het ook een fysiek vervolg krijgt. Want van andere jongerenwerkers kun je ontzettend veel leren!’

Kun je niet wachten op het platform? Op www.jonginrotterdam.nl kun je nu al vinden wat wmo radar organiseert in Centrum, Delfshaven en Overschie.