Zelfstandige gemeente of deelgebied: verenigingsleven blijft in DNA van Rozenburg

Zelfstandige gemeente of deelgebied: verenigingsleven blijft in DNA van Rozenburg

Van oudsher heeft Rozenburg een rijk verenigingsleven: er is een biljartclub en een tennisclub, een carnavalsvereniging en een breiclub, een scouting en een ouderenbond. Wie een nieuwe vereniging wilde oprichten werd enthousiast onthaald en als een vereniging even financieel in de knel zat, kreeg ze bijval vanuit de gemeente. Echter, sinds Rozenburg in 2010 bestuurlijk is opgegaan in het veel grotere Rotterdam, loopt het allemaal anders. Regels zijn veranderd en worden strikter nageleefd; provisorische oplossingen zijn niet meer genoeg. Toch is Rozenburg erin geslaagd om haar rijke verenigingsleven te behouden. IDEM-redacteur Wilke Martens en Sophie van der Spek van RADAR zochten uit hoe dat is gelukt. “Geen ouderenbond meer? Dan beginnen we er toch zelf een!”

Schotse Hooglanders staan gulzig te grazen, terwijl op de achtergrond de zware industrie van de Rotterdamse haven onafgebroken doorbuldert. Rozenburg is omringd door water. Het kleine dorpje op het gelijknamige eiland is van oorsprong een agrarische gemeenschap, maar na de Tweede Wereldoorlog veranderde het in een dorp vol havenarbeiders. Inmiddels is het een plek waar natuur en industrie naast elkaar bestaan: op de landtong is volop ruimte voor groen en recreatie, terwijl in de verte de haven continu in bedrijf is. De meeste bewoners van Rozenburg werken in de haven, of bij een van de bedrijven op bedrijventerrein Pothof, maar zijn niet ‘op het dorp’ geboren. Toch wonen de meeste bewoners er al jaren en willen ze er ook niet weg. Want met nog geen dertienduizend inwoners blijft Rozenburg een dorp, of het bestuurlijk nu bij Rotterdam hoort of niet.

Rijk verenigingsleven

Rozenburg heeft van oudsher een rijk verenigingsleven. Hoeveel verenigingen er precies zijn is onduidelijk, maar volgens de laatste – overigens nog niet afgeronde – inventarisatie van welzijnsorganisatie DIA zijn het er ten minste vijftig. Van de carnavalsvereniging tot de breiclub: ze krijgen allemaal een plekje. Volgens Marjon McElligot, huidig gebiedscommissielid en voormalig raadslid van Rozenburg, zit dat in het DNA van het dorp. “We hebben hier verenigingen die al meer dan honderd jaar oud zijn”, vertelt ze tijdens een gesprek in de bibliotheek van Rozenburg, die tevens dienst doet als Huis van de Wijk. In de ene zithoek drinken ouderen een kopje koffie en maken ze een praatje, terwijl een jonge moeder bij de kasten prentenboeken uitzoekt om haar kroost mee te vermaken. Het had niet veel gescheeld of de bibliotheek was er niet meer geweest, vertelde McElligott aan het begin van het gesprek. Het stond als een van de eerste voorzieningen op de lijst om te verdwijnen na de samenvoeging met Rotterdam. Maar McElligott en haar collega’s hadden alles op alles gezet om de bibliotheek te behouden. Met succes.

“De bibliotheek, het voormalige gemeentehuis, maar vooral de verenigingen: ze vormen de binding van ons dorp”, vervolgt McElligott. “Als je over Rozenburg praat, kun je niet zeggen dat het een monumentaal dorp is, of een trekpleister vanwege de omringende natuur of iets dergelijks. Maar iedereen die hier woont zal wel zeggen dat de sociale sector heel erg sterk is.”

Muziektheater De Ontmoeting, dat is gevestigd in de oude kerk, is hiervoor illustratief, meent McElligott. “Er zitten muziekverenigingen, koren, een naaicafé, theater: daar gebeurt van alles”, zegt ze. “En het draait volledig op vrijwilligers. Rozenburg is een dorp met veel vrijwilligers en veel vrijwilligersorganisaties: dat is de kern van deze plek. We hebben dat als zelfstandige gemeente altijd gekoesterd, door presentjes of soms financieel bij te springen, al vonden sommigen dat we de verenigingen te veel verwenden.”

Die rijke traditie van verenigingen is waardevol, omdat het burgerparticipatie – het politieke ideaal sinds grofweg 2013 – alleen maar aanwakkert, zo blijkt ook uit de theorie van socioloog Erik Snel, waarin onder anderen de Amerikaanse socioloog Sampson wordt aangehaald. “Sampsons centrale stelling is dat bewoners meer participeren in lokale initiatieven en activiteiten wanneer er een traditie en een infrastructuur van private initiatieven in de buurt aanwezig zijn, zoals blijkt uit de aanwezigheid van lokale kranten, buurtorganisaties, buurtpreventieprojecten, hulpverlenings- en welzijnsinstellingen, enzovoort. Door zo’n organisatorische infrastructuur en een traditie van burgeractivisme lukt het beter om burgers te mobiliseren om actief te worden dan in buurten zonder zo’n traditie en netwerk van organisaties.” Maar wat gebeurt er als deze rijke Rozenburgse traditie van burgeractivisme voor grote uitdagingen komt te staan als gevolg van bestuurlijke veranderingen?

Van zelfstandige gemeente naar stadsgebied

De organisatorische infrastructuur en de traditie van burgeractivisme in stand houden was voor Rozenburg als zelfstandige gemeente nooit een probleem, aldus McElligott. De prijzen om een locatie te huren waren laag, subsidie aanvragen voor evenementen was eenvoudig en er werd snel een oogje toegeknepen als bijvoorbeeld met de hele straat werd gebarbecued in de openbare ruimte. Maar dat alles veranderde in 2010, toen Rozenburg van zelfstandige gemeente bestuurlijk overging in stadsgebied van Rotterdam. Voor deze overgang werd al twee jaar lang nagedacht over de toekomst van Rozenburg. Uit een onderzoek van de provincie Zuid-Holland bleek namelijk dat de openbare orde en veiligheid niet op orde waren. In een vervolgonderzoek naar bestuurskracht bleek Rozenburg ook op dat vlak niet te voldoen. Het advies van de gedeputeerde staten luidde om de zelfstandigheid op te geven. Maar waar kon Rozenburg bij aansluiten? Het tegenovergelegen Maassluis kon op de minste draagvlaak rekenen van bewoners en Rotterdam werd vooral geassocieerd met criminaliteit, mensen met migratieachtergrond en weinig groen.

Toch stemde een onwaarschijnlijk nipte meerderheid van de Rozenburgse raadsleden (acht tegen zeven) op 10 juli 2008 voor aansluiting bij de gemeente Rotterdam. Los van alle bestuurlijke hervormingen die hiermee gepaard gingen, kwam ook het verenigingsleven niet onder veranderingen uit. Onder Rotterdams bewind, bleek marktdenken veel prominenter op de agenda te staan. Verenigingen moesten – net als gemeenten zelf – vercommercialiseren: in plaats van louter subsidie te ontvangen, moet – bijvoorbeeld – een zwembad vooral zelf inkomsten genereren.

Als gevolg van deze vercommercialisering van publieke voorzieningen, konden besturen niet meer even via de ons-kent-onsgemeenschap zaken regelen. Er moest een professionaliseringsslag gemaakt worden. McElligott: “Aan de ene kant was het heel goed dat besturen zich echt moesten gaan verdiepen in hun vereniging en noodgedwongen verder professionaliseerden, maar aan de andere kant gingen sommige bureaucratische regeltjes soms te ver. Als een vereniging bijvoorbeeld een halve gymzaal wilde huren, dan kostte dat – ik zeg maar wat – vijf euro per uur. En als je een half uur eerder kwam om je spulletjes vast klaar te zetten, dan was dat geen probleem – zolang je niemand in de weg zat, natuurlijk.”

Echter, sinds de aansluiting bij Rotterdam, moeten gemeentelijke locaties kostendekkende huren rekenen. “Als je dat half uur vooraf niet gereserveerd en niet betaald hebt, krijg je de sleutel niet om je spullen klaar te zetten”, legt McElligott uit. “Niet alleen voelt dat voor de verenigingen heel onpersoonlijk en heel ‘ondorps’, maar voor sommige werden de nieuwe regels ook financieel een probleem. Voor hen was de enige manier om die hogere kosten te betalen, het tarief voor de leden verhogen. Maar dan loop je het risico dat je leden kwijtraakt, want Rozenburgers kunnen relatief gemakkelijk in Voorne-Putten gaan sporten, waar de tarieven lager zijn.”

Het lijkt een duidelijk voorbeeld van de ‘BV Nederland’, waarbij meer oog is voor de korte termijn (‘verenigingen moeten zoveel mogelijk zichzelf zien te bedruipen’), dan voor de consequenties voor de burger op lange termijn (nabije (sport)voorzieningen verdwijnen). Politicologe, oud-politica en oud-burgemeester Johanneke Liemburg licht dit mechanisme toe in haar essay Het failliet van de BV Nederland: “Het marktdenken is gericht op het korte-termijnbelang van sommige individuen (aandeelhouders) en niet op de duurzame ontwikkeling van de samenleving als geheel. De BV is financieel-economisch en niet sociaal-cultureel van aard. Door de eenzijdige nadruk op effectiviteit en efficiency worden burgers geconfronteerd met meer regels, meer formulieren, meer controle, meer kosten, zonder dat hun problemen worden opgelost.”

Binding met omliggende gemeenten

De noodzaak om Rotterdam-conforme tarieven te hanteren, bleek voor verenigingen al snel een groot probleem. Hoe kun je leden behouden als ze een paar kilometer verderop – maar in een andere gemeente – hetzelfde kunnen doen voor minder geld? “Gelukkig konden we dit probleem vrij snel met de gemeente Rotterdam bespreken”, zegt McElligott. “Want als je hier strikt de tarieven uit Rotterdam zou hanteren, zouden het zwembad en de sporthal leegstaan.” Rotterdam bleek op voor Rozenburg cruciale punten bereidwillig om water bij de wijn te doen. “Allereerst wil niemand dat die gebouwen leeg komen te staan”, zegt McElligott. “Maar vooral wilden wij – en gelukkig ook gemeente Rotterdam – dat we zulke voorzieningen gewoon voor ons eigen gebied konden behouden.”

Behoud van voorzieningen specifiek voor Rozenburg, lijkt vooral van belang vanwege het gebrek aan binding met Rotterdam. Rozenburgers voelen niet alleen weinig binding met de stad vanwege de geografische afstand en slechte ontsluiting met het openbaar vervoer, maar ook is er een culturele afstand. “De gerichtheid op en identificatie met Rotterdam is beperkt en men voelt zich achtergesteld door het gemeentebestuur”, zo staat te lezen in het rapport van Regioplan. Snel et al. (2018) bevestigen dat mensen die meer ingebed zijn in de buurt, door contacten en verbondenheid, eerder geneigd zijn deel te nemen aan buurtactiviteiten.

McElligott herkende tijdens de overgangsfase duidelijk de problemen die de fysieke en mentale afstand tot het stadhuis opleverde voor verenigingen. “Het gaf in eerste instantie best wel wat moeite”, zegt ze. “Het is de meeste besturen gelukt om door te gaan. Maar, laten we eerlijk zijn, er waren ook bestuursleden die niet konden omgaan met ‘administratieve rompslomp en bureaucratisch gedoe’. In die gevallen zijn er wel nieuwe bestuursleden gekomen die het stokje hebben overgenomen. We zitten nu weer in rustig vaarwater, maar het was een tijdje niet niks.”

Tussen wal en schip: de scouting

De scouting van Rozenburg was een van die organisaties waar het bestuurlijk even tegen zat. Met man en macht is geprobeerd geld bij elkaar te sprokkelen om het hoofd boven water te houden. “De afgelopen periode hebben we hard moeten werken voor het voortbestaan van de vereniging”, legt Bart van Harten, de huidige voorzitter van de scouting, uit. “Er zijn de afgelopen jaren wat wisselingen in het bestuur geweest, omdat sommigen voorheen wat steekjes hebben laten vallen. Denk dan aan subsidies die niet op tijd zijn aangevraagd, waardoor we nu achter de feiten aanlopen. We doen nog steeds hard ons best om ons hoofd boven water te houden, nog altijd verkeren we in zwaar weer door oude schulden.”

Het feit dat de scouting letterlijk in twee gemeentes gevestigd is, maakt het er niet gemakkelijker op. De scouting van de Albert Schweitzer Groep heeft namelijk een zeeverkennerslocatie, die gevestigd is in Brielle, en een landtak met de locatie op Rozenburg. “Op zich is het geen probleem dat we twee locaties hebben”, zegt Van Harten. “Maar je moet wel wat meer moeite doen om de locaties draaiende te houden. Als we subsidie aanvragen bij landelijke partijen, dan vragen we die aan voor de vereniging – ongeacht de locatie. Maar voor specifieke aanvragen, moeten we de ene keer aankloppen bij gemeente Rotterdam en de andere keer bij gemeente Brielle.”

De bijzondere constructie lijkt voor de leden echter niets uit te maken: de instroom blijft op peil. “Rozenburg is geen grote gemeenschap, dus je hebt al vaak vriendjes of klasgenootjes van leden die ook willen meedoen”, zegt Van Harten. “Genoeg vrijwilligers vinden om leiding te geven, is een ander verhaal. Je kan niet zomaar vijftig kinderen bij drie volwassenen zetten, dus we moeten de instroom wel reguleren. Ouders springen vaak bij als er activiteiten zijn of klusjes, maar bestuursleden of actieve leiding vinden: dat is lastig in een klein dorp als Rozenburg. En wat dit betreft is Rotterdam toch echt te ver weg, daar hebben ze bovendien hun eigen scoutingverenigingen.”

Vaste vrijwilligers vinden mag dan lastig zijn, aan betrokkenheid van de Rozenburgers zelf ligt het niet. Tijdens de coronacrisis hebben bewoners de scouting uit de financiële nood geholpen: dankzij een wafelactie van een van de leden kan de vereniging weer heel even rondkomen. Maar ook voor corona was de betrokkenheid al groot. “We zijn heel blij dat lokale ondernemers vaak met ons meedenken”, zegt Van Harten. “Als we een activiteit organiseren, sponsort bijvoorbeeld de lokale supermarkt wat eten en drinken. Soms is het wat schipperen tussen wal en kade, maar gelukkig zijn er veel mensen die met ons meedenken – ook van de gebiedscommissie.”

Gebrek aan vastgoed

Hoe hard de gebiedscommissie ook haar best doet om met de verenigingen en organisaties mee te denken, soms lopen ook gebiedscommissieleden tegen beperkingen aan. Voorzieningen verdwijnen namelijk niet alleen om demografische of economische redenen, maar vooral door een dreigend tekort aan maatschappelijke huisvesting. “Sommige verenigingen of bewonersinitiatieven zijn genoodzaakt de handdoek in de ring te gooien”, zegt McElligott, “simpelweg omdat er geen plek is.” Zo verkeerde de biljartclub in zwaar weer. “Het pand waar de biljartclub is gevestigd, dienstencentrum Het Anker, wordt gesloten”, vertelt McElligot. “De biljartclub moet dus uit het gebouw, dat zorgverlener Careyn heeft afgestoten om kosten te besparen. De vereniging ging hard op zoek naar iets anders, maar het is niet zo eenvoudig om drie of meer van die flinke biljarttafels zomaar ergens anders te plaatsen. Er moet echt een permanente oplossing gevonden worden.”

McElligot wijst daarbij op het sociale aspect van de biljartclub, dat met het pand verloren zou gaan. “De club telt ongeveer tachtig leden, vooral mannen, en doen mee aan regionale wedstrijden. Ze maken dagelijks gebruik van de ruimte, waar ook een barretje in zat. Zie maar een nieuwe maatschappelijke locatie te vinden waar de biljarttafels in passen en waar een barvergunning op gegeven kan worden. Ze hadden tijdelijk in de oude sporthal terecht gekund, maar die staat op de slooplijst. Bovendien kan hier de bar niet in en is het niet geschikt om bezoekers te ontvangen als er een wedstrijd wordt gespeeld. Daarom zijn ze nog altijd op zoek naar een geschikte locatie.”

De biljartclub is niet de enige die lijdt onder het gebrek aan ruimte, al kunnen andere verenigingen zich wat flexibeler opstellen. “Zo kon handbalvereniging Indus op een gegeven moment alleen nog maar buiten trainen, omdat ze de kantine niet konden betalen”, legt McElligott uit. “Dat was een aderlating, maar ze gingen gewoon door. Uiteindelijk zijn ze gaan samenwerken met de Smooksnuivers, de lokale carnavalsvereniging. Door de kantine te delen – en dus ook de kosten daarvoor – konden ze allebei hun activiteiten voortzetten. Er moest alleen een bijzondere constructie op papier verzonnen worden, want officieel mogen een sportvereniging en een carnavalsvereniging niet samenwerken. Carnaval heeft immers weinig met sport te maken. Door bemiddeling van de gebiedscommissie lukte het dan toch om het contractueel voor elkaar te krijgen, maar dat soort procedures duren gewoon ontzettend lang.” 

Succesverhaal: ouderenbond neemt heft in eigen handen

Ondanks nieuwe regels, gebrek aan vastgoed en afstand tot het stadhuis, lijkt Rozenburg erin geslaagd haar bewoners tevreden te houden over de voorzieningen. Hoewel het voorzieningenniveau objectief gezien nagenoeg gelijk is gebleven (met een score van 66 in 2014 ten opzichte van 65 in 2020), zijn Rozenburgers in de loop van de jaren een stuk tevredener geworden over het voorzieningenniveau. Waar in 2014 slechts 34 procent van de huishoudens tevreden was over het aanbod aan voorzieningen tezamen, is dit in 2020 gestegen naar 54 procent. Alleen een bank, postkantoor en betere ov-aansluiting wordt door de meerderheid van de Rozenburgers gemist (Cijfers: gemeente Rotterdam; OBI, Wijkprofiel 2014-2016-2018-2020).

Ondanks de opgelegde ‘marktwerking’ van zowel lokaal bestuur als organisaties en gebrek aan maatschappelijk vastgoed, lijkt de traditie van burgeractivisme en het ‘DNA van Rozenburg’ waar het verenigingsleven in gekerfd staat de overhand te houden. Natuurlijk geeft een enkele vereniging het op, maar de meeste lijken er linksom of rechtsom in te slagen om op de been te blijven. Soms doen ze dat door de samenwerking op te zoeken, soms door gewoon zelf de organisatie over te nemen als bewoners, zoals de Ouderenvereniging Rozenburg met groot succes deed.

Nadat de lokale afdeling van de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen (ANBO) in 2016 wegviel door herindeling en afgetreden bestuurders. In plaats van een wekelijkse activiteit van de lokale afdeling, bleef er met geld van de landelijke ANBO slechts ruimte voor een of twee activiteiten per jaar. Veel te weinig, vonden Harry van den Ende en Fanny Zuur. Ze peilden de interesse voor een nieuwe ouderenvereniging en op 14 januari 2016 werd de oprichtingsakte ondertekend bij de notaris. Inmiddels heeft de vereniging meer dan tweehonderd leden, organiseren ze wekelijks activiteiten en bieden ze hulp bij administratie of rijbewijskeuring. “We doen ontzettend veel”, vertelt Zuur. “Eens per maand organiseren we een bingo, op donderdagochtend organiseren we line-dance, we hebben filmavonden en spelletjesmiddagen voor jong en oud – die we samen met welzijnsorganisatie DIA hebben opgezet. Daarnaast organiseren we allerlei andere activiteiten, zoals een gezondheidsmarkt of de Dag van de Ouderen, ieder jaar op 1 oktober.”

Daarnaast ondersteunen de vrijwilligers van de Ouderenvereniging Rozenburg ook op andere manieren. Zo dienen ze als vraagbaak voor ouderen of spelen ze klachten door naar de gemeente – bijvoorbeeld over ontoegankelijke stukken in de openbare ruimte. Bovenal geven Van den Ende en Zuur de gebiedscommissie gevraagd en ongevraagd advies en vormen ze een schakel tussen burgers en gemeente. “Op een dag kwam ik terug van een bedevaart en moest ik ’s avonds naar de gebiedscommissie”, vertelt Zuur. “Ik had er eigenlijk geen zin in, maar ik heb me toch bij elkaar geraapt en ben gegaan. Daar werd ik meteen aangesproken: ‘Oh Fan, jou moet ik hebben.’ Later was ik toch blij dat ik gegaan was, want ze wilden ons betrekken bij een pilot voor de buitengebieden.”

Hoe goed het ook gaat met de ledenaantallen, de activiteiten en de adviesfunctie aan de gemeente, ook de Ouderenvereniging kampt met het gemis van een eigen locatie. “We zaten eerst in een pand van Careyn, de zorgorganisatie”, legt Zuur uit, “maar zij hebben dat afgestoten omdat het te duur werd. Van meerdere verenigingen horen we dat er behoefte is aan een eigen stek. Maar het gaat ook om de centen, dus misschien moeten we samen met een andere vereniging iets huren. Er staat hier een school met zes lokalen leeg, daar kunnen we een gezamenlijk verenigingshuis in maken. Zo’n lokaal, dat zie ik best wel zitten.”

Geraadpleegde bronnen:

Racisme in de ouderenzorg: het verhaal van Yuna

Racisme in de ouderenzorg: het verhaal van Yuna

In 2019 werd landelijk veertig keer melding gemaakt van racisme in de zorg bij antidiscriminatiebureaus. In Rotterdam zijn slechts vijf incidenten geregistreerd. Racisme in de zorg lijkt nog sterker ondergerapporteerd dan racisme in andere sectoren. Bij veel zorginstellingen lijkt een zwijgcultuur te bestaan als het om misstanden gaat: het management wil de instelling niet in kwaad daglicht zetten en medewerkers zijn bang om hun baan te verliezen. De 33-jarige Yuna wil deze zwijgcultuur doorbreken. Haar leven is kapotgemaakt door dag in dag uit te moeten kampen met discriminerende ouderen en hun racistische familieleden, ondanks de goede zorg die zij probeerde te leveren. Haar leidinggevende adviseerde haar alles te negeren. Door haar verhaal te delen, hoopt Yuna andere zorgverleners die met racisme te maken krijgen aan te moedigen ook op te staan. IDEM-redacteur Wilke Martens tekende daarom haar verhaal op. Een waarschuwing voordat je verder leest: dit verhaal bevat expliciete beschrijvingen van het racisme waar Yuna mee te maken heeft gehad.

N***r, n***r, n***r, n***r, n***r![1] Zodra Yuna de kamer van meneer De Vries binnenloopt, begint het geschreeuw. Snel loopt ze naar het keukentje om koffie te zetten en ontbijt klaar te maken voor de oude man. Vanuit de kleine woonkamer, waar meneer De Vries in zijn leunstoel voor de televisie zit, hoort ze het gevloek doorgaan. Yuna wacht in de hoek van de keuken tot de koffie is uitgeprutteld. Zachtjes zingt ze een liedje, om het gescheld niet te hoeven horen. Ze maakt twee bruine boterhammen met kaas, schenkt koffie in een mok en zet alles op een dienblad. Na een diepe zucht loopt ze met het eten de woonkamer in. Zo rustig mogelijk zet ze het op het bijzettafeltje naast meneer De Vries’ stoel. Hij kijkt haar aan met vurige ogen. ‘N***r, n***r!’, begint het geroep opnieuw, nu recht in haar gezicht. Snel loopt Yuna naar buiten. Zodra ze de deur achter zich sluit, hoort ze dat het stil wordt in de woonkamer.

Van de tien autochtone bewoners op de Nederlandse woongroep in het kleinschalige zorgcentrum in Rotterdam-Zuid, uiten zich er twee ronduit racistisch. Iedere dag weer. De 33-jarige zorgmedewerker Yuna laat het over zich heen komen. Iedere dag weer. Ze weet dat deze mensen er niet zoveel aan kunnen doen. Niet alleen zijn deze ouderen opgegroeid in een Nederland waar amper mensen van kleur woonden, ook zorgt hun dementie ervoor dat gedragsnormen vervagen. Ze weten niet meer zo goed wat aanvaardbaar is en wat niet. Deze ouderen zijn ziek en als zij racistische dingen zeggen, kunnen ze daar niet echt iets aan doen. Dat heeft ze geleerd tijdens haar opleiding tot verzorgende, vier jaar geleden.

Alles voor de kinderen

Hoe erg de dagelijkse discriminatie[2] haar ook raakt, Yuna probeert zo goed mogelijk haar werk te doen. Eigenlijk vindt ze het werk heel erg leuk. Ze is er nog goed in ook, al was werken in de ouderenzorg nooit haar meisjesdroom. De andere acht bewoners van de Nederlandse woongroep lopen met haar weg. Bij hen is het altijd gezellig als ze aan het werk is. Ze drinken samen koffie en kletsen honderduit, zingen liedjes, spelen soms een spelletje. Er wordt zelfs wel eens gedanst. Toen mevrouw Janssen onverhoopt naar het ziekenhuis moest, liet Yuna haar kinderen bij de buren achter om aan haar ziekbed te zitten. Mevrouw Janssen voelde als familie voor haar, als een oma. Vreselijk miste ze familiebanden. Haar eigen familie woont in Zambia. En de familie van haar man? Nee, die moest niks van haar hebben. Sinds zij en haar man getrouwd zijn, horen ze bijna nooit meer wat van de familie. Alleen haar schoonouders nemen wel eens contact op, maar vooral voor de kinderen. Hun kleinkinderen, ja, daar waren haar schoonouders dol op. Maar op haar? Nee, haar zouden ze het liefst in een vliegtuig terug naar Afrika zetten. Als ze de kinderen – en hun paspoorten natuurlijk – maar hier liet.

Vaak denkt Yuna aan haar kinderen. Dat helpt haar om de werkdag door te komen. Het helpt om de beledigingen van de dementerende bewoners te incasseren. Voor hen kan ze dit doorstaan. Ze moet wel. Ze heeft haar salaris nodig om hen te voeden en te kleden, om hun schoolgeld te betalen. En hopelijk, als ze goed genoeg spaart, om in de nabije toekomst groter te gaan wonen. Samen met haar man, twee kinderen, en een derde kindje.

Hoe het begon

Zambia, zeven jaar eerder. Yuna werkt hard aan haar carrière als zangeres. Ze heeft al talloze optredens gedaan en ze is zelfs al twee keer door Nederland op tournee geweest met een muzikaal theatergezelschap. Maar haar ambitie is groter. Ze wil niet langer alleen maar opdraven in het buitenland als mensen een zoveelste vertolking van ‘Pata Pata’ willen horen. Ze wil haar eigen keuzes maken. Ze wil haar eigen nummers maken. Haar eigen stem laten horen.

Daarom is ze hier. Op een internationale muziekworkshop, waar zangers en muzikanten samenkomen. Hier ontmoet ze Johan. De Nederlandse muzikant valt als een blok voor haar. Ze worden verliefd en Yuna komt op een tijdelijk visum naar Nederland. Niet veel later raakt ze zwanger van hem. Voor Johan is er geen twijfel: hij houdt van haar, hij wil met haar een gezin stichten en vraagt haar ten huwelijk. Yuna zegt ja.

Als Yuna’s toeristenvisum afloopt, keert ze terug naar Zambia. Terwijl Johan alles regelt voor het huwelijk, begint Yuna aan lessen Nederlands. Ze keert terug op een tijdelijk visum om in Nederland te kunnen bevallen. Hun zoontje wordt geboren, ze trouwen en ze keren nog één keer terug naar Zambia om ook daar hun bruiloft te vieren. Wanneer Yuna slaagt voor haar inburgeringsexamen, komt ze opnieuw naar Rotterdam. Voorgoed, dit keer.

Yuna heeft er zin in. Ze geniet van haar man en zoon en probeert ondertussen ook in Nederland haar zangcarrière van de grond te krijgen. Tegelijkertijd realiseert ze zich dat zingen geen stabiel inkomen oplevert, terwijl ze graag financiële zekerheid wil om haar kinderen een goede toekomst te kunnen bieden. Daarom begint ze aan de opleiding tot verzorgende niveau 1. Het studeren gaat goed, dus leert ze nog twee jaar door voor verzorgende niveau 2. Yuna loopt stage op verschillende plekken, maar geen was er zo leuk als verzorgingshuis De Appel. Yuna werkt op een multiculturele groep, waar iedereen zich thuis voelt. Met veel plezier gaat ze iedere dag aan het werk in het grote verzorgingshuis. Als ze na afronding van haar studie te horen krijgt dat ze bij De Appel kan blijven werken, kan ze haar geluk niet op. Het gaat om een andere locatie, maar die is dichterbij haar huis. Geweldig, zo kan ze na werk sneller bij haar kinderen zijn. En de woongroepen zijn nog kleinschalig ook, kan dat niet alleen maar beter zijn dan dat massale verzorgingshuis?

Tot slaaf gemaakt

“Hey zwartje, ga eens koffie voor ons zetten!” De zoon van mevrouw Wildschut is de woonkamer nog niet binnen, of hij brult al naar Yuna. Achter hem aan komen zijn vrouw, zus, schoonzoon en twee grote honden binnen. Het is acht uur ’s ochtends. Zodra de deuren van het zorgcentrum opengaan, staat de familie voor de deur. Hoewel bezoek alleen is toegestaan in de kantine, beneden bij de receptie, lopen ze steevast door naar boven. Geen medewerker die er iets van zegt. Yuna is bezig ontbijt klaar te maken voor mevrouw Wildschut. Als ze het bord voor mevrouw neerzet, pakt haar zoon het af en gooit het eten in de prullenbak. Hij pakt een schaaltje, spuit het vol met slagroom uit een spuitbus en geeft dat aan zijn moeder. “Maak eten dat zij wil eten”, blaft hij Yuna toe.

Ze ontbeert de energie om de familie weg te sturen. Yuna heeft al zo vaak geprobeerd deze mensen te wijzen op hun asociale gedrag, ze kan het niet langer opbrengen. Meerdere keren per week bezorgen ze haar kopzorgen, net als de familie van meneer De Vries. Niet alleen overtreden ze de huisregels van het zorgcentrum, ook schelden ze haar steeds uit met racistische benamingen. Zwarte piet, het n-woord, slaaf: ze krijgt het allemaal over zich heen. In het begin probeerde ze voor zichzelf op te komen. Vriendelijk, zoals ze tijdens haar studie had geleerd. “Meneer, zou u me alstublieft bij mijn eigen voornaam kunnen aanspreken?”, vroeg ze rustig als er weer eens ‘zwarte piet’ naar haar geroepen werd. “Dat doe ik toch”, kreeg ze dan terug.

Meerdere keren probeerde ze de familie te doordringen van de pijn die hun opmerkingen en gedrag veroorzaakten. Niet alleen bij haar, maar ook bij haar islamitische collega’s van andere afdelingen. Ook zij kregen het zwaar te verduren als de familie door het pand liep. Niets hielp. Niemand hielp.

Aanvankelijk probeerde Yuna de verwensingen te negeren, zoals haar teamleider haar altijd adviseerde. Ze weet het nog goed, al op haar eerste werkdag kreeg ze het advies. Priya, de teamleider, gaf een rondleiding door het complex, waar op zes woongroepen mensen van vijf verschillende culturele afkomsten leven. Elke cultuur heeft een aparte woongroep: een Marokkaanse, een Turkse, een Hindoestaanse, een Afro-Caribische en twee Nederlandse groepen. Op iedere afdeling werkt personeel met dezelfde culturele achtergrond als de bewoners. Althans, dat is de bedoeling. Yuna, hoewel van Zambiaanse komaf, werd op de Nederlandse groep aan het werk gezet. “Dit is Yuna, jullie nieuwe vaste verzorgende”, kondigde de teamleider opgewekt aan. De autochtone bewoners heetten haar welkom. Behalve mevrouw Wildschut, zij haalde haar neus op: “Wat komt zij doen op een Nederlandse groep?” De teamleider negeerde de opmerking. Yuna zocht er niet veel achter. De teamleider had de discriminerende opmerking vast niet gehoord. Zoiets zou ze anders nooit over haar kant laten gaan, ze was immers zelf van Hindoestaanse afkomst…

Maar de teamleider had de opmerking wel degelijk gehoord. Na de rondleiding nam ze Yuna apart: “Kijk, dit is nou Nederland. Als zwarte ben je gewoon niet gelijk. Ze kijken op je neer en zien je als hun zorgslaafje. Als je er wat van zegt, dan ben je agressief en gaan ze klagen bij de directie. Je kan het dus maar beter negeren allemaal. Probeer het van je af te laten glijden.” Yuna had geknikt, voordat de boodschap goed tot haar was doorgedrongen. Tijdens haar stage had ze zoveel positieve ervaringen opgedaan, dat ze alleen maar zin had om aan het werk te gaan. En de teamleider is zelf van kleur. Zij zegt nergens iets van, dus zo erg kan het toch nooit zijn? En de moslimmeisjes, die lopen toch ook allemaal met een lach op hun gezicht?

Stond erbij en keek ernaar

“Je moet iets doen, dit gedrag kan je echt niet langer accepteren.” De agent kijkt Yuna bezorgd aan. “Je organisatie doet niks. Je teamleider, je collega’s: iedereen staat maar stil en kijkt ernaar. Je moet echt iets doen nu.” Yuna staat nog te trillen op haar benen. De situatie liep deze zondag zo erg uit de hand, dat de familieleden van mevrouw Wildschut zelfs met de politie op de vuist waren gegaan. Enkele van hen zaten weer op de woongroep, waar ze niet mochten zitten. De teamleider van een andere groep, een Caribische vrouw, sprak hen hierop aan. De familie weigerde te gaan. Ze scholden de vrouw uit en gedroegen zich intimiderend. Er waren maar weinig collega’s aanwezig om te helpen, dus schakelde Yuna de politie in toen het fysiek dreigde te worden. De wijkagent was inmiddels kind aan huis bij het zorgcentrum, het was de zoveelste melding over de familie. Maar vanwege onenigheid onder medewerkers (‘Kon je de familie van een bewoner überhaupt wegsturen?’), deed de politie niks.

De volgende dag maakt Yuna een afspraak bij het politiebureau om aangifte te doen van discriminatie. Ze is op. Al zo vaak heeft ze de familieleden verzocht om een klein beetje rekening met haar te houden. Ze had als een hond in de hoek van de woonkamer zitten wachten tot de familie weg was. Zoveel racistische, denigrerende opmerkingen had ze geslikt. Het gescheld had ze steeds weer proberen te negeren. Allerlei vormen van intimidatie had ze te verduren gekregen. Keer op keer had ze bij Priya aan de bel getrokken over de onhoudbare situatie. Iedere keer had zij geantwoord dat ze het moest negeren, dat ze ermee moest leren omgaan, dit is Nederland, accepteer het maar gewoon. Maar ze kon niet meer. Hoe kan je dit accepteren? Hoe kan je dit normaal vinden? Al drie keer had Yuna met een ontslagbrief voor Priya’s neus gestaan, maar steeds vroeg de teamleider haar alsjeblieft te blijven. Er was al een groot personeelstekort. En de andere acht bewoners dan, die kon ze toch niet zomaar in de steek laten?

Yuna blijft, maar besluit wel de aangifte door te zetten. Als haar teamleider haar niet kan helpen, dan maar het rechtssysteem. Dus vertrekt Yuna met haar man naar het politiebureau in Rotterdam om aangifte te doen van discriminatie, tegen mevrouw Wildschut en haar familie, tegen meneer De Vries en zijn familie, tegen Priya en tegen de organisatie. Ze zullen er werk van maken, belooft de agent.

Vertrouwenspersoon

“Wat er met jou gebeurt is schandalig.” Eindelijk lijkt iemand Yuna te begrijpen. Het is een opluchting om met de vertrouwenspersoon in gesprek te gaan. Na talloze keren te zijn afgewimpeld door haar teamleider Priya, lijkt het er eindelijk op dat Yuna hulp krijgt. Niet alleen kan ze terecht bij de vertrouwenspersoon, ook heeft het management om haar te beschermen overgeplaatst naar de andere Nederlandse groep. Het voelt een beetje dubbel: zouden niet de discriminerende families overgeplaatst moeten worden in plaats van zij? En waarom wordt pas actie ondernomen als er een aangifte ligt?

Toch gaat Yuna vol hernieuwde energie weer naar De Appel. Ze kijkt uit naar het tweede gesprek met de vertrouwenspersoon. Maar zodra ze op werk aankomt, krijgt Yuna een brief in handen gedrukt. Het is een officiële waarschuwing van het management: als ze nog een keer de fout ingaat, wordt ze op staande voet ontslagen. Yuna begrijpt er niets van. Wat heeft ze verkeerd gedaan?

De twijfel slaat weer toe. Al maanden liep Yuna met het gevoel rond er alleen voor te staan. Niemand zou haar helpen. Yuna werd neerslachtig.[3] Haar leven viel haar steeds zwaarder. Vaak kwam ze huilend thuis van werk. Ze dacht zelfs dat de dood een oplossing zou kunnen zijn. Ze kon maar beter verdwijnen, dan was alles tenminste voorbij. Maar ze kon niet verdwijnen zonder dat haar kinderen, als ze wat ouder waren, zouden begrijpen waarom ze hen had achtergelaten. Haar kinderen moesten weten wat ze had doorstaan. Zij  moesten weten in welke wereld Yuna niet langer kon leven, de wereld van dagelijkse racistische haat, gescheld en getreiter. Daarom zette ze op een dag haar telefoon op het aanrecht. Met de camera aan.

De waarschuwing moet iets met de vertrouwenspersoon te maken hebben, concludeert Yuna. Dat kan niet anders. In het eerste gesprek had ze verteld dat ze video-opnamen had gemaakt. Terwijl Yuna ervan uitging dat ze alles in alle eerlijkheid kon vertellen, bleek Priya de volgende dag al op de hoogte te zijn van de opname. Ook dat Yuna aangifte had gedaan, was de teamleider ter ore gekomen. Priya legt uit dat de coach Waardigheid & Trots haar heeft ingelicht. Ze sommeert Yuna de beelden te verwijderen en eist dat de aangifte ingetrokken wordt. Met mediation kunnen ze het onderling wel oplossen. Yuna is verbijsterd. Tegen haar was toch verteld dat ze een gesprek met een vertrouwenspersoon zou krijgen? Hoe kan alles nu op tafel liggen? En eigenlijk wil ze de aangifte helemaal niet intrekken; discriminatie is toch verboden in Nederland? Dan heeft ze toch een sterke zaak? Maar ook denkt ze aan haar kinderen. Ze wil haar baan niet verliezen, dus geeft Yuna toe. Ze voelt zich als een slaaf, zo mak als de slaven die ze in films heeft gezien. Zonder morren geeft ze haar telefoon aan haar teamleider. Priya belt de politie en trekt de aangifte in.

De lange mannen

“Ze zijn je aan het achtervolgen, de lange mannen. Pas goed op jezelf.” Priya lijkt niet de enige die op de hoogte is geraakt van de filmopnamen en de aangifte. De familieleden van mevrouw Wildschut achtervolgen Yuna als ze na een dienst naar huis gaat. De moslimmeisjes hebben het gezien. “Waarschuw je man”, vertellen ze Yuna. “Zeg hem dat hij je komt ophalen. Als je na een avonddienst alleen naar huis gaat, dan zullen de lange mannen je in elkaar slaan. Je zou niet de eerste zijn.” Dus komt Johan haar iedere avond ophalen. Samen met de kinderen, die nog te jong zijn om alleen thuis te blijven.

De overplaatsing naar de andere afdeling was een oplossing van niks. Niet alleen voelde het voor Yuna alsof het probleem bij haar werd gelegd, maar daarbovenop werd de intimidatie door de familieleden alleen maar erger. Als ze bij vader of moeder op bezoek waren geweest, liepen ze zo naar Yuna toe via de balkons die de twee afdelingen met elkaar verbinden. “Hey zwartje, wat denk je te bereiken met die aangifte? Je gaat alles verliezen, meisje. Tegen de tijd dat we met jou klaar zijn, gaan we naar de andere buitenlanders die ons land overnemen. Jullie gaan je ons herinneren voor de rest van je leven.”

Ze staken hun tong naar haar uit. Ze spuugden voor haar op de grond. Ze riepen haar na dat ze lelijk en vies was. Ze bedreigden haar. Yuna voelde zich klein. Ze kwamen steeds met velen tegelijk op bezoek. Haar collega’s durfden er ook niets tegen te doen. De teamleider deed nog steeds niets aan de onhoudbare situatie. Het enige waar Priya mee bezig leek te zijn, was haar eigen baan veiligstellen. Nadat Yuna naar de politie was gestapt maakte Priya verslagjes van gesprekken die ze met Yuna gehad zou hebben. Meestal was Yuna het niet met de verslagen eens, ze gaven een te rooskleurig beeld. Zo zou Priya al van alles gedaan hebben om de situatie te verbeteren. Eens of niet, Yuna moest de verslagen wel ondertekenen, anders mocht ze niet aan het werk die dag. Dan zou ze minder salaris krijgen en de volgende maand te krap zitten.

Gebroken

Yuna heeft er genoeg van. Ze moet weg bij De Appel, anders wordt het haar dood. Na drie maanden op de nieuwe afdeling neemt ze alsnog ontslag. Deze keer echt. Op advies van de politie neemt ze contact op met antidiscriminatiebureau RADAR om haar te helpen. Na verschillende gesprekken tussen de klachtbehandelaar, Yuna en de organisatie komt er een interne zitting bij de Klachtencommissie Ongewenst Gedrag van De Appel, anderhalf jaar nadat ze voor het eerst een melding van discriminatie maakte bij Priya. De commissie verklaart Yuna’s klachten gegrond, maar de teamleider bleek er al niet meer te werken. De organisatie heeft fouten gemaakt, ze beloven beterschap. Ook de aangifte wordt heropend, maar al snel wordt deze door de officier van justitie ‘op de plank gelegd’ omdat meneer De Vries en mevrouw Wildschut inmiddels overleden zijn. Tegen de familieleden of de zorginstelling kan het openbaar ministerie nu niets meer beginnen, zo luidt de uitleg.

En Yuna? Voor haar veranderde dit niets. Zij zit nog steeds thuis, zonder baan. Nog steeds gebroken. Yuna voelt zich geen mens meer. In een paniekaanval had ze zelfs haar lange haar afgeknipt. Als ze haar dreads maar zou afknippen, dan zou ze alle problemen wegknippen. Haar man had haar gevonden. Urenlang had ze op de vloer gelegen, met haar dreads in een waaier om haar heen. Depressief en getraumatiseerd. Niemand vroeg of ze haar baan terug wilde. Niemand sprak over financiële compensatie voor de geleden schade. Niemand vroeg hoe het nu met haar ging.

Lang zal het duren voordat Yuna opnieuw vertrouwen krijgt in de Nederlandse samenleving. Diep in haar hart weet ze dat niet iedereen ‘zo’ is, maar herstel heeft tijd nodig. Wat haar het meeste heeft geraakt is dat zoveel mensen bleven toekijken. Hoe iedereen bewegingloos bleef kijken terwijl zij vernederd werd. Ze begrijpt het wel, ergens. Iedereen is bang om zelf slachtoffer te worden. Of hun baan te verliezen. Maar zelf zou ze nooit kunnen zwijgen als ze getuige is van onrecht. Haar moeder heeft haar geleerd om voor zichzelf op te komen. En dat zal ze altijd blijven doen, waar ter wereld ze ook is.

Heb je hulp nodig na het lezen van dit verhaal?

Yuna heeft haar verhaal bewust gedeeld. Ze hoopt anderen die zich gediscrimineerd voelen de moed te geven om zich ook uit te spreken. Want als iedereen maar blijft toekijken, uit angst, of onbegrip, of welke reden dan ook, dan verandert er niets. Dan blijven mensen als de familie Wildschut en familie De Vries vrij baan houden. Dan blijven racistische opmerkingen ‘normaal’. En een wereld waarin racisme normaal gevonden wordt, die wereld wil ze niet. Niet voor zichzelf, niet voor anderen en zeker niet voor alle kinderen.

Heb je na het lezen van dit verhaal behoefte om met iemand te praten? Wil je een melding maken van racisme of ondersteuning krijgen bij een aangifte of officiële klacht? Neem dan contact op met antidiscriminatiebureau RADAR.

Uit privacyoverwegingen zijn de namen in dit artikel gefingeerd.


[1] Waarom is het ongepast om het n-woord te gebruiken? Schrijver Ta-Nehisi Coates legt het in dit artikel uit.

[2] Meer lezen over alledaags racisme? Lees dit artikel over de herwaardering van het werk van Philomena Essed.

[3] Neerslachtigheid is een bekend gevolg van arbeidsdiscriminatie. Zie ook het artikel Arbeids(markt)discriminatie en Psychosociale arbeidsbelasting.

Van kostwinner tot huisvader: vaderbetrokkenheid in Hoogvliet

Van kostwinner tot huisvader: vaderbetrokkenheid in Hoogvliet

Dit jaar wordt het partnerverlof[1] ofwel vaderschapsverlof in Nederland uitgebreid. Uit tal van onderzoeken blijken de positieve effecten van een grote betrokkenheid van vaders direct na de geboorte (en daarna). Het is onder andere gunstig voor de ontwikkeling van jongens en meisjes en hun relaties op latere leeftijd, het welzijn en geluk van vaders zelf en de relatie tussen ouders. Hoe kijken Rotterdamse vaders aan tegen de uitbreiding van de geboorteverlofregeling? Zouden zij er gebruik van maken? En hoe zien zij hun rol als vader eigenlijk? IDEM-onderzoeker Inte van der Tuin sprak vaders en professionals in Hoogvliet over vaderbetrokkenheid en de beperkingen van de Nederlandse verlofregelingen.

Weinig vaders in Hoogvliet?

Hoogvliet is een gebied met een diverse bevolkingssamenstelling en grote verschillen tussen wijken. Op zoek naar vaders in Hoogvliet om te interviewen over hun vaderrol en hun kijk op de uitbreiding van het geboorteverlof, krijg ik regelmatig enigszins verbaasde reacties. Verschillende professionals vertellen dat zij in het gebied vooral veel alleenstaande moeders treffen. Vaders zijn in die gezinnen buiten beeld of spelen een rol op de achtergrond, vertellen zij. Het lijkt erop dat dit beeld van professionals enigszins is gekleurd door hun ervaringen met gezinnen waarbinnen problematiek speelt als opvoedvraagstukken, leer- of gedragsproblemen bij (één van de) kinderen, armoede en schulden of een combinatie hiervan. De situatie van eenoudergezinnen is over het algemeen kwetsbaarder dan die van gezinnen met twee ouders (CBS, Kwaliteit van leven in Nederland, 2017). Uit cijfers blijkt dat het aantal eenoudergezinnen in Hoogvliet niet hoger maar vergelijkbaar is met het Rotterdamse gemiddelde van 11% (Wijkprofiel Rotterdam Hoogvliet). Medewerkers van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) hebben contact met alle Hoogvlietse ouders met kinderen van 0 tot 18 jaar. Zij zien in Hoogvliet juist meer vaders op het spreekuur dan in sommige andere gebieden van Rotterdam. Maar ook bij het CJG zijn moeders oververtegenwoordigd. Dit is echter in heel Rotterdam het geval, want de opvoeding is volgens professionals nog steeds vooral een “vrouwending”.

Invulling vaderschap

Het feit dat vaders regelmatig onzichtbaar zijn voor professionals vertelt iets over de rolverdeling binnen een gezin, maar het betekent niet dat vaders niet betrokken zijn bij de opvoeding van hun kinderen. In het contact met het CJG en scholen is er binnen Hoogvlietse gezinnen vaak sprake van een traditionele rolverdeling, vertelt een professional: “Hier in Hoogvliet is het: moeder regelt de ‘binnenlandse zaken’ – waarvan de opvoeding onderdeel is – en vader de ‘buitenlandse zaken’. Bij grotere problemen, bijvoorbeeld als een kind van school af moet of om een andere reden van school moet wisselen, dan komt ‘buitenlandse zaken’ er ook bij. Er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen, maar dit is wat ik over het algemeen zie.” Hoogvliet is hierin niet opvallend. In heel Nederland is het zogenaamde ‘mannelijk kostwinnersmodel’ dominant, blijkt uit een recent onderzoek van Rutgers met de titel Vaderschap in Nederland: van willen naar doen (2019). De verantwoordelijkheid voor het gezinsinkomen ligt voornamelijk bij de vader en die voor de zorg voor kinderen bij de moeder. De moeder wordt beschouwd als de primaire opvoeder en de rol van de vader is secundair. De onderzoekers concluderen dat maatschappelijke normen over de taken van mannen en vrouwen diepgeworteld zijn in onze samenleving en de keuzes bepalen die binnen gezinnen worden gemaakt.

Met de nieuwe verlofregeling voor partners hoopt de overheid verandering te brengen in die diepgewortelde gendernormen. Vaders krijgen sinds 1 januari 2019 na de geboorte van hun kind eenmaal het aantal uren dat zij per week werken aan geboorteverlof (voorheen waren dit twee dagen). Deze uren worden volledig doorbetaald door de werkgever. In aanvulling op deze vrije dagen kunnen vaders per 1 juli 2020 maximaal vijf werkweken aanvullend geboorteverlof opnemen. Het UWV betaalt vaders die dit aanvullende verlof opnemen binnen zes maanden na de geboorte maximaal 70% van hun loon door.   

Ondertussen blijkt uit de gesprekken met Hoogvlietse ouders en professionals dat er grote verschillen bestaan tussen de invulling die vaders in de praktijk aan hun ouderrol geven. Zo zijn er vaders die kostwinner zijn en lange dagen werken om voor het gezinsinkomen te zorgen. Een moeder vertelt dat haar man zeven dagen per week werkt en iedere dag om vijf uur de deur uit gaat en ’s avonds rond zes uur thuiskomt: “Ik leef bijna zonder man, heb vooral een man op papier. Iedere dag eten we als gezin een half uurtje samen en dan gaat iedereen naar bed. De volgende dag is hetzelfde. Alleen in de zomervakantie is mijn man vrij.” Mehmet, vader van vier kinderen, werkt in de horeca en heeft juist wisselende werktijden. Hij begint regelmatig later op de dag met werken en kan de kinderen naar school brengen en zo nu en dan deelnemen aan activiteiten op school. Over de taakverdeling binnen het gezin zegt hij: “We hebben geen vaste dingen daarin. Iedereen doet wat ie tegenkomt.” Vader Amin heeft een voor Nederland opvallende beslissing genomen: hij is gestopt met werken toen hij kinderen kreeg. Zijn vrouw is fulltime blijven werken en hij werd “huisman”, vertelt hij. “Het kwam zo: Mijn dochter was heel klein en ik moest haar ’s morgens bij mijn schoonouders afleveren. Ik haalde haar uit haar bed, want ze lag te slapen, moest haar omkleden in die kou enzo. En ik ging met een schuldgevoel naar mijn werk en zat aan haar te denken. Toen dacht ik: nee, dat gaan we niet doen. Toen was de beslissing snel genomen.” De meeste Hoogvlietse vaders lijken pragmatische keuzes te maken en geen uitgesproken mening te hebben over de invloed van normen over mannentaken en het Nederlandse beleid. Een aantal beschouwt de rolverdeling binnen het gezin vooral als privézaak en wil er niet (te)veel over delen.

Gezinsfinanciën

In alle gevallen spelen de gezinsfinanciën een belangrijke rol, alleen weinig mannen leggen hierop de nadruk. Amin, die jarenlang huisvader is geweest, zegt hier bijvoorbeeld over: “Het leven is keuzes maken en je moet prioriteiten stellen. In het begin vond ik het wel spannend of we het gingen redden met één salaris, want alles was op twee salarissen gebaseerd. Maar als ik aan geld en kinderen denk… je krijgt met kinderen iets wat onbetaalbaar is. Je maakt keuzes in het leven en dat betekent soms puzzelen met je geld.” Hij lijkt echter een uitzondering. Ook vaders die zich wel kritisch uitspreken over de Nederlandse standaard van een ongelijke verdeling van de zorgtaken – vaak zijn dit professionals – geven aan dat het in hun situatie geen optie was om (ook) minder te gaan werken. Vaak koos hun partner hier wel voor en was er voor hen geen ruimte (meer) om bijvoorbeeld ouderschapsverlof op te nemen – als ze al wisten dat beide ouders hier recht op hebben. In de praktijk lijken bijna alle mannen het vanzelfsprekend te vinden dat hun partner minder gaat werken als er kinderen komen en zijzelf niet. Een professional die zich kritisch uitspreekt over de dominantie van het mannelijk kostwinnersmodel zegt: “Ik denk dat je als vader gelijkwaardig bent aan de moeder. Het is toch raar dat het van tevoren zo vastligt: je wordt geboren als een man of een vrouw en je wordt daarom in een bepaalde richting geduwd. Maar ik merk dat vaders er zelf ook weinig aan doen.”  

De vanzelfsprekendheid dat de vrouw wel minder gaat werken als er kinderen komen en dat de man dit niet doet, hangt samen met de diepgewortelde traditionele rolverdeling, legt hoogleraar familiesociologie Renske Keizer uit. In Nederland verdienen mannen over het algemeen nog steeds meer dan vrouwen, waardoor het financieel het verstandigst is dat de vrouw minder gaat werken. En er zijn geen financiële prikkels die het voor vaders aantrekkelijk maken om (geboorte)verlof op te nemen, legt Keizer uit: “Als zo’n prikkel er wel is, zie je dat mannen er meer toe geneigd zijn. De Scandinavische landen hebben bijvoorbeeld naast betaald verlof voor de moeder een betaalde take it or leave it-verlofregeling waar alleen vaders aanspraak op kunnen maken. Dat soort dingen draagt bij aan een cultuuromslag.” Bovendien betekent het kostwinnerschap dat werken iets is wat mannen doen ten behoeve van het gezin in plaats van ten koste van het gezin. Er bestaat voor hen dus geen conflict tussen werken en het hebben van een gezin. Vrouwen die werken ervaren vaak wel een conflict, omdat van hen wordt verwacht dat hun prioriteit ligt bij de zorg voor kinderen (onderzoek Rutgers en artikel Het Parool 2016).

De afgelopen jaren lijkt er steeds meer kritiek te zijn op het mannelijk kostwinnerschap. Daarbij ligt de nadruk op de negatieve maatschappelijke gevolgen die de dominantie hiervan heeft voor zowel mannen als vrouwen. Een gevolg is dat mannen een sterke verantwoordelijkheid en druk voor het gezinsinkomen blijven voelen, waardoor zij minder ruimte ervaren om te kiezen voor minder werkuren en meer zorg voor hun kinderen. Negatieve gevolgen voor vrouwen zijn onder andere een slechtere arbeidsmarktpositie, zwangerschapsdiscriminatie en ongelijke beloning (onderzoek Rutgers). In een interview in de publicatie Vaderschap 2.0 (E-Quality, 2011) nuanceert Keizer de kritiek op het kostwinnersmodel: “Het lijkt haast wel alsof mannen die kostwinner zijn, niet betrokken zijn. Met die eendimensionale focus op een betrokken vader doe je ook onrecht aan een heleboel mannen die zeggen: ‘Maar ik zie mijn rol als vader als kostwinner, dat doe ik goed en daarmee draag ik bij aan het gezin.’ Maar die invulling van het vaderschap wordt nu vaak over het hoofd gezien. Ik denk dat het belangrijk is om te beseffen dat, zeker in Nederland, het kostwinnerschap vaak nog heel centraal staat in het leven van mannen.”

Regeling sluit lage inkomensgroepen en zelfstandigen uit

De nuancering van Keizer is van belang als het gaat om de beoordeling van keuzes van vaders en hun gezinnen. De regering heeft met de nieuwe geboorteverlofregelingen echter voor ogen om de emancipatie van mannen en vrouwen te bevorderen. Het is zeer de vraag in hoeverre met name de regeling voor aanvullend geboorteverlof hieraan bijdraagt. Indirect sluit deze regeling namelijk veel vaders uit. Allereerst is gebruikmaken van de regeling in de praktijk waarschijnlijk onmogelijk voor gezinnen met een laag inkomen. Zeker als de vader kostwinner is, is de kans groot dat deze gezinnen het zich niet kunnen permitteren om een deel van het salaris in te leveren voor een aantal weken geboorteverlof. Keizer noemt het in een artikel in NRC (2019) dan ook een ‘gemiste kans’ dat loon niet volledig wordt doorbetaald, want dan zal het verlof volgens haar veel meer effect hebben: “Mannen zijn sneller geneigd verlof op te nemen naarmate de vergoeding hoger is. Waarom vergoed je dan niet 100 procent tot een bepaald maximaal inkomen? Dan is het veel aantrekkelijker voor gezinnen met een laag inkomen en houd je de kosten beperkt.” Een aantal professionals benoemt daarbij ook dat een deel van de Hoogvlietse gezinnen in armoede leeft en dat deze ouders andere dingen aan hun hoofd hebben dan keuzes maken over (geboorte)verlof. Een professional vertelt dat een deel van de mensen in de ‘overleefmodus’ zit: “Mensen hebben andere dingen aan hun hoofd: financiën, rondkomen, sociaal netwerk. Alle ouders hebben wel dezelfde intentie en willen natuurlijk het beste voor hun kind. Maar hun basis is anders en zij komen niet aan bepaalde vragen toe.”    

Vaders die als zelfstandig ondernemer of zelfstandige zonder personeel (zzp’er) werken, worden expliciet uitgesloten van de regeling. Het aanvullend geboorteverlof is een regeling voor werknemers in loondienst, omdat volgens de regering zelfstandigen zelf hun werktijden en verlof kunnen bepalen en het bij zelfstandig ondernemerschap hoort om tijdens verlof voor vervangend inkomen te zorgen (website Rijksoverheid). In een column over de regeling vraagt zelfstandig ondernemer Willem Bisseling aandacht voor de situatie van het groeiend aantal zelfstandig werkende vaders in Nederland. Anders dan hun vrouwelijke partners kunnen zij zich zelfs niet verzekeren voor partnerverlof (column De Volkskrant 2019). Bisseling is van mening dat de invloed van de geboorte op mannen door de regering wordt onderschat, terwijl ook zij moeten wennen aan de nieuwe situatie met een baby en onder andere weinig nachtrust en de zorg voor vrouw en kind net zo goed impact hebben op hun fysieke gesteldheid. 

Moederschapsideologie

Hoewel een aantrekkelijke financiële regeling voor alle vaders zeker een belangrijke stap in de goede richting zou zijn, betekent zo’n regeling niet direct dat vaders daarvan op grote schaal gebruik zullen maken. De heersende ‘moederschapsideologie’, die samenhangt met het mannelijk kostwinnersmodel, gaat ervan uit dat moeders vanzelfsprekend een zorgende rol hebben als er kinderen komen (onderzoek Rutgers). Hierdoor geven werkgevers vrouwen over het algemeen ruimte om verlof op te nemen of minder te gaan werken als zij kinderen krijgen en mannen aanzienlijk minder. Regelmatig zetten werkgevers vaders die minder willen gaan werken voor het blok door te stellen dat zo’n beslissing betekent dat ze geen carrière meer kunnen maken binnen het bedrijf, vertellen vaders. Uit recent onderzoek van socioloog Leonie van Breeschoten naar het beleid van bedrijven in verschillende sectoren om ouders te ondersteunen bij de combinatie van carrière en zorg voor kinderen blijkt dat de houding van werkgevers van grote invloed is op de beslissingen van werknemers. Volgens Van Breeschoten bestaat er bij veel werkgevers nog ‘het ideaal van de werknemer zonder andere verplichtingen’: “Deze werknemer kan altijd beschikbaar zijn op zijn werk, omdat hij zich geen zorgen hoeft te maken over het huishouden en de kinderen.” Hoewel dit ideaal meestal niet meer overeenkomt met de realiteit, wordt wel van mannelijke werknemers verwacht dat zij zoveel mogelijk voldoen aan deze verwachtingen. De leidinggevende blijkt voor vaders een belangrijke voorbeeldfunctie te hebben: als hij of zij zelf gebruikmaakt van gezinsregelingen en tijd maakt om thuis te zijn bij de kinderen, zijn mannen eerder geneigd om dit ook te doen (artikelen De Volkskrant en website WOMEN Inc.).

Ook een groot aantal Nederlandse mannen en vrouwen heeft de moederschapsideologie geïnternaliseerd. Zelfs Amin, die als huisvader het grootste deel van de zorg voor zijn kinderen voor zijn rekening nam, plaatst de moeder op een voetstuk: “Ik kan alles geven voor mijn dochter en mijn zoon, voor ze zorgen, maar het gevoel van de vrouw is anders. De band zoals die bestaat tussen moeder en kind zal een vader nooit krijgen. Dat hebben wij met onze moeders en dat zal eeuwig zo zijn. Een vader is een aanwinst, zeker als hij veel doet. Maar de moeder is zo heilig. Niemand kan dichtbij komen, ook de vader niet. Dat gevoel, het zachte in de vrouw, de zorgzaamheid die jullie hebben, dat hebben wij niet. Dat is gewoon zo.” Sommige vaders en professionals vertellen over moeders met een dominante houding die ervan overtuigd zijn dat zij het beste weten wat goed is voor de kinderen. Met name moeders die zelf zonder vader zijn opgegroeid kunnen volgens hen de neiging hebben om hun partner buitenspel te zetten. Vader Lorenzo, die als co-ouder een deel van de week voor zijn kinderen zorgt, vertelt: “Mijn ex-vrouw moest tijdens de relatie erg wennen aan mijn aanwezigheid als vader. Zij was van: ik doe het zelf, ik kan het zelf. Dat was ook haar voorbeeld, want haar moeder deed het alleen. Binnen de relatie heb ik moeten knokken voor ieder stukje zeggenschap, wat ik tot vervelens toe heb geprobeerd. Zij had een heel ander beeld van wat de balans zou moeten zijn binnen het gezin. Zij wilde bepalen en is nog steeds van mening dat ze in de opvoeding alles weet.” Zeker vaders die onzeker zijn over hun kwaliteiten als ouder kan dit stimuleren of zelfs dwingen om zich terug te trekken in de traditionele rol van kostwinner.  

Uitdaging voor (zorg)professionals

Net als moeders kunnen ook zorgprofessionals die een bijdrage leveren aan de zorg of ontwikkeling van kinderen een stimulerende of juist remmende invloed hebben op de betrokkenheid van vaders. Medewerkers van het CJG, kinderdagverblijf of bijvoorbeeld huisartsen hebben nogal eens de neiging om zich in het contact met ouders eenzijdig tot moeders te richten. Dit wordt versterkt door het feit dat er (zeer) weinig mannen in bijvoorbeeld de zorg en de kinderopvang werken (onderzoeken Sardes 2018 en Rutgers). Professionals in Hoogvliet bevestigen dit beeld. Een medewerker van het CJG vertelt dat hij ziet dat de aanwezigheid van vaders “bijzonder” gemaakt wordt: “Wat ik hier opmerk is dat de professionals heel erg blij zijn met vaders. Hier wordt het ook heel erg gezegd: ‘daar is weer een vader, oh wat leuk!’ Daarmee trek je het uit het gelijkwaardige. Terwijl het eigenlijk normaal moet zijn dat vaders betrokken zijn. Professionals maken grapjes: ‘jij bent je vrouw drie keer per nacht kwijt.’ En vragen niet: hoe slaap jij eigenlijk? En hoe gaat het met jouw geduld? Hoe vaak draag jij de baby? Het mag wel meer over de inhoud gaan in plaats van: leuk dat je er überhaupt bent.”

Omdat deze houding geen uitzondering is, beargumenteert onderzoeks- en adviesbureau in de educatieve sector Sardes in de Handreiking vaderbetrokkenheid (2018) dat het van belang is dat voorzieningen regelmatig aandacht hebben voor de eigen ‘vadervriendelijkheid’ en daarbij stil staan bij normen over mannelijkheid, vrouwelijkheid en rolpatronen en de invloed die deze hebben op hun eigen handelen. Ook psycholoog Louis Tavecchio benadrukt dat het belangrijk is dat professionals vaders positief benaderen en hun (inhoudelijke) betrokkenheid stimuleren. Zo kunnen zij bijdragen aan de geleidelijke verschuiving die in Nederland gaande is. De vaders uit dit artikel ervaren een verschuiving, maar op een zeer beperkte schaal. Amin zou graag zien dat het beeld van de vader die “oppast” op zijn kinderen voorgoed verleden tijd is: “Soms zeggen mannen ‘oppassen’. Dat irriteert me, die woorden. Wat ben je aan het doen? Ik pas op mijn kinderen. Hahaha, dat vind ik raar. Je bent gewoon met je kinderen. Je bent zeker geen oppas voor ze.”    

Uit privacyoverwegingen zijn de namen in dit artikel gefingeerd.

Geraadpleegde bronnen:

  • Bisseling, Willem (2019). ‘Gun ook zzp-vaders een goed ouderschapsverlof’. De Volkskrant.
  • Centraal Bureau voor de Statistiek (2017). Kwaliteit van leven in Nederland. Den Haag: CBS.
  • e-Quality (2011). Vaderschap 2.0. Opvoedingsondersteuning voor vaders van nu. Den Haag: E-Quality.
  • Haan, Eva de (2019). ‘Vaders met verlof: ja graag!’ Website WOMEN Inc. 
  • Pelgrim, Christiaan (2019). ‘Meer verlof leidt tot meer zorgende vaders’. NRC.
  • Quaegebeur, Els (2016). ‘Hoogleraar vaderschap Renske Keizer: ‘Haal moeders van hun voetstuk af’’. Het Parool.
  • Rutgers (2019). The State of Dutch Fathers. Vaderschap in Nederland: van willen naar doen. Utrecht: Rutgers.
  • Sardes (2018). Handreiking vaderbetrokkenheid. Hoe betrek je als organisatie ook mannelijke opvoeders? Utrecht: Sardes.
  • Tavecchio, Louis (2016) ‘Vader kan het even goed als moeder’. Website Sociale Vraagstukken.
  • Wijkprofiel Rotterdam Hoogvliet. Geraadpleegd in februari 2020.
  • Zoetbrood, Nienke (2019). ‘Het voorbeeld van de baas bepaalt hoeveel verlofdagen vaders opnemen’. De Volkskrant.  

[1] Dit verlof geldt voor partners en dus niet alleen voor vaders. Ook lhbti-partners kunnen er gebruik van maken. Dit artikel richt zich echter alleen op vaders, omdat er in de rolverdeling binnen heterogezinnen gendergerelateerde issues spelen.   

Niemand is de norm

Niemand is de norm

Intersectionaliteit: ineens hoor je dit begrip overal. Niet alleen lees je erover, ook op steeds meer werkvloeren hoor je de term. Maar wat is intersectionaliteit, of kruispuntdenken, eigenlijk? In dit essay legt IDEM-onderzoeker Inte van der Tuin uit wat het begrip inhoudt, waar het vandaan komt en hoe het een plaats heeft binnen IDEM.

Intersectionaliteit gaat over iedereen. Kort gezegd maakt een intersectionele benadering inzichtelijk hoe verschillende dimensies van de identiteiten van mensen – zoals gender, etniciteit, sociaaleconomische positie en seksuele oriëntatie – van invloed zijn op hun specifieke ervaringen in de maatschappij. De sociale positie van ieder mens is een complex samenspel van deze dimensies. Dit klinkt ingewikkeld, maar is vrij gemakkelijk concreet te maken door het op mijzelf te betrekken. Als ik naar dimensies van mijn eigen identiteit kijk, dan wordt duidelijk dat ik als volwassen cisgender[1] vrouw in veel opzichten in het “standaard plaatje” pas, ofwel binnen de norm. Ik ben wit en heteroseksueel en leef samen met mijn witte vriend en onze peuterzoon. Wij behoren tot de middenklasse en zijn niet religieus. Dit zijn dimensies van mijn identiteit die niemand in Rotterdam opvallend vindt. Ik hoef bijvoorbeeld nooit uit te leggen dat ik met een man samenleef en ervoor heb gekozen om een kind te krijgen. Mensen vinden dit volkomen normaal. Voor mijn lesbische moeders was dit anders. In de jaren tachtig kozen zij ervoor om samen twee kinderen te krijgen met een bekende donorvader. Dit was toen – nog meer dan nu – zeker niet vanzelfsprekend. Zij besloten samen dat zij ons als gelijkwaardige ouders zouden opvoeden, maar voor mijn niet-biologische moeder was er geen enkele mogelijkheid om vast te leggen dat mijn zusje en ik haar kinderen zijn. Door het ontbreken van een biologische band werd haar positie als moeder niet wettelijk erkend. Heteroseksuele adoptieouders hadden in die tijd meer rechten dan mijn moeder die al ver voor de bevruchting betrokken was bij het leven van mij een mijn zusje. Naast deze wettelijke ontkenning van haar moederschap, hadden onbekenden de neiging om mijn moeders te confronteren met het feit dat zij in hun ogen onmogelijk allebei onze moeder konden zijn. ‘Wie is de échte moeder?’ was een veelgestelde vraag. Mijn vriend en ik krijgen nooit zulke vragen. Dit laat zien dat de maatschappelijke ervaringen van lesbische moeders specifiek zijn en je deze niet kunt vergelijken met die van hetero-ouders.  

Hoewel je niet aan mij kunt zien dat ik twee lesbische moeders heb, bepaalt dit wel – in samenspel met andere dimensies – mijn identiteit en mijn ervaringen in de samenleving. Ik word nooit ongewild geconfronteerd met mijn opvallende gezinssituatie en kan zelf beslissen of ik deze informatie met anderen deel of niet. Maar als ik over mijn moeders vertel, word ik weleens geconfronteerd met vooroordelen. Soms krijg ik bijvoorbeeld vragen als: ‘Ben je dan zelf niet ook lesbisch?’ Of: ‘Heb je geen vader gemist in je opvoeding?’ Ook kunnen mensen mij onbedoeld kwetsen met negatieve opmerkingen over homoseksualiteit. Het kwetst mij namelijk als de keuzes van mijn moeders of de gezinssituatie waarin ik ben opgegroeid, worden veroordeeld of afgewezen. Het voelt alsof een vormend deel van mijn leven – wat een deel van mijn identiteit is – er niet zou mogen zijn. Hoewel ik het idee heb dat ik ook een deel van de pijn van mijn niet-biologische moeder voel, is er een cruciaal verschil tussen mijn sociale positie en die van haar. Mijn mogelijkheden in de samenleving worden op geen enkele manier beperkt door de gezinssituatie waarin ik ben opgegroeid, terwijl mijn moeder als ouder wel te maken had met een gebrek aan (wettelijke) mogelijkheden. Opnieuw maakt dit duidelijk dat ervaringen altijd specifiek zijn. Dit geldt voor alle mensen. Ervaringen in de samenleving worden altijd bepaald door de verschillende zichtbare en onzichtbare dimensies van iemands identiteit. Op welke manier precies hangt af van de persoon of personen die je treft en de situatie waarin je je bevindt.

Ontstaan intersectioneel denken

Het is van belang om te benadrukken dat intersectionaliteit zich heeft ontwikkeld in activistische kringen: binnen de Amerikaanse en later Nederlandse zwarte, migranten- en vluchtelingen- vrouwenbeweging. Het doel van deze vrouwen was om aandacht te vragen voor kwesties en problemen waarmee zij te maken kregen die voor witte vrouwen onbekend waren. Het ging met name om racisme. De vrouwen beargumenteerden dat seksisme voor hen anders uitpakt dan voor witte vrouwen door de wisselwerking ervan met racisme en discriminatie. Activisten als Sojourner Truth (1797-1883) of Angela Davis (1944) benadrukten dat zij als zwarte vrouwen dubbel gediscrimineerd worden: zowel om hun vrouw-zijn als om hun huidskleur. Pas wanneer ook antiracisme werd geïntegreerd in de feministische strijd zou er volgens hen voor de belangen van álle vrouwen worden opgekomen.[2] In 1989 werd de theorie over intersectionaliteit in de wetenschap geïntroduceerd door de Amerikaanse hoogleraar in de rechten Kimberlé Crenshaw. Later werd sociaaleconomische positie, naast etniciteit en gender, ook een belangrijk onderdeel van intersectionaliteit. Ook iemands sociaaleconomische positie en factoren die daarmee samenhangen zoals inkomen, huisvesting en sociaal netwerk hebben immers veel invloed op maatschappelijke ervaringen. In Nederland is intersectionaliteit binnen vrouwenstudies onder de aandacht gebracht door wetenschappers Gloria Wekker en Helma Lutz. Zij gebruiken het als een theoretisch instrument waarmee inzichtelijk gemaakt kan worden hoe de verschillende dimensies van iemands sociale positie continu bepalen hoe mensen en groepen op elkaar reageren en zich ten opzichte van elkaar gedragen. De IDEM-thema’s integratie, discriminatie, lhbti-emancipatie en man/vrouw-emancipatie draaien om deze sociale interactie.

Tegenwoordig verschillen de meningen van activisten en wetenschappers over de legitimiteit van de verbreding van intersectionaliteit naar andere discriminatiegronden zoals seksuele oriëntatie en religie. Zo is professor sociologie Akwugo Emejulu van mening dat ras of etniciteit, gender en sociaaleconomische positie altijd nadrukkelijk centraal moeten staan in een intersectionele analyse. Intersectionaliteit draait volgens haar om het inzichtelijk maken van marginalisering, waarbij deze drie dimensies altijd een hoofdrol spelen. Wanneer je verbreedt naar ongelijkheid op basis van andere dimensies mis je volgens Emejulu waar het bij intersectionaliteit om gaat.[3] Zonder een standpunt in te nemen in deze discussie of de geschiedenis van intersectionaliteit onrecht aan te willen doen, kies ik er in dit essay voor om te verbreden. De reden hiervoor is dat IDEM Rotterdam als stedelijk expertisecentrum voor de thema’s integratie, discriminatie, lhbti-emancipatie en man/vrouw-emancipatie zich met meer dimensies bezighoudt dan etniciteit, gender en sociaaleconomische positie. Een tweede reden is dat een intersectionele benadering ook in andere gevallen kan leiden tot relevante inzichten.

Van hokjesdenken naar intersectionaliteit

De IDEM-thema’s integratie, discriminatie en emancipatie gaan over alle Rotterdammers. Het is gebruikelijk om bij diversiteit vooral (en soms alleen) aan verschil in nationaliteit en/of etniciteit te denken. Dit is een versimpeling van de werkelijkheid. Er zijn veel meer dimensies van invloed op de uiteenlopende identificaties en sociale posities van Rotterdammers. Naast etnische achtergrond hebben gender, sociaaleconomische positie en seksuele identiteit een grote invloed op iemands sociale positie en mogelijkheden, net als religie, levensfase en talenten en beperkingen.[4] Zo is het bijvoorbeeld van belang om te erkennen dat de ervaringen van een religieuze transgender jongere die opgroeit in een middenklasse gezin, anders zijn dan die van een transgender jongere met een niet-religieuze alleenstaande moeder met een laag inkomen. Net als het feit dat de ervaringen van een hoogopgeleide vrouw met een hoofddoek die op latere leeftijd in een rolstoel belandde verschillen van die van een hindoestaanse man in een rolstoel die door zijn aangeboren beperking nooit heeft kunnen studeren en werken.  

Hoewel het een open deur lijkt dat ieders sociale positie een samenspel van dimensies is, zijn mensen geneigd om te kijken vanuit een eendimensionaal perspectief en niet vanuit meerdere perspectieven tegelijkertijd. Iemand is of het één of het ander. De verschillende dimensies worden van elkaar gescheiden. De volgende voorbeelden, vertaald naar de thema’s van IDEM, maken dit duidelijk:

  • Bij het onderwerp emancipatie wordt alleen of vooral aan vrouwen gedacht (niet aan mannen), en specifieker aan witte vrouwen (waardoor de invloed van etniciteit over het hoofd wordt gezien). Denk bijvoorbeeld aan het maatschappelijk debat over de ondervertegenwoordiging van vrouwen in topposities.
  • Bij integratie wordt alleen of vooral aan mensen met een migratieachtergrond gedacht (niet aan mensen met een Nederlandse achtergrond), en specifieker aan mannen. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van de termen ‘allochtoon’ en ‘autochtoon’. 

Mensen gaan er – onbewust – van uit dat de categorie ‘vrouwen’ en de categorie ‘allochtonen’ duidelijk afgebakende groepen betreffen. Op het moment dat je hierover nadenkt, kom je al snel tot de conclusie dat deze groepen helemaal niet helder en afgebakend zijn. Zo zijn vrouwen in Nederland en Rotterdam zeer divers en geldt hetzelfde voor mensen met een migratieachtergrond. Het gevolg van de desondanks gangbare ‘of-of’-denkwijze is dat bepaalde groepen gemakkelijk over het hoofd gezien worden. Waar zijn de vrouwen met een migratieachtergrond in bovenstaande voorbeelden gebleven?[5] Intersectionaliteit gaat uit van ‘en-en’ en sluit daarmee niemand uit. Het gaat ervan uit dat de verschillende dimensies gelijktijdig werkzaam zijn en niet afzonderlijk van elkaar beschouwd kunnen worden. De ‘en-en’-denkwijze leidt tot een complexer en vollediger beeld.

Machtsverschillen

Mensen bepalen hun sociale positie en identiteit voor een deel zelf, maar ook anderen zijn hierbij van invloed. Sommige dimensies die dit bepalen kun je zelf kiezen – of er in elk geval invloed op uitoefenen – en andere dimensies liggen vast. Zo heb je bijvoorbeeld geen invloed op waar je wordt geboren, bij welke ouders en welke huidskleur je hebt. Op je religie en je opleiding heb je als individu wel in meer of mindere mate invloed. Uiterlijke kenmerken lijken een belangrijke invloed te hebben op iemands sociale positie. Deze zijn immers direct zichtbaar voor anderen. De maatschappelijke betekenis die aan de verschillende dimensies, waaronder uiterlijke kenmerken, wordt gegeven speelt een belangrijke rol. Door het scheiden van de verschillende dimensies van sociale positie en het denken in ‘of-of’ ontstaat een hiërarchie. In alle gevallen is een van de tegenstellingen de norm of de vanzelfsprekendheid. De norm bepaalt welke positie de meeste maatschappelijke waardering krijgt. Hierdoor is sprake van structurele ongelijkheid, want de norm heeft voor groepen mensen die er niet aan voldoen een onderdrukkend effect. Die ongelijkheid heeft grote invloed op alle sociale interactie.

In Nederland, en in Rotterdam in mindere mate, is de witte etniciteit de norm, net als man-zijn. Zo vindt iedereen het vanzelfsprekend dat witte mannen politieke macht hebben en worden de posities van vrouwen en van mensen met een migratieachtergrond veel vaker ter discussie gesteld in het maatschappelijk debat. Deze normen betekenen dat wit en man-zijn meer maatschappelijke status hebben dan andere etniciteiten en vrouw-zijn. Enkele andere voorbeelden van normen zijn heteroseksualiteit en cisgender zijn. De meeste mensen gaan er vanzelfsprekend – en daardoor vaak ook impliciet en onbewust – van uit dat een ieders genderidentiteit overeenkomt met het biologische geslacht waarmee zij geboren zijn en dat een ieder zich seksueel aangetrokken voelt tot mensen van het andere geslacht. Vaak wordt de norm – onbewust – beschouwd als een soort neutrale positie. Dit heeft tot gevolg dat mensen die aan de norm voldoen – vaak onbewust – voordelen ervaren. Voor deze ‘privileges’ is meestal weinig aandacht.[6] De aandacht gaat vooral uit naar discriminatie die groepen ervaren die afwijken van de norm. Volgens de theorie van intersectionaliteit zijn er geen neutrale posities. Alle maatschappelijke posities worden bevraagd en er zijn geen vanzelfsprekendheden en blinde vlekken. Hierdoor worden met deze manier van kijken zowel de voor- als nadelen inzichtelijk gemaakt die dimensies van sociale positie met zich meebrengen.      

De andere vraag stellen

In de praktijk komt intersectionaliteit neer op ‘de andere vraag stellen’[7]: doorvragen om inzicht te krijgen in de verschillende dimensies die in een situatie van invloed zijn. Altijd spelen verschillende dimensies van iemands sociale positie gelijktijdig een rol. Om een volledig beeld te krijgen is het belangrijk om hierbij stil te staan én om te erkennen dat er binnen de dimensies een grote verscheidenheid is. Anders dan de hiërarchische – normbepalende – tegenstellingen suggereren, zitten er allerlei gradaties tussen bijvoorbeeld hetero en homo en seculier en religieus.   

Intersectionaliteit is gericht op het zichtbaar maken van mensen die over het hoofd worden gezien om op die manier onderdrukking aan te pakken. De theorie kan ook worden ingezet om een gesprek te voeren over privileges. De klassieke vragen van intersectionaliteit richten zich op belangrijke onderdrukkende mechanismen in de samenleving: is er sprake van racisme of discriminatie – bijvoorbeeld vanwege huidskleur of religie? Speelt seksisme mogelijk een rol? Zijn homofobie of transfobie misschien aan de orde? In deze vragen komen de vier thema’s van IDEM terug. Door steeds een nieuwe vraag te stellen wordt de samenhang tussen de verschillende dimensies van iemands sociale positie en tussen de thema’s van IDEM inzichtelijk. Het stellen van vragen staat dan ook centraal in de benaderingswijze van IDEM. Het doel hiervan is het vergroten van het bewustzijn van Rotterdamse professionals over hun betrokkenheid bij de thema’s integratie, discriminatie, lhbti-emancipatie en man/vrouw-emancipatie. Professionals hebben veel kennis en tegelijkertijd regelmatig blinde vlekken, net als de meeste mensen. Ook voor mij betekent intersectioneel denken dat ik continu kritisch moet zijn op mezelf en mijn eigen aannames ter discussie moet stellen. Ik probeer om voorbeelden uit mijn eigen leven in mijn achterhoofd te houden en steeds te beseffen dat niemand in de standaard hokjes past – ook niet de mensen bij wie dit op het eerste gezicht wel zo lijkt.    

Meer lezen over de toepassing van intersectionaliteit binnen jouw organisatie?

Het Belgische ella, kenniscentrum gender en etniciteit, heeft een mooie handleiding geschreven voor professionals die intersectionaliteit willen toepassen in de eigen organisatie. Dit document is te vinden op hun website: http://www.ellavzw.be/node/4/publicaties/handleiding-intersectioneel-denken

Emancipator schreef een document met tips voor organisaties: Intersectionaliteit in de praktijk. Tien tips voor intersectioneel denken en doen. Dit document is te vinden op hun website: https://www.emancipator.nl/wp-content/uploads/2019/09/Tien-Tips-Intersectionaliteit.pdf


[1] Cisgender is een Engelse term om mensen mee aan te duiden van wie de genderidentiteit overeenkomt met het biologische geslacht waarmee zij geboren zijn.

[2] M. Botman, N. Jouwe en G. Wekker (red. 2001). Caleidoscopische visies. De zwarte, migranten en vluchtelingenbeweging in Nederland. Amsterdam: Koninklijk Instituut voor de Tropen.

[3] Stuk Rood Vlees Podcast, aflevering 32 – Intersectionality and activism, with Akwugo Emejulu via stukroodvlees.nl

[4] Deze dimensies zijn gebaseerd op de eerste Nederlandse publicatie over het ‘kruispuntdenken’: M. Botman, N. Jouwe en G. Wekker (red. 2001). Caleidoscopische visies. De zwarte, migranten en vluchtelingenbeweging in Nederland. Amsterdam: Koninklijk Instituut voor de Tropen.

[5] Zoals hierboven wordt besproken is precies dit gebrek aan aandacht voor vrouwen met een migratieachtergrond de basis voor intersectionaliteit of kruispuntdenken. Ook de zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwenbeweging in Nederland uitte kritiek op de reguliere vrouwenbeweging die geen/weinig aandacht had voor de ervaringen van vrouwen met een migratieachtergrond. Zij beargumenteerden dat de ervaringen van deze diverse groep vrouwen fundamenteel anders is dan die van witte vrouwen en dat antiracisme in de feministische strijd geïntegreerd moest worden om op te komen voor de belangen van alle vrouwen. Wekker, G. & Lutz, H., (2001). ‘Een hoogvlakte met koude winden. De geschiedenis van het gender- en etniciteitsdenken in Nederland’, In: M. Botman, N. Jouwe en G. Wekker (red.), Caleidoscopische visies. De zwarte, migranten en vluchtelingenbeweging in Nederland. Amsterdam: Koninklijk Instituut voor de Tropen.

[6] Het begrip ‘privilege’ is net als intersectionaliteit of kruispuntdenken ontwikkeld door een wetenschapper die actief is binnen vrouwenstudies: Peggy McIntosh (1988). ‘White Privilege and Male Privilege: A Personal Account of Coming to See Correspondences Through Work in Women’s Studies’.

[7] Wekker, G. & Lutz, H., (2001). ‘Een hoogvlakte met koude winden. De geschiedenis van het gender- en etniciteitsdenken in Nederland’, In: M. Botman, N. Jouwe en G. Wekker (red.). Caleidoscopische visies. De

zwarte, migranten en vluchtelingenbeweging in Nederland. Amsterdam: Koninklijk Instituut voor de Tropen.

Respect op de regenboogtrap: hoe gaan middelbare scholen om met seksuele diversiteit?

Respect op de regenboogtrap: hoe gaan middelbare scholen om met seksuele diversiteit?

Paars, blauw, groen, geel, oranje, rood: iedere traptrede heeft een kleur van de regenboog. Op de bovenste trede volgt een mooie tekst, als symbool van diversiteit. Volgend schooljaar krijgt een middelbare school in Hillegersberg-Schiebroek zo’n trap. De school wil daarmee laten zien dat alle leerlingen welkom zijn, welke seksuele gerichtheid ze ook hebben. Toch is er geen directe aanleiding om de trap te bouwen: incidenten zijn er niet geweest en het onderwerp seksualiteit wordt volgens docenten openlijk besproken. Als er ogenschijnlijk niks aan de hand is, waarom is de regenboogtrap dan toch belangrijk? IDEM-onderzoeker Bauke Fiere ging in gesprek met docenten en managers op middelbare scholen in Hillegersberg-Schiebroek, het stadsgebied met relatief gezien de grootste groep kinderen tussen 12 en 17 jaar.[i]

Om acceptatie en veiligheid van lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgender personen (lhbt) in het onderwijs te vergroten, zijn scholen sinds eind 2012 verplicht om aandacht te besteden aan seksuele diversiteit. De manier waarop scholen dit invullen – van trainingen tot regenboogtrappen – staat vrij. Toch heeft deze verplichting nog niet geleid tot een veilige schoolomgeving voor (alle) lhbt-leerlingen, zo blijkt uit onderzoek van Columbia University in samenwerking met COC Nederland uit 2018.[ii] Bijna de helft van de lhbt-leerlingen die aan dit laatste onderzoek meededen, werd in het jaar ervoor op school uitgescholden wegens hun seksuele oriëntatie en ruim een kwart om hun genderexpressie. Een kleinere groep kreeg te maken met licht of zwaar geweld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat lhbt-leerlingen zich vaker eenzaam voelen en vaker afwezig zijn dan de gemiddelde leerling in Nederland.

“Je hoeft niet te praten over iets wat niet speelt”

Het grootste deel van de leerlingen op de middelbare scholen in Hillegersberg-Schiebroek heeft geen moeite met seksuele diversiteit, zo menen de geïnterviewde onderwijsprofessionals. Verschillende leerlingen zijn openlijk lhbt en er zijn weinig incidenten bekend. Echter, tussen de professionals (en de scholen waar zij werken) bestaan verschillen in aanpak en insteek van dit onderwerp in de les. Onderwijsmanager Peter vertelt dat het thema bij hem op school alleen voorbij komt in het lesprogramma bij biologie. Pas als er signalen vanuit het zorgteam komen dat het nodig is, wordt het onderwerp in de mentorles aangekaart. Volgens hem zijn deze signalen echter uitzonderlijk. Op deze school is er dan ook geen speciaal programma over seksuele diversiteit. Peter vindt het niet nodig om hier extra aandacht aan te besteden, omdat er volgens hem niet gediscrimineerd wordt op school. “Het onderwerp speelt hier niet. Je hoeft niet te praten over iets wat niet speelt.”

Deze reactie is bepaald niet uniek. Freek Bucx, onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau, krijgt geregeld te horen dat seksuele diversiteit geen issue is.[iii] “Er zijn scholen die ontkennen dat er een probleem is, omdat zich nooit incidenten voordoen. Maar er zijn natuurlijk wel lhbt-leerlingen en dat zij nooit problemen hebben, is moeilijk voorstelbaar.” Voor een onderwijsprofessional is het lastig om te weten of er leerlingen zijn met een negatieve houding en intolerantie jegens lhbt-jongeren. Het gegeven dat leerlingen openlijk uit de kast zijn gekomen, betekent niet automatisch dat alle lhbt-leerlingen de schoolomgeving als veilig genoeg ervaren om hun seksuele oriëntatie of genderexpressie te delen. Bovendien is het voor docenten niet altijd zichtbaar wanneer leerlingen gepest worden.

Ook wanneer iedereen op school het ermee eens is dat seksuele diversiteit geaccepteerd moet zijn, betekent dit niet dat je er niet over hoeft te praten. Een leerling die participeerde in het onderzoek ‘Niet langer een keuze’[iv] van de Onderwijsalliantie voor Seksuele Diversiteit, legt uit waarom het toch belangrijk is om seksuele diversiteit te bespreken. “Waar ik op school zat, was iedereen het er wel mee eens dat het geaccepteerd moest zijn. Daarom hoefde er verder niet over gepraat te worden. Dat is geen goede houding, omdat het voor veel mensen, lhbt+ of niet, tóch een moeilijk issue is.”

In tegenstelling tot Peter zijn de andere onderwijsprofessionals van mening dat extra aandacht voor seksuele diversiteit nodig is, ongeacht of er op hun school incidenten zijn. Die incidenten zijn er in de samenleving namelijk nog wel. Ook op scholen. Zo werd de viering van Coming Out Day op een school in Almere dit jaar verstoord door posters van de muren te trekken en er werden zelfs homofobe dreigementen geuit op sociale media. Docent Monique, die al ruim dertig jaar in het onderwijs in Hillegersberg werkt, vindt het belangrijk om expliciet aandacht te besteden aan seksuele diversiteit. “Zolang het nog niet heel gewoon is, moet je je er bewust van blijven dat je er moeite voor moet blijven doen. Je moet niet denken dat we het wel gewoon kunnen laten, dat het dan vanzelf wel goed blijft gaan.”

Moderne homofobie

Volgens Laurens Buijs, sociaal wetenschapper aan de UvA, is homofobie in Nederland veel subtieler aanwezig en beter verstopt dan jaren geleden. Het grootste deel van de Nederlandse samenleving, waaronder ook jongeren, kan naar zijn mening heel goed beredeneren waarom lhbt’ers geaccepteerd moeten worden. In de praktijk ervaart een deel van hen toch vaak enig ongemak wanneer ze met homoseksualiteit en genderdiversiteit in aanraking komen. Ze vinden het bijvoorbeeld vies, eng of afkeurenswaardig. Buijs noemt dit moderne homofobie.[v] Omdat vormen van moderne homofobie goed verstopt zijn en half onbewust plaatsvinden, zijn ze ook lastig aan te pakken. De wetenschapper vindt de middelbare school de uitgelezen plek om iets te doen tegen moderne homofobie, omdat de middelbare school een essentiële rol speelt in de ontwikkeling van de seksuele en genderidentiteit van jongeren.

Een aantal professionals erkent het belang van een brede benadering van het thema, bijvoorbeeld door het aan bod te laten komen in lessen over liefde, diversiteit en pesten. Wanneer seksuele diversiteit alleen als apart thema wordt behandeld, of slechts in de biologieles bij seksuele voorlichting ter sprake komt, bestaat er volgens hen een kans dat dit eerder stigmatiserend werkt. Monique vindt het belangrijk om te laten zien dat (seksuele) diversiteit normaal is. “Het wordt bij ons op school eigenlijk gebracht als een vanzelfsprekendheid dat mensen gewoon heel verschillend zijn, ook op seksueel gebied.” Wanneer zij het thema liefde op school behandelen, steken ze dit breed en inclusief in. Onderling is afgestemd dat zowel man-vrouwliefde als mannenliefde als vrouwenliefde dan aan de orde komen. Daarnaast zijn er momenten waarop er specifieke aandacht is voor seksuele diversiteit. In de tweede klas komen trainers van het COC die zelf lhbt zijn langs om voorlichting te geven en sinds een aantal jaar wordt Paarse Vrijdag gevierd: door het dragen van de kleur paars tonen leerlingen en docenten op deze vrijdag hun solidariteit met lhbt’ers.

Gender & Sexuality Alliance

Toch kan het volgens docent Martijn, een collega van Monique, nog beter. Hij gaat in het nieuwe schooljaar proberen een Gender & Sexuality Alliance (GSA) op te zetten. Een GSA is een groep leerlingen – en soms ook docenten – die zich inzet voor de acceptatie van seksuele en genderdiversiteit. Ook komt er op de school waar zij werken een regenboogtrap om zichtbaar te maken dat de school toegankelijk is voor iedereen. “Iedereen is welkom bij ons op school en diversiteit zien we als iets heel moois. Ik vind het een zeer belangrijk signaal naar onze leerlingen: hier mag en kun je jezelf zijn. Iedereen loopt elke dag over die trap, dus staat letterlijk in verbinding met dit gedachtegoed.”

Ronald werkt net als Monique al jaren in het onderwijs en is momenteel onderwijsmanager. Hij sluit zich aan bij het belang van het bespreken van seksuele diversiteit als iets normaals. “Wat we het liefste doen is benadrukken dat het normaal is in het leven en de wereld, in plaats van er een project van te maken. Je hebt al deze verscheidenheden, net als etniciteiten, religies en dus ook seksuele voorkeuren en dat bespreken we gewoon met leerlingen, zonder dat het gehighlight wordt.” Hij is geen voorstander van het uitnodigen van lhbt’ers die hun verhaal in de klas komen vertellen, omdat dit naar zijn mening eerder stigmatiseert dan wanneer je het normaal bespreekt.

Martijn, daarentegen, is erg te spreken over de voorlichting die zij samen met het COC aan de leerlingen in de tweede klas geven. Ook Buijs pleit ervoor om jongeren in aanraking te laten komen met ervaringsverhalen van minderheden op het gebied van gender en seksualiteit. Het is dan belangrijk dat de ervaringsdeskundigen jongeren zijn met wie zij zich kunnen identificeren en in wie zij zich herkennen. “Want iedereen weet uiteindelijk wat het is om anders te zijn, ergens niet bij te horen, met een geheim rond te lopen, of jezelf niet te kunnen zijn. Op die manier leren ze niet alleen dat lhbt’ers maar gewoon mensen zijn, maar voelen ze het ook.”

Homoschelden

In Nederland wordt ‘homo’ vaak als scheldwoord gebruikt en er worden veel grappen over lhbt’ers gemaakt. Dit soort opmerkingen hebben meestal betrekking op alles wat als niet-mannelijk of normoverschrijdend wordt gezien en zijn niet altijd specifiek gericht op lhbt’ers. Veel lhbt’ers ervaren deze woorden toch als kwetsend. En de impact ervan is aanzienlijk, ongeacht wat met het ‘grapje’ bedoeld wordt. Programmamaker Nicolaas Veul maakt dit zichtbaar in zijn documentaire Pisnicht: the Movie. Zelf heeft Veul jarenlang in de kast gezeten omdat hij opgroeide met het beeld dat een homo inferieur is. Elke keer wanneer er met ‘homo’ werd gescholden, al dan niet tegen hem gericht, deed dit iets met zijn zelfbeeld en werd het voor hem moeilijker om naar vrienden en familie open te zijn over homoseksualiteit. Inmiddels doen homograppen en -scheldwoorden hem een stuk minder. Maar wanneer je jong bent is dat een stuk lastiger, geeft hij aan. “Woorden hebben betekenis. Betekenis heeft impact.”[vi]

Je kunt je afvragen of school wel een veilige omgeving  voor lhbt-leerlingen is wanneer er geregeld met ‘homo’ wordt gescholden of hier grapjes over worden gemaakt. Volgens de geïnterviewde professionals komt homoschelden ook op hun scholen voor. Dit wordt niet door iedereen als (even) problematisch ervaren. Ronald geeft aan dat “het bij het opgroeien en volwassen worden hoort dat je af en toe geestelijk of fysiek een kras oploopt”. Plagen is volgens hem “een heel goed maatschappelijk middel tot ontlading en prikken”. Hij berispt leerlingen alleen wanneer ‘homo’ discriminerend bedoeld wordt. Wel zegt hij het lastig te vinden waar precies de grens ligt van wat moet kunnen. Ook omdat het gebruik van homo als ‘krachtterm’ wel stigmatiserend is. En wanneer wordt plagen pesten? Hoe kun je als docent zien wat de impact van het ‘ongericht’ roepen met ‘homo’ is op individuele leerlingen die zelf (al dan niet openlijk) lhbt zijn of lhbt’ers in hun naaste omgeving hebben?

Op de school waar Monique werkt wordt homoschelden in geen geval getolereerd. “Er zijn natuurlijk ook groepen, met name jongens, die gewend zijn om te roepen ‘hé homo!’ Wie het ook roept, we maken er altijd een punt van. Dan zeggen ze natuurlijk: ‘ja, dat bedoelen we helemaal niet.’ Dan kan je toch ook iets anders zeggen? Als je dat toch niet bedoelt? Ook dat grijp je weer aan om het erover te hebben.”

Negatieve reacties

Naast de verstopte of onbedoelde vormen van moderne homofobie, zijn er ook leerlingen die openlijk een negatieve houding aannemen tegenover seksuele diversiteit en genderdiversiteit. Dit kan lhbt-leerlingen het gevoel geven dat ze niet zichzelf kunnen zijn op school en dat ze hier niet veilig zijn. Het onderzoek ‘Anders in de klas’[vii] van het SCP legt uit waar negatieve houdingen over seksuele diversiteit onder jongeren vandaan kunnen komen. Zo is de puberteit voor veel jongeren een periode van onzekerheid en veel verandering. Samen met een verhoogde gevoeligheid van wat andere jongeren van hen vinden, kan dit verklaren waarom leerlingen in de puberteit sterker vasthouden aan seksestereotiepe beelden en strikte gendernormen. Jongeren denken in deze levensfase ook vaker zwart-wit. 

De houdingen en opvattingen van jongeren over seksuele diversiteit krijgen ze vaak van huis uit mee. Maar ook omgevingen als school, de buurt en de kerk hebben zo’n socialiserende invloed. Uit ander onderzoek van het SCP uit 2014 blijkt dat religieuze jongeren, met name moslims, negatiever reageren op homoseksualiteit dan niet religieuze jongeren.[viii] Zij hebben meer moeite met twee zoenende mannen (en in mindere mate met twee zoenende vrouwen) en vinden het vaker vervelend om les te krijgen van een homoseksuele of lesbische docent. Hoe reageren professionals op negatieve reacties van leerlingen?

Ronald krijgt weleens van leerlingen te horen dat ze moeite hebben met seksuele diversiteit, omdat het van hun geloof niet mag. “Zo’n kind is niet te overtuigen van iets anders. Maar ik heb nog nooit meegemaakt, of ze nu christelijk zijn of islamitisch, dat ze het dan willen verbieden.” Hij vindt het geen enkel probleem dat niet alle leerlingen seksuele diversiteit omarmen. Een doel voor hem is dat leerlingen elkaar de ruimte geven en seksuele diversiteit tolereren. Tolerantie is volgens hem zelfs de kern van diversiteit. Maar hij is van mening dat je mensen niet kunt opleggen dat ze van alles moeten accepteren. “Bij acceptatie zit je op een puur interne menselijke waarde. Die kun je niet opleggen. Tolerantie is misschien zwakker, omdat het een vorm van gedogen is. Maar dat maakt juist die diverse wereld mogelijk.”

Martijn heeft in zijn les nog nooit negatieve reacties op het onderwerp meegemaakt. Hij geeft aan dat leerlingen opvallend positief reageren wanneer seksuele diversiteit in de les behandeld wordt. Monique vertelt dat er ieder jaar op Paarse Vrijdag wel een aantal negatieve reacties van leerlingen zijn. Die dan dingen roepen als ‘kankerhomo’. Zij heeft het idee dat deze jongeren zelf meestal geen ervaring hebben met homoseksualiteit in de nabije omgeving, maar dat het gewoon vooroordelen zijn, “ingegeven door hoe er thuis over wordt gedacht of in de media over wordt gesproken”. Ze vertelt dat je misschien ook blij moet zijn dat ze zich hardop uiten, “want dat geeft je de kans om erover te praten, terwijl ze het anders misschien toch denken of ergens anders roepen waar wij het niet horen.” Door het gesprek hierover aan te gaan, hoopt ze leerlingen meer respect voor elkaars achtergrond bij te brengen.

Respectvolle omgang

Uit de gesprekken met professionals ontstaat het beeld dat de meeste van hen seksuele diversiteit op school de nodige aandacht geven en ook het belang hiervan inzien. Zij vinden het belangrijk dat leerlingen zichzelf kunnen zijn op school en proberen voor iedereen een veilige omgeving te creëren. Toch blijft het lastig om te weten wanneer je het (helemaal) goed doet. Een inclusieve benadering, waarin seksuele diversiteit aan de orde komt in thema’s als liefde en diversiteit, lijkt een prima manier om te benadrukken dat dit iets normaals is. Maar is er daarin wel voldoende ruimte voor specifieke vraagstukken waar lhbt-leerlingen mee te maken (kunnen) krijgen? Wanneer doe je als docent genoeg en hoe weet je of school daadwerkelijk een veilige plek is voor alle leerlingen? Deze vragen zijn niet zo makkelijk te beantwoorden.  

Wat volgens de meeste professionals in ieder geval belangrijk is voor een respectvolle omgang met seksuele diversiteit, is leerlingen meegeven dat je iedereen zijn stukje ruimte moet geven. Veel praten is daarbij essentieel. Monique: “Vooral met elkaar in gesprek gaan en vooral niet met een negatieve grondhouding beginnen, maar uit nieuwsgierigheid en met interesse. Kijk ook naar de dingen die je wel met elkaar gemeen hebt, niet alleen naar de verschillen. Iedereen is verschillend, hoe dan ook.”  

Uit privacyoverwegingen zijn de namen van de onderwijsprofessionals in dit artikel gefingeerd.


Geraadpleegde bronnen:

[i] Databank Onderzoek 010, Bevolking 2018

[ii] Pizmony-Levy, O. (2018). The 2018 Dutch National School Climate Survey Report. Research Report. New York: Teachers College, Columbia University.

[iii] Boer, S. de (2014, 4 september). “Ik vind het juist goed dat hetero’s de kar trekken”. Geraadpleegd van https://www.avs.nl/artikelen

[iv] Schouten, M.A., en Kluit, M. (2017). Niet langer een keuze. Hoe scholen met hun leerlingen succesvol werken aan respect voor seksuele diversiteit vanuit de zorgplicht tot sociale veiligheid. Utrecht/Amsterdam: Onderwijsalliantie voor Seksuele Diversiteit.

[v] Buijs, L. (2017). “Niet overtuigen, maar raken”. Pleidooi voor een eigentijdse aanpak van LHBT-voorlichting op middelbare scholen. Riek Stienstralezing 2017. Amsterdam: EduDivers.

[vi] Veul, N. (2017, 8 november). Pisnicht. Geraadpleegd van https://www.vpro.nl/lees/columns/nicolaas-veul/pisnicht.html

[vii] Bucx, F., en Van der Sman, F. (2014). Anders in de klas. Evaluatie van de pilot Sociale Veiligheid LHBT-jongeren op school. Den Haag: SCP

[viii] Huijnk, W. (2014). De acceptatie van homoseksualiteit door etnische en religieuze groepen in Nederland. Den Haag: SCP

Jongerenwerk in Noord: “Ook met slechte kaarten kun je winnen”

Jongerenwerk in Noord: “Ook met slechte kaarten kun je winnen”

Vertrouwensband. Met deze term wordt volop geschermd in het sociale werkveld. Professionals nemen het woord geregeld in de mond. Artikelen worden erover volgeschreven. Volgens jongerenwerkers is de vertrouwensband essentieel voor goede begeleiding en hulpverlening. Toch is er ook kritiek. Verschillende onderzoekers vinden dat van een echte vertrouwensband geen sprake kan zijn. Bovendien zou het te veel afleiden van resultaten. Hoe kijken jongerenwerkers zelf aan tegen de vertrouwensband? En wat vinden zij van de theoretische kritiek? IDEM-onderzoeker Larissa Chantre legde deze vragen voor aan jongerenwerkers in Rotterdam Noord. 

‘Elke jongere telt.’ Met het programma Rotterdamse Risicojongeren 2016-2020 hoopt de gemeente Rotterdam jongeren met een minder gunstige startpositie te ondersteunen. Een van de partijen die hier een belangrijke rol in speelt, is het jongerenwerk. De jongerenwerkers begeleiden jongeren in hun – soms hobbelige – reis naar volwassenheid. “Het leven is een kaartspel”, zegt Isis, een van de jongerenwerkers in Rotterdam Noord. “Voor sommigen zijn de kaarten niet gunstig gedeeld, maar dit betekent niet dat je niet kan winnen. Het betekent alleen dat je wat extra hulp en ondersteuning nodig hebt.” Jongerenwerkers zien het als hun taak om jongeren te ondersteunen in hun persoonlijke en sociale ontwikkeling. Waar nodig helpen ze met het overwinnen van de hobbels op hun reis. Ze vormen een brug tussen de verschillende leefwerelden van jongeren; leggen verbindingen tussen jongeren en de samenleving. Naast het gezin en school, zijn zij een ‘mede-opvoeder in de buurt’. Op deze manier proberen jongerenwerkers ervoor te zorgen dat met name jongeren in een kwetsbare positie de aansluiting met de rest van de maatschappij niet verliezen. Jongeren zonder startkwalificatie, werk of dagbesteding hebben immers vaker een vertroebeld toekomstperspectief. Jongerenwerkers proberen, door middel van talentontwikkeling en toeleiding naar school of werk, te voorkomen dat jongeren afglijden naar criminaliteit.

Van groet naar vertrouwensband

Op straat, op school of in het buurthuis: als er jongeren zijn, zijn er jongerenwerkers. Door het logo van de organisatie op hun kleding, regelmatig te verschijnen op plekken waar jongeren zijn en zo nu en dan een kort praatje te maken, zorgen jongerenwerkers ervoor dat zij herkenbaar zijn. “Hé, hoe gaat het? Ik zal mezelf even voorstellen”, zijn vaak de eerste zinnen waarmee professionals op jongeren afstappen. Het is een laagdrempelige manier om een gesprek te beginnen, maar tegelijkertijd cruciaal. “Jongeren zijn vaak wantrouwig naar ons als jongerenwerker”, legt Lisa uit. “Ze hebben slechte ervaringen met voorgaande instanties of gewoon geen zin in ‘bemoeienis’. Zo’n eerste gesprek bepaalt dan de voortgang van de relatieopbouw.”

Het eerste contact is vaak buiten op straat, telefonisch of kort als iemand komt binnenwandelen in het buurthuis. Hierna volgt eventueel een traject. “Jongeren komen vaak op vrijwillige basis terecht bij het jongerenwerk. Hierdoor hebben wij niet altijd een stok achter de deur om jongeren mee te krijgen in een traject. Het is dus belangrijk dat een jongere een ‘goede’ eerste indruk heeft om op de radar van het jongerenwerk te blijven. Dit verloopt niet altijd even soepel”, vertelt David. Volgens David bevinden jongeren zich vaak in de ‘ik zie wel, komt wel goed’-fase. Er worden nogal wat schouders opgehaald. Hoewel dit bij de leeftijd van jongeren hoort, geeft hij aan dat dit ervoor kan zorgen dat je als jongerenwerker moeilijker tot een jongere kan doordringen. “Op zulke momenten is het vooral de kunst om eerlijk, duidelijk en toegankelijk te zijn. Hoe was je weekend, hoe gaat het op school en wat zijn je hobby’s? Het hoeft niet gelijk te gaan over waar een jongere allemaal tegenaan loopt. Dat is te geforceerd. Gewoon praten over wie zij of hij is, wie ik ben en waar ik voor sta”, vervolgt David. De jongerenwerkers hebben het idee dat deze laagdrempeligheid als prettig wordt ervaren. In hun beleving leidt dit ertoe dat jongeren sneller openstaan voor vervolggesprekken.

Een kennismaking op deze manier insteken biedt ruimte om uit te leggen voor welke vragen jongeren bij jongerenwerkers terecht kunnen. David en Isis leggen allebei uit dat jongeren soms hele praktische vragen hebben, bijvoorbeeld over het vinden van een baan of het regelen van een woning. “Dit misverstand wil ik gelijk de wereld uit helpen”, vertelt David. “Ik kan namelijk niet in deze behoeften voorzien, maar ik kan wel samen naar mogelijkheden kijken en bijvoorbeeld helpen bij de voorbereiding op een sollicitatie.” Het eerste gesprek lijkt dus vooral te gaan over verwachtingsmanagement. Het zorgt ervoor dat er kaders worden geformuleerd over wat de mogelijkheden zijn die jongerenwerkers hebben in de uitvoering van hun functie. Op basis hiervan kunnen er afspraken worden gemaakt met de desbetreffende jongere over het verloop van de begeleiding. “Het maken van afspraken helpt bij de opbouw van een vertrouwensband”, stelt Tim. “Zowel de jongeren als ik kunnen elkaar hierop aanspreken, het zorgt voor duidelijkheid en het maakt wederzijds respect mogelijk.”

Volgens Veerle van Assche en Greetje Hermans, onderzoekers binnen de vakgroep Cultuur & Welzijn van de Universiteit van Antwerpen, is wederzijds respect een belangrijke basis voor een vertrouwensband met jongeren. Hierdoor zien jongeren de professionals namelijk als een steunfiguur die begrip toont voor hun situatie. Een vertrouwensband groeit naarmate de begeleiding van jongeren vordert. “Je moet dit vertrouwen soms winnen en dat is niet binnen een paar seconden gebeurd. Soms moet je meerdere gesprekken voeren, een luisterend oor bieden en jongeren het gevoel geven dat ze veilig hun verhaal op tafel kunnen leggen”, legt David uit. Alle jongerenwerkers stellen dat met name de veiligheid die jongeren ervaren om zichzelf te uiten cruciaal is voor een succesvolle uitvoering van hun werk. Is daarmee de vertrouwensband van essentieel belang?

Schijnvertoning

In verschillende theorieën worden vraagtekens gezet bij de vertrouwensband en het belang ervan. Zo is deze volgens Jan Schellekens, leidinggevende van ‘De Spits, bureau voor jeugd- en jongerenwerk’ en ontwikkelaar van het brede jeugd- en jongerenwerkmodel, “een grote vergissing” in het jongerenwerk. “De relatie tussen een jongerenwerker en een jongere is niet berust op onderling vertrouwen, maar op een werkopdracht waarvoor jongerenwerkers een vergoeding krijgen. Vertrouwen is dus eerder een professioneel handigheidje”, aldus Schellekens. Uit zijn theorie kan worden opgemaakt dat een vertrouwensrelatie eerder een schijnvertoning is, waarbij “twee acteurs een relatie proberen aan te gaan”. Volgens Schellekens ‘verleiden’ jongerenwerkers jongeren tot een relatie. Hij stelt dat zij dit vooral doen uit eigen belang, omdat het hen een leuke en interessante opdracht lijkt waarvan ze geloven dat ze het tot een goed einde kunnen brengen.

De theorie staat haaks op de ervaring van jongerenwerkers uit Noord. De argumentatie van Schellekens doet dan ook veel wenkbrauwen fronsen. “Ja, dit is mijn werk en het is mijn taak om jongeren te helpen”, legt Isis uit. “Maar dit doe ik niet uit eigenbelang. Dat leg ik ook uit aan de jongeren met wie ik werk. Ik hoef ze niet te helpen, betaald krijg ik toch wel. Maar mijn betrokkenheid bij het welzijn van jongeren maakt dat ik een band met ze wil opbouwen, omdat ik er heilig van overtuigd ben dat ik ze alleen op die manier kan brengen waar zij willen komen.” Ook David stelt dat een vertrouwensband belangrijk is: “Het zorgt ervoor dat jongeren zich veilig voelen en hun verhaal durven delen. Soms slaat de klok bijna twaalf uur en dan moet je gaan rennen. Aan ons als jongerenwerkers de taak om rust te bewaren en gelijk actie te ondernemen, maar dan moet je wel het hele verhaal kennen. Als bijvoorbeeld een leerplichtige jongere een straf boven het hoofd hangt, omdat zij of hij teveel verzuimt, is het belangrijk om erachter te komen wat de reden is voor het verzuim. Anders lossen we niks op”, vervolgt hij. Het idee dat je zonder vertrouwensband jongeren niet de juiste ondersteuning kan bieden, lijkt een gedeelde mening onder de jongerenwerkers. “Als jongeren niet het achterste van hun tong willen laten zien, kan je niet inzetten op verandering”, vertelt Isis.

De jongerenwerkers bemerken een verschil in begeleiding van jongeren waarmee een vertrouwensband is opgebouwd en jongeren die wantrouwig zijn. Volgens hen vatten jongeren die wantrouwig zijn feedback snel op als kritiek. “Als jongeren je vertrouwen en dus geloven dat jij het beste met hen voorhebt, dan nemen ze meer van je aan”, zegt Isis. “Ze laten zich dan ook beter helpen of begeleiden.” David maakt een kanttekening: “Het blijven individuen. Zodra zij uit mijn zicht zijn, weet ik niet of ze de nieuw geleerde vaardigheden inzetten. Maar daar hoop je natuurlijk wel op.”

Is de vertrouwensband overgewaardeerd?

Als je niet met zekerheid kan zeggen dat jongeren de vaardigheden in de toekomst blijven gebruiken, wat is dan het nut? Deze vraag is een tweede punt van kritiek in de theorie over jongerenwerk. William Miero, adviseur Jeugd, Jongerenwerk, Veiligheid en Leefbaarheid, geeft vrij uitgesproken antwoord op deze vraag in een interview met SOZIO een vakblad voor sociale professionals en het sociale domein. Hij stelt dat een vertrouwensband een overgewaardeerd begrip is. “Het is een tijdrovende, niet-relevante relatie waarin jongerenwerkers eigenlijk het gedrag van een jongere ‘kopen’”, zo stelt hij in zijn pleidooi. Volgens Miero is de nadruk op de vertrouwensband te groot. Hierdoor ontstaat ‘paniek’ als jongerenwerkers vertrekken uit een gebied. Toch komt dat regelmatig voor, vooral door het systeem van aanbestedingen. “Een vertrouwensband opbouwen doe je niet zo een-twee-drie”, legt Lisa uit, “en als dan de kans bestaat dat je weg moet vanwege een aanbesteding… Jongeren geven zichzelf aan iemand over, maar hebben niet meer met jou als jongerenwerker te maken als je moet vertrekken. Een jongere moet dan helemaal opnieuw beginnen.”

Miero vindt dan ook dat jongerenwerkers zich minder druk moeten maken over die vertrouwensband en meer moeten inzetten op resultaten. Echter, om die resultaten te behalen is de vertrouwensband noodzakelijk, menen de jongerenwerkers, ook als je ieder moment uit het gebied weg kan zijn. “Zeker met de aanbestedingen komt het voor dat je als jongerenwerker uit een gebied moet vertrekken”, zegt David. “Maar ik geloof niet dat dit een vertrouwensband in de weg hoeft te staan. Ik kan inzetten op die vertrouwensband en er tegelijkertijd voor zorgen dat een ander mijn werk kan overnemen. Dit doe ik door goed te registreren en goede gesprekken te voeren met een jongere op het moment dat dit aan de orde is. Zo kan ik bijvoorbeeld een kennismaking organiseren met de vervanger, zodat een goede, warme overdracht plaatsvindt.” In zijn beleving zorgt juist die vertrouwensband ervoor dat jongeren inzien dat een collega net zo goed is en wordt blijvend ingezet op resultaat.

Een vertrouwensband om achter te schuilen

“Open en eerlijk gesprekken voeren over alles wat er speelt in het leven van jongeren, dat is waar de vertrouwensband over gaat”, meent David. Isis beaamt dit en voegt eraan toe dat zij het belangrijk vindt om jongeren te laten zien dat zij naast hen staat. Een derde punt van kritiek in de theorie, echter, is dat de vertrouwensband belemmerend werkt als het gaat om het bespreekbaar maken van onderwerpen als seksualiteit. Om die reden zouden ‘jongerenwerkers zich eerder verschuilen achter het idee van de vertrouwensband’, aldus Miero.

De jongerenwerkers spreken zich faliekant uit tegen deze stelling. “Het kan nooit zo zijn dat je vanwege een vertrouwensband iets als seksuele diversiteit niet kan bespreken. Dan heb je gewoon geen vertrouwensband”, vertelt Isis. In dezelfde adem legt zij uit dat dit verwijt geen nieuws is. “Ik hoor het vaker, maar ik ben het er niet mee eens. Bepaalde zaken niet bespreekbaar kunnen maken heeft naar mijn mening niets te maken met de vertrouwensband, maar met de verwevenheid met een wijk en de eigen denkbeelden en ideeën.” Volgens Isis bestaat Rotterdam Noord uit een hechte gemeenschap met veel buurtbewoners en professionals die dezelfde culturele of religieuze achtergrond hebben. Sommige jongerenwerkers komen uit de wijk, zijn er opgegroeid en maken deel uit van deze hechte gemeenschap in hun privéleven. In haar optiek kan deze sterke verwevenheid met een wijk en het erop nahouden van dezelfde denkbeelden belemmerend werken in het gesprek met jongeren.

Kamiel Knoops, Judith Metz en Jolanda Sonneveld, onderzoekers bij het lectoraat Youth Spot van de Hogeschool van Amsterdam dat wil bijdragen aan de professionalisering van grootstedelijk jongerenwerk, erkennen de nadelige kanten van sterke verwevenheid en het gebruik van eigen ervaringen in de gesprekken met jongeren. Volgens het onderzoek bestaat er een risico dat professionals die intensief met jongeren samenwerken en een vertrouwensband hebben opgebouwd, onderdeel kunnen worden van de leefwereld van die jongeren. Dit kan komen doordat “jongerenwerkers samen met jongeren strijden om een ingang te vinden in de dominante samenleving”, waardoor zij het perspectief van jongeren overnemen. Het gevaar van het gedeelde perspectief is, volgens Youth Spot, dat jongeren er geen baat bij hebben dat jongerenwerkers zich met hen identificeren. “Zij hebben namelijk behoefte aan rolmodellen en iemand die hen duidelijk kan maken wanneer grenzen worden overschreden.”

De geïnterviewde jongerenwerkers spreken jongeren altijd aan op gedrag dat niet door de beugel kan. Ook geven zij ongevraagd advies als zij dat nodig achten. De ervaring leert echter dat jongeren meer aannemen op het moment dat er een vertrouwensband is opgebouwd. “Een jongere kan wel binnenkomen met het verhaal dat zij of hij werk wil vinden, maar als je vervolgens onderuit gezakt op een stoel zit met een ongeïnteresseerde houding, dan geloof ik daar weinig van. Laat staan een werkgever”, legt David uit. “Op zulke momenten spiegel ik het gedrag. Ik neem dezelfde houding aan en vraag of ze mij zouden aannemen als ik zo bij een sollicitatiegesprek kom. Omdat ik een band met ze heb opgebouwd, voelen zij zich minder veroordeeld en stellen zij zich open om inzicht te krijgen in de eventuele effecten van hun gedrag.”

“Ook met slechte kaarten kun je winnen”

De kritiek op de vertrouwensband die in de theorie wordt geuit, wordt gedeeltelijk door de jongerenwerkers uit Noord erkend. Het lijkt een ongrijpbaar begrip dat kan zorgen voor de nodige belemmeringen. Volgens hen zijn er zeker jongerenwerkers die het begrip gebruiken om achter te ‘schuilen’. Toch zien zij het zelf als een essentiële voorwaarde voor hun werk. De jongerenwerkers benadrukken met name de praktische kanten en voordelen van de vertrouwensband. Het biedt namelijk de mogelijkheid om het hele verhaal van jongeren te horen te krijgen, wat noodzakelijk is voor effectieve begeleiding en hulp bieden binnen de beperkte tijd die beschikbaar is. “Je wilt jongeren op een goede en prettige manier het ‘eindstation’ van volwassenheid laten bereiken. En met die vertrouwensband durven ze de hulp aan te nemen om de juiste kaart op te gooien. Zoals ik zei: het leven is een kaartspel, maar zelfs met slechte kaarten kun je winnen”, aldus Isis.

Uit privacyoverwegingen zijn de namen in dit artikel gefingeerd.

Geraadpleegde bronnen

  • Assche, van V. & Hermans, G. (2000). Grenzen, gezag en begeleiding: dillema’s van jeugdwerkers en opvoeders. Antwerpen: Universiteit van Antwerpen, departement politieke en sociale wetenschappen
  • Chikar, N (2017). Over de (vertrouwens)brug komen: Een onderzoek naar het effect van een vertrouwensrelatie op de zelfredzaamheid van risicojongeren. Masterthesis, Erasmus Universiteit Rotterdam en Gemeente Rotterdam
  • Gemeente Rotterdam (2017). Elke jongere telt: Programma Rotterdamse Risicojongeren 2016-2020
  • Koops, K., Metz, J. & Sonneveld, J. (2013). Wij zijn de brug naar zelf aan de slag gaan: Onderzoeksrapport over de werking en resultaten van Ambulant jongerenwerk in de grote stad. Lectoraat Youth Spot, Hogeschool van Amsterdam
  • Metz, J. (2013). De waarde(n) van het jongerenwerk. Youth Spot, Hogeschool van Amsterdam
  • Schellekens, J. (2013). De grote vergissing in het jongerenwerk: de Vertrouwensrelatie
  • Miero, W. (2009). Vertrouwensband overgewaardeerd in jongerenwerk. In: SOZIO, Vakblad voor sociale professionals en het sociale domein
  • Valkestijn, M., Bakker, P.P., Hilverdink, P. & Metz, J. (2015). Jongerenwerk in beeld: voor partners in de wijk. Nederlands Jeugd Instituut