Taboes als trend: hoe praten welzijnswerkers in Delfshaven over het onbespreekbare?

Taboes als trend: hoe praten welzijnswerkers in Delfshaven over het onbespreekbare?

Het kabinet lanceerde in april een campagne om het taboe op angststoornissen te doorbreken. In mei volgde een campagne over dat op schulden. Ook in Rotterdam zijn er talloze initiatieven om taboe-onderwerpen bespreekbaar te maken: van theatervoorstellingen tot praatsessies. Taboes doorbreken lijkt een trend. Maar wat betekent deze trend voor professionals in het maatschappelijk veld? Hoe gaan zij om met onderwerpen die lastig bespreekbaar zijn?

In Delfshaven worden taboes als belemmering in het welzijnswerk gezien. Dat blijkt uit het Gebiedsbeeld Delfshaven, waarin IDEM Rotterdam in 2018 signalen en aanknopingspunten over de thema’s integratie, discriminatie, vrouw/man-emancipatie en lhbti-emancipatie bundelde. Welzijnswerkers ervaren dat zij niet alle bewoners bereiken en wijten dit aan de vele ‘taboes’ die er bestaan. Vooral onderwerpen als seksualiteit en schulden bevinden zich volgens hen in de taboesfeer, waardoor sommige Delfshavenaren moeilijker de hulp krijgen die ze nodig hebben. Om meer inzicht te krijgen in het onderwerp gingen we opnieuw het gesprek aan met welzijnswerkers in Delfshaven, een stadsgebied dat rijk is aan verschillende culturen, tradities, normen en waarden. Welzijnswerkers hebben de (gemeentelijke) opdracht om bewoners te ondersteunen op alle levensdomeinen. Om inzicht te krijgen in iemands situatie en problemen, is openheid noodzakelijk. Tegelijkertijd heeft iedere welzijnswerker een persoonlijke stijl, waardoor de omgang met gevoelige onderwerpen per professional verschilt. Tijdens een focusgroep en enkele individuele gesprekken is daarom nader onderzocht op welke manier welzijnswerkers in hun werk met taboes te maken krijgen. Wat verstaan zij zelf onder taboes en wat is volgens hen de functie ervan? Is er een verband tussen taboes en de diversiteit aan culturen in Delfshaven? En hoe gaan deze welzijnswerkers zelf om met onderwerpen die lastig bespreekbaar zijn?  

Taboe door de geschiedenis heen

Het woord taboe is in de Van Dale gedefinieerd als “iets dat niet gedaan of gezegd mag worden”. De oorsprong van het begrip ligt echter in Polynesië, namelijk bij het woord tabu, wat ‘van merkteken voorzien’, ‘voorbehouden’ of ‘verboden’ betekent. Eenmaal opgenomen in de Engelse taal werd taboe gedefinieerd, volgens Dirk Vlasblom in het NRC, als “een verzamelnaam voor alle sociale en religieuze verbodsbepalingen die gelden voor woorden, voorwerpen, handelingen of mensen die een groep, cultuur of samenleving als ongewenst beschouwt.” Vlasblom beschrijft de eeuwenlange wetenschappelijke discussie over het begrip taboe en concludeert: “op één punt bestaat consensus: ze [taboes] rusten op zaken en handelingen die de sociale orde bedreigen; het zijn instrumenten van sociale controle.” Verschillende onderzoeken en artikelen vatten taboes dan ook samen als ‘ongeschreven regels’. Overtreding van de ongeschreven regels is niet zonder consequenties, benoemt filosoof Marli Huijer in 2009 in Trouw: het kan leiden tot “verlegenheid, schaamte en sociale uitsluiting”. 

Vlasblom beargumenteert in NRC dat taboes “sinds de jaren zestig in het Westen een slechte naam hebben. (…) Taboes helpen de orde bewaren en (…) de gevestigde orde moest (…) op de helling. Taboes waren achterlijk en moesten worden doorbroken.” Huijer benoemt in Trouw dat taboes volgens haar altijd kritisch bediscussieerd kunnen worden: “Het zijn uitdrukkingen van morele waarden die tijdgebonden zijn en morele waarden en de taboes die ermee samenhangen kunnen ter discussie gesteld worden.” Dit lijkt in Nederland nog steeds de tendens: het bediscussiëren van taboes. Vanaf de jaren zestig is geprobeerd om allerlei traditionele taboes uit de taboesfeer te halen, met name op het gebied van seksualiteit. Denk bijvoorbeeld aan homoseksualiteit of seks voor het huwelijk. Progressieve waarden zijn in het Nederlandse beleid en in de wet- en regelgeving dominant.

Verschil van mens tot mens

Door het veelvuldige gebruik van het begrip taboe en de verandering door de jaren heen van wat wel of geen taboe zou zijn, lijkt de betekenis minder eenduidig te zijn geworden. Welzijnswerkers noemen uiteenlopende voorbeelden van taboes die zij in hun werk tegenkomen: seksualiteit, seksuele diversiteit, geld, niet kunnen lezen en schrijven, hulp vragen in het algemeen, ziektes en vreemdgaan. Hilda, die veel met jongeren en ouders werkt, vertelt: “Ik werk aan een flyer over seksuele voorlichting. Daarbij moet ik goed nadenken over de woorden die ik gebruik. De opdrachtgever wil dat alles heel voorzichtig wordt benaderd om geen ouders kwijt te raken.” Welzijnswerker Tica geeft een ander voorbeeld: “Ik heb veel te maken met mensen die de taal niet goed spreken of helemaal niet kunnen lezen of schrijven. Sommige mensen zijn al lang analfabeet en praten daar niet over. Dit vermijden ze door bijvoorbeeld te zeggen ‘oh ik heb mijn bril niet bij me’ of ‘ik heb het ingevulde formulier thuisgelaten’.”

Als de definitie van taboe ter sprake komt, vindt Lilia dat het begrip wel heel breed geïnterpreteerd wordt: “Voor mij is een taboe iets wat onbesproken blijft. Iets wat echt niet wordt gedeeld. Een taboe blijft misschien onzichtbaar, bijvoorbeeld de dood. Voor mij is de dood een taboe, omdat mensen er niet over praten. Als je er toch over begint, voelen mensen zich meteen ongemakkelijk.” Een ander voorbeeld uit het gesprek – wat volgens Charlotte het beste voorbeeld van een taboe is – betreft een vader en zoon die allebei weten dat de zoon homoseksueel is; zij durven er wel met anderen over te praten, maar niet met elkaar. Henk benadrukt dat taboes ook heel persoonlijk kunnen zijn: ze kunnen bijvoorbeeld samenhangen met “je kijk op de dood en wat de dood voor je betekent”. Lilia is het ermee eens dat taboes van mens tot mens verschillen: “Een taboe kan eenzijdig zijn. Een vrouw die naar eigen zeggen niet met haar man over seks kan praten, heeft dat misschien wel nooit geprobeerd. Vaak worden taboes door jezelf in stand gehouden.”

Na gezamenlijk te concluderen dat welzijnswerkers enigszins verschillende interpretaties van het begrip taboe hebben, komt de functie ervan binnen de samenleving ter sprake. De meeste welzijnswerkers leggen de nadruk op de nadelen van taboes. Henk, echter, ziet dit anders: “In Nederland wonen we in een vrij open samenleving, waarin veel dingen bespreekbaar zijn. Maar soms is het volgens mij goed dat er taboes zijn. Ik denk dan aan het beschermen van de mens, zodat mensen niet denken dat alles maar kan naar elkaar toe. Er zijn grenzen. Dan kan een taboe juist goed zijn.” Binnen de focusgroep is hij in dit opzicht de uitzondering. Henk heeft naar eigen zeggen vanuit zijn geloofsovertuiging bepaalde taboes op het gebied van drugs, alcohol en seksualiteit, omdat hij denkt dat die zaken “niet goed voor je zijn, dat je er beter niet te veel over kan weten en er beter ver van kan blijven.”

Zijn taboes cultureel bepaald?

Weinig welzijnswerkers pleiten (openlijk) voor het nut van traditionele waarden en taboes, al zien ze deze regelmatig bij cliënten. De welzijnswerkers lijken er zelf afstand van te nemen door deze waarden en taboes te verbinden aan ‘andere culturen’. “Bij taboes komt bij mij gelijk het woord cultuur in me op”, zegt Sofie. “Of het nou te maken heeft met seksualiteit of bepaalde genderrollen, bijvoorbeeld wanneer mannen en vrouwen niet dezelfde dingen mogen. Daar heb ik de afgelopen week twee keer mee te maken gehad.” Ook anderen spreken over taboes als “een cultuurdingetje”. Volgens socioloog Paul Kapteyn zijn juist dit soort uitspraken typerend voor het begrip taboe. Taboes wijzen op vanzelfsprekende vermijdingen, maar hebben overwegend betrekking op anderen: “‘Zij’ zijn het die taboes bezitten en ‘wij’ zijn het die dit doorzien.” Diegenen die het woord taboe gebruiken vinden volgens Kapteyn dan ook vaak dat taboes onnuttig, onredelijk en overbodig zijn.

Welzijnswerker Hilda herkent de valkuil van vooroordelen over taboes van anderen: “Een mevrouw was er op tegen dat haar kind nog kusjes gaf aan haar opa. Toen dacht ik wel: ik ga eens vragen waarom. Ik kreeg een antwoord wat ik niet had verwacht. In haar geval vond ze namelijk dat opa een minder goede mondhygiëne heeft; het was een hygiënische keus dus. Het was maar goed dat ik niet mijn eigen invulling had opgelegd; ik had toch een beetje een vooroordeel. Het zette me aan het denken over vooroordelen en taboes. Het oordelen over andermans taboes, dat is wel een valkuil.”

Verschillen binnen ‘culturen’

Niet alle welzijnswerkers zijn zo reflectief als Hilda. Zij lijken zich niet altijd voldoende bewust van het feit dat een ‘cultuur’ geen statische eenheid is. Medisch antropoloog Cor Hoffer legt in een interview met Zorg+Welzijn uit 2018 uit dat het een misvatting is om te denken dat “cultuur een-op-een overeenkomt met een bevolkingsgroep of een individu uit een bevolkingsgroep”. De cliënt in kwestie is namelijk een individu. Naast cultuur spelen andere aspecten een rol bij attitudes en beleving, zoals leeftijd en gender. Uit een paar voorbeelden van welzijnswerkers blijkt dat er binnen ‘culturen’ belangrijke verschillen zijn tussen generaties. Zo vertelt Sofie dat in het voorbeeld van de homoseksuele jongen die hierover niet met zijn vader kan praten, dat opvattingen van de grootmoeder mogelijk een rol spelen. Voor haar is homoseksualiteit een groot taboe en vermoedelijk ziet vader op tegen haar reactie. Hilda voegt toe dat er ook grote verschillen zijn tussen gezinnen: “Ik stap steeds meer af van mijn eigen invulling van culturen. Er hangt zoveel af van gezinsculturen. Als ik kijk naar de Bollenstreek waar ik ben opgegroeid, dan merk ik dat ik mazzel heb gehad dat ik in een vrij open gezinscultuur ben opgegroeid. Veel leeftijdgenoten hebben veel meer taboes meegekregen: over bepaalde dingen wordt gewoon niet gesproken. Ik kom in mijn werk veel ouders tegen die aangeven dat bij hen heel veel besproken kan worden, terwijl ze onderdeel uitmaken van een cultuur waarover vooroordelen bestaan dat zij veel taboes hebben. Dus het verschilt eerder van gezin tot gezin, dan van cultuur tot cultuur.”

Cultuursensitief werken

In een recent artikel op Sociale Vraagstukken beargumenteert arabist en turkoloog Rob Ermers dat hulpverleners per individu of per gezin moeten onderzoeken welke eventuele ‘taboes’ of problemen er spelen. Dit betekent dat bij elke cliënt de vraag gesteld moet worden waarom iemand onderwerpen als schulden of seksualiteit niet kan of wil bespreken. Ermers benadrukt dat ‘cultuur’ een zeer vaag begrip is en dat het contraproductief is als hulpverleners ‘aannamen, stereotypen en tendensen’ projecteren op individuele burgers. In de praktijk komt een effectieve aanpak neer op cultuursensitief werken. Volgens kenniscentrum Rutgers betekent cultuursensitief werken dat professionals zich bewust zijn van hun eigen culturele opvattingen, normen en waarden. Tegelijkertijd moeten professionals enige kennis hebben van andere culturen en levensbeschouwingen dan die waarmee zij zelf zijn opgegroeid. Daardoor kunnen professionals rekening houden met en ruimte creëren voor de culturele visie en beleving van een cliënt.

Hilda vertelt hoe zij dit in Delfshaven in de praktijk brengt: “Ik let altijd op dat ik vragen stel over de antwoorden die bewoners geven. Doorvragen waar een antwoord vandaan komt vind ik belangrijk. We hebben namelijk allemaal vooroordelen, maar je kan er niet zomaar van uitgaan dat het komt door cultuur.” Ook Henk licht zijn houding toe: “In mijn werk je moet niet ‘OM-en’, niet oordelen en niet minachten. Iedereen heeft een eigen levensbeschouwing of geloofsovertuiging. Dat moet je respecteren van elkaar. Ik vind dat je daarover met elkaar in gesprek kan gaan.” Door zich open te stellen, nieuwsgierig te zijn en vooral door te vragen, kunnen professionals voorkomen dat ze eigen denkbeelden projecteren en de verklaringen voor een taboe invullen. Tijdens de gesprekken met welzijnswerkers blijkt dat cultuursensitief werken nog niet voor iedereen vanzelfsprekend is. “Ik denk dat welzijnswerkers nog te veel zitten op de verschillen die volgens hen cultureel bepaald zijn”, zegt Hilda. “Maar er zijn ook zoveel overeenkomsten tussen mensen, bijvoorbeeld liefde voor je kind en ouderschap. Als we meer naar de overeenkomsten zouden kijken, zouden we merken dat veel onderwerpen cultuuroverstijgend zijn.”

Handelingsverlegenheid

In de praktijk kan het voor welzijnswerkers best ingewikkeld zijn om op een effectieve manier met cliënten met andere waarden en opvattingen dan zijzelf te spreken over gevoelige onderwerpen. Zeker tijdens bijeenkomsten in groepsverband wordt de deur soms direct dichtgedaan. “Als het onderwerp seksualiteit boven komt drijven, wordt door sommige bewoners direct de ‘taboe-, religie- of cultuurkaart’ getrokken”, zegt Hilda. “Op deze manier proberen ze het bespreken van seksualiteit af te houden.” Het is telkens weer een uitdaging om ervoor te zorgen dat gevoelige onderwerpen toch op tafel komen. Welzijnswerkers zijn het erover eens dat dit uiteindelijk wel is waar hun werk om draait: voor cliënten ruimte creëren om over (taboe)onderwerpen te praten die ze elders niet kunnen bespreken. Dit vraagt om een sensitieve aanpak en de investering in een vertrouwensband. Een te directe aanpak kan namelijk averechts werken, zo licht Henk toe. “Je moet altijd uitkijken dat je elkaar niet afstoot en geen geslotenheid creëert. Het is zaak dat je een open gesprek houdt en als je merkt dat iemand moeite heeft met een bepaald onderwerp, dan ben je daar wel voorzichtiger mee. Dat wil niet zeggen dat je het niet aan de orde moet stellen, maar er moet eerst een vertrouwensband ontstaan.” Sofie is het met hem eens. Soms betekent dit dat je taboes respecteert: “Als iets voor mij helemaal geen taboe is, maar voor een ander wel, dan laat ik het eerst even op een laag pitje staan zodat diegene niet uit zijn comfortzone hoeft te stappen. Als het vertrouwen er dan is en iemand zich kwetsbaar durft op te stellen, gaat het makkelijker om over bepaalde onderwerpen te praten dan wanneer je iemand gaat pushen.”

Hilda ervaart dat onzekerheid bij professionals, met name over de manier waarop het onderwerp seksualiteit bespreekbaar gemaakt kan worden, kan leiden tot handelingsverlegenheid: “Ik merk, zeker wanneer het gaat over lhbti, dat er veel handelingsverlegenheid is, maar dat professionals dit niet benoemen. Zeker jongerenwerkers weten soms niet hoe ze moeten omgaan met bijvoorbeeld homoseksualiteit of met catcalling. Ik vind het moeilijk als niet gesproken wordt over handelingsverlegenheid.” Ook Charlotte erkent dat er onderling weinig wordt gepraat over het bespreekbaar maken van gevoelige onderwerpen, terwijl reflectie op eigen gevoelens van onzekerheid en ongemak tijdens het werk een cruciale eerste stap is om taboes te kunnen bespreken met cliënten. Dit creëert namelijk de noodzakelijke ruimte om effectief aan de slag te gaan met (veronderstelde) taboes en problemen van anderen. “Dat is interessant, want in ons werk zijn we heel veel met taboes bezig. Toch praten we onderling weinig over hoe lastig het is om over gevoelige onderwerpen te praten. Er lijkt wel een taboe op het praten over taboes.”

Geraadpleegde bronnen

  • Dijk, Marc van (2009). Taboes blijven onmisbaar. Trouw.
  • Ermers, Rob (2019). Aannamen over ‘cultuur’ zetten hulpverleners op het verkeerde been. Sociale Vraagstukken.
  • Zorg + Welzijn (2018). Hoe kun je als sociaal professional cultuursensitief werken?
  • Rutgers. 5 elementen van cultuursensitief werken. Artikel op website seksindepraktijk.nl
  • Vlasblom, Dirk (2006). Niet doen, niet over praten, afblijven. NRC.

Illustratie: Ez Silva / www.ezsilva.com

Is je partner net bevallen? Dit zijn jouw rechten!

Is je partner net bevallen? Dit zijn jouw rechten!

Voor je zwangere of net bevallen partner zijn er allerlei regelingen, waardoor al haar aandacht naar jullie kind kan gaan. Maar hoe zit het eigenlijk met de rechten van kersverse vaders of partners? Hoeveel vrije dagen mag de andere ouder precies opnemen? Welke typen zorgverlof zijn er allemaal? Jouw aanwezigheid als vader of partner heeft immers een belangrijke meerwaarde voor de band met je kind. Daarom zijn er ook voor jou formele mogelijkheden om je werk beter te laten aansluiten op je nieuwe zorgtaak, zoals deeltijdwerk of ouderschapsverlof.

Toch maken nog maar weinig vaders of partners gebruik van dergelijke regelingen. Het is vanuit financieel oogpunt bijvoorbeeld niet altijd mogelijk om minder te gaan werken. En, ook al is het 2019, het is nog altijd niet de norm om als vader minder te gaan werken en zorgtaken te vervullen als er kinderen komen. In veel organisaties is het niet sociaal geaccepteerd om gebruik te maken van regelingen voor vaders of partners, soms wordt het zelfs ontmoedigd of verboden.

Hoog tijd dus om op een rij te zetten wat je rechten als partner precies zijn als je een kind krijgt. Misschien kan er wel meer dan je denkt!

Geboorteverlof direct na de geboorte

Werkende vaders of partners hebben sinds 2019 recht op eenmaal het aantal werkuren per week aan geboorteverlof.

  • Werk je bijvoorbeeld 5 dagen 7 uur per dag? Dan krijg je 35 uur verlof.
  • Deze dagen kun je opnemen binnen 4 weken vanaf de eerste dag na de bevalling. De dagen zijn naar eigen inzicht in deze 4 weken op te nemen, dat kan dus direct of verspreid. De dag van de bevalling zelf valt onder het calamiteitenverlof en is een persoonlijke omstandigheid waarvoor je volledig wordt doorbetaald.
  • Het geboorteverlof mag niet worden geweigerd en wordt in je loon doorbetaald door de werkgever. Het is bovendien aan je werkgever om eventuele maatregelen te treffen in verband met de voortgang van je werkzaamheden.
  • Bij de geboorte van een meerling heb je geen recht op extra dagen geboorteverlof.

Aanvullend ouderschapsverlof direct na de geboorte

Tot 1 juli 2020 kan je als aanvulling op het geboorteverlof van het aantal werkuren per week, drie dagen ouderschapsverlof opnemen. Deze dagen mag je werkgever niet weigeren, maar zijn wel onbetaald, tenzij hierover andere afspraken bestaan in de cao waarbinnen je werkt.

Aanvullend geboorteverlof

Vanaf 1 juli 2020 kan je als werknemer in loondienst vijfmaal de wekelijkse arbeidsduur opnemen als aanvullend geboorteverlof.

  • Dit verlof moet opgenomen worden binnen zes maanden na de geboorte van je kind.  
  • Het aanvullend geboorteverlof is onbetaald, maar gedurende dit verlof heb je wel recht op een uitkering van het UWV ter hoogte van 70% van je (maximum) dagloon.
  • Je moet eerst het geboorteverlof opmaken, voordat je aanvullend geboorteverlof kan opnemen.
  • Als werknemer bepaal je wanneer je de aanvullende verlofdagen opneemt. Je werkgever mag de door jouw gewenste spreiding alleen weigeren in het geval van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang. In overleg met de werknemer kan het verlof dan anders ingeroosterd worden. Echter, een ‘zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang’ wordt door een rechter niet snel aangenomen. Een roostertechnisch probleem is in elk geval geen zwaarwegende reden om de invulling van je verlof te weigeren.
  • Bij de geboorte van een meerling heb je geen recht op extra dagen aanvullend geboorteverlof.

Ouderschapsverlof

Ouderschapsverlof is een wettelijke regeling waardoor een ouder tijdelijk minder kan werken.

  • Ouderschapsverlof geldt per kind, dus bij een tweeling heb je recht op twee keer het aantal verlofuren.
  • Per kind heeft een ouder recht op een maximum van 26 keer het aantal uren dat een ouder per week werkt.
  • Je mag maximaal de helft van het aantal uren dat je per week werkt opnemen als ouderschapsverlof. Werk je dus 36 uur, dan mag je maximaal 18 uur ouderschapsverlof per week opnemen.
  • Deze uren zijn geldig tot het kind 8 jaar wordt.
  • Het is de bedoeling dat je de uren in een aangesloten periode opneemt binnen 1 jaar. In overleg met je werkgever kun je ook voor een andere invulling kiezen, bijvoorbeeld door het verlof over een langere periode uit te smeren dan 12 maanden, door voltijds verlof op te nemen of het verlof op te splitsen in zes delen. Bij deze laatste moet elke verlofduur minstens een maand duren.
  • Ouderschapsverlof is in principe onbetaald. Sommige werkgevers betalen wel het loon (gedeeltelijk) door, maar dit hangt af van cao of van aanvullende arbeidsvoorwaarden.
  • Iedere ouder heeft afzonderlijk recht op ouderschapsverlof.
  • Je werkgever mag je aanvraag voor ouderschapsverlof niet weigeren. Wel mag een werkgever je tot 4 weken voordat het verlof ingaat, vragen om een andere verdeling van je verlofuren. Als werknemer moet je dit serieus overwegen.
  • Het ouderschapsverlof moet uiterlijk twee maanden van tevoren schriftelijk gemeld worden. Dit verzoek omvat informatie over de ingangsdatum van het verlof, de verdeling van het aantal uren, en de periode waarover het gaat. Alleen in bijzondere omstandigheden kan je als werknemer terugkomen op de gemaakte afspraken.
  • Tijdens ouderschapsverlof blijft je arbeidsovereenkomst onveranderd in stand. Dat betekent dat je opbouw van dienstjaren doorloopt. Over de verlofuren worden geen vakantierechten opgebouwd.
  • Wanneer je langer dan 18 maanden verlof opneemt, kan dat gevolgen hebben op de hoogte en duur van een eventuele toekomstige WW- of WIA-uitkering.
  • Indien je van baan verandert gedurende het ouderschapsverlof, moet je nieuwe werkgever verplicht de lopende afspraken omtrent het ouderschapsverlof overnemen.
  • Indien je (langdurig) ziek wordt tijdens het ouderschapsverlof, wordt je loon niet doorbetaald tijdens de verlofuren.
  • Ouderschapsverlof kun je wijzigen of intrekken bij onvoorziene omstandigheden, zoals bij een scheiding of arbeidsongeschiktheid van je partner. De werkgever mag het verzoek weigeren wanneer hij/zij daar een goede, onderbouwde reden voor heeft.

10 tips voor communicatie zonder genderstereotypen

10 tips voor communicatie zonder genderstereotypen

Verval jij per ongeluk in stereotypen als je de nieuwsbrief vult? Herhaal jij onbedoeld vooroordelen in je socialmediaposts? Ben je je wel bewust van genderdiversiteit als je een aanmeldformulier maakt? Professionals krijgen in allerlei situaties te maken met tekst of beeld waarin per ongeluk genderstereotypen bevestigd kunnen worden. IDEM Rotterdam geeft 10 tips om genderstereotypen in je communicatie-uitingen te voorkomen.

1. Check of je stereotypeert

“Mannen worden blij van werken.” Als je deze kop boven een artikel zou zien, dan klinkt dat best gek, nietwaar? Toch zou niemand opkijken van de kop ‘Vrouwen worden blij van werken’.

Ben jij bezig met een artikel, Facebookpost of andere uiting en komen er mannen of vrouwen in voor? Draai dan de rollen eens om. Krijg je er de kriebels van als je ‘man’ invult wanneer je ‘vrouw’ wilde schrijven? Grote kans dat je aan het stereotyperen bent.

Heb je inspiratie nodig voor deze omkeringen, wil je hier alert op blijven of gewoon lachen om de absurditeit ervan? Volg dan @manwhohasitall op Twitter.

2. Schrijf ‘zij of hij’

Het gaat vaak automatisch: als je in een tekst wil verwijzen naar een algemeen persoon, dan schrijf je ‘hij of zij’. Maar waarom zou je het niet omdraaien? Schrijf bijvoorbeeld structureel ‘zij of hij’, of verwijs alleen in vrouwelijke vorm (‘De mens is wat zij er zelf van maakt’).

3. Houd rekening met non-binaire of trans personen

Om inclusief te zijn in je communicatie-uitingen, is het van belang rekening te houden met non-binaire en transpersonen. De meeste trans personen willen graag aangesproken worden conform hun genderidentiteit, ongeacht of ze al in transitie zijn geweest (zij of hij is dan prima). Soms ligt het gevoeliger, zoals bijvoorbeeld bij non-binaire personen. Zij voelen zich immers niet thuis onder het label ‘vrouw’, maar ook niet onder het label ‘man’. De meest effectieve oplossing is de zin herschrijven naar meervoud: ‘Wil je non-binaire personen op de juiste manier aanspreken, verwijs dan naar hen. Dat vinden zij vaak het prettigst.’

4. Definieer een persoon niet aan de hand van haar of zijn partner

Houd je een interview of schrijf je een nieuwsbericht over een vrouw of man, die toevallig getrouwd is met een BN’er, publiek persoon of een andere bekende man of vrouw?

Introduceer diegene dan niet als ‘de vrouw of man van…’, maar schrijf over de persoon in haar of zijn eigen hoedanigheid als expert of professional. Bespreek haar relatie alleen als het inhoudelijk relevant is voor je stuk en probeer het vooral in de intro te vermijden.

5. Schrijf je vacatures? Voeg dan m/v/x toe aan de functietitel (of x/m/v of v/x/m of m/x/v)

Secretaresse, verpleegkundige of directeur: sommige functienamen zijn helemaal niet genderneutraal en andere pretenderen genderneutraal te zijn, maar zijn dat eigenlijk niet. Wanneer je een vacature plaatst en je wil graag dat iedereen zich aangesproken voelt om te reageren, houd hier dan rekening mee in je functietitel. Door een derde categorie toe te voegen (x), betrek je iedereen die zich niet aangesproken voelt door m of v.

Uit onderzoek blijkt dat een vacature waarin wordt gezocht naar een loodgieter/loodgietster meer reacties krijgt. En wat blijkt, hierdoor trek je niet alleen meer vrouwen, maar neemt de interesse van mannen ook niet af. Margreet Vermeulen schreef hier een interessant artikel over in de Volkskrant.

6. Denk na over je eigen functietitel

Ben jij een communicatieadviseur of -adviseuse? Ben je redacteur of redactrice? Ben je netwerker of netwerkster? Net zoals de functietitels in vacatureteksten, zijn ook de functietitels in je handtekening of op je visitekaartje vaak “genderneutraal”, maar dus eigenlijk mannelijk (zie ook de vorige tip).

Denk daarom na over je eigen functietitel. Kies ten eerste wat voor jezelf prettig voelt, maar ook wat praktisch is. Een communicatieadviseuse wordt immers minder snel gegoogeld dan een -adviseur. Ben je journaliste? Dan is die extra ‘e’ Google-technisch gezien minder bezwaarlijk en kun je bijdragen aan de zichtbaarheid van vrouwen in je beroepsgroep.

7. Ga het gesprek aan met collega’s en leidinggevenden

Alle kleine beetjes helpen natuurlijk, maar als jij als enige binnen je organisatie structureel genderneutraal communiceert dan sla je misschien de plank mis. Ga daarom het gesprek aan met je collega’s en leidinggevende(n). Bepaal samen de (communicatie)lijn en probeer ervoor te zorgen dat iedereen hier consistent in is.

8. Zorg voor voldoende genderafwisseling in beeldmateriaal

Gebruik je afbeeldingen om je boodschap te versterken? Heel goed! Maar let wel op dat je voldoende afwisselt tussen vrouwen en mannen. Probeer daarnaast te voorkomen dat je vrouwen of mannen in stereotiepe rolverdeling laat zien. Vergeet ook niet om non-binaire en trans mensen in dagelijkse situaties te laten zien. Speciaal daarvoor heeft Vice een beeldbank samengesteld met foto’s die je gratis kunt downloaden en gebruiken: https://broadlygenderphotos.vice.com

9. Let op de combinatie tussen woord en beeld

Probeer erop te letten dat je tekst en beeld elkaar versterkt en elkaar niet tegenspreekt. Gaat je artikel bijvoorbeeld over een eerlijke verdeling van huishoudelijke taken? Kies dan bijvoorbeeld niet een foto van een man in het huishouden waarbij ‘alles misgaat’: op die manier houd je onbedoeld het stereotype in stand.

Een goede balans vinden tussen woord en beeld kan heel lastig zijn, want soms zijn stereotypen niet zo eenduidig of voor de hand liggend. Sparren met collega’s over een bepaalde keuze is dan ook altijd een goed idee.

10. Vraag niet naar geslacht op een aanmeldformulier

Ben je bezig met een aanmeldformulier voor een event? Traditioneel vraag je dan naar geslacht om de juiste aanheft te bepalen. Toch kun je dit beter niet doen, om te voorkomen dat je mensen uitsluit. Vraag alleen naar geslacht als deze informatie strikt noodzakelijk is (tip: dat is het bijna nooit). Is het toch belangrijk? Voeg dan een derde optie toe, bijvoorbeeld ‘x’, ‘neutraal’ of ‘wil ik niet zeggen’. En als je toch bezig bent met een nieuw dropdownmenu, zou je ook de volgorde eens kunnen aanpassen!

Meer lezen over dit onderwerp?

WOMEN Inc. deed onderzoek naar beeldvorming in de media met betrekking tot gender. De conclusies lees je hier. Check ook de incomplete checklist voor een inclusiever medialandschap.

Op de hoogte blijven?

Deze en andere tips werden met Rotterdamse professioals gedeeld tijdens het Kennisatelier Gender & Beeldvorming van 4 juli 2019. Lijkt zo’n Kennisatelier jou ook interessant en nuttig? Wil je daarom op de hoogte blijven van alle events en bijeenkomsten van IDEM Rotterdam? Meld je aan bij ons netwerk en schrijf je in voor de nieuwsbrief!

5 vragen over…  Het gedeeltelijk verbod op gezichtsbedekkende kleding

5 vragen over… Het gedeeltelijk verbod op gezichtsbedekkende kleding

De kranten en nieuwssites stonden er bol van en Twitter ontplofte zo’n beetje: de wet gedeeltelijk verbod op gezichtsbedekkende kleding is op 1 augustus in werking getreden. De wet houdt in dat mensen niet met gezichtsbedekkende kleding het openbaar vervoer, onderwijsinstellingen, zorginstellingen of overheidsgebouwen mogen betreden. Er ontstond volop commotie en voor- en tegenstanders van de wet lieten zich (online) luid horen. Hoe zit het nu precies met dat gedeeltelijk verbod en wat kun je doen als je naar aanleiding ervan discriminatie ervaart of er getuige van bent? We stelden 5 vragen aan antidiscriminatiebureau RADAR.

1. Wat houdt het verbod precies in?

De ‘Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding’ houdt in dat mensen niet met gezichtsbedekkende kleding het openbaar vervoer, onderwijsinstellingen, zorginstellingen of overheidsgebouwen mogen betreden. Onder gezichtsbedekkende kleding wordt het volgende verstaan: “kleding die het gezicht geheel bedekt of waarbij alleen de ogen zichtbaar zijn”. Het gaat dan bijvoorbeeld om integraalhelmen, bivakmutsen, boerka’s of nikabs.

De overheid benadrukt dat in Nederland iedereen het recht heeft om zich te kleden zoals diegene wil, ongeacht wat anderen daarvan vinden. Alleen in bepaalde situaties, zoals in genoemde gebouwen en het openbaar vervoer, is het van belang dat mensen elkaar kunnen aankijken en herkennen.

Wanneer iemand met gezichtsbedekkende kleding het openbaar vervoer, overheidsgebouwen of zorg- of onderwijsinstellingen betreedt, kan diegene door een medewerker worden verzocht de gezichtsbedekkende kleding af te doen of de ruimte te verlaten. Als dit niet gebeurt, zou hulp van de politie gevraagd kunnen worden en zou een boete gegeven kunnen worden.

Meer informatie over de wet vind je op rijksoverheid.nl

2. Kun je stellen dat de wet discriminerend uitwerkt?

Het is niet met zekerheid te stellen of de wet discriminerend uitwerkt op grond van godsdienst of geslacht. Hiervoor is namelijk een uitspraak nodig van een oordelende instantie. Het College voor de Rechten van de Mens kan zich hier echter niet over uitlaten, aangezien het eenzijdig overheidshandelen betreft.

Om te bepalen of de wet discriminerend is, zou een civiele procedure op basis van artikel 1 van de grondwet tegen de Staat gestart kunnen worden. Een rechter zou dan kunnen beoordelen of de Staat onrechtmatig handelt. Als alle juridische paden in Nederland bewandeld zijn, is het ook mogelijk de kwestie voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie of het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

3. Wat vindt RADAR er verder van?

RADAR betreurt het feit dat in de discussie over de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding de nadruk wordt gelegd op boerka’s en nikabs, terwijl de wet ook geldt voor items als bivakmutsen en integraalhelmen. Kortom, gevallen waarbij het gehele gezicht bedekt is of alleen de ogen te zien zijn. De nadruk op boerka’s en nikabs draagt ons inziens bij aan stigmatisering van moslima’s.

Daarnaast vindt RADAR het kwalijk dat in een artikel van Algemeen Dagblad expliciet wordt gewezen op de mogelijkheid van een burgerarrest, wanneer iemand “zich stoort aan de boerka op een plek waar dat verboden is”. Een burgerarrest is in principe in alle gevallen van een strafbaar feit mogelijk. Het specifiek benadrukken of belichten van deze mogelijkheid in relatie tot dit verbod, roept de vraag op wat daarmee wordt beoogd. Een burgerarrest moet overigens in alle gevallen proportioneel zijn, onder meer gelet op de aard van het vergrijp. Als dat niet het geval is, en als niet aan andere specifieke voorwaarden van een burgerarrest voldaan wordt, is bij het burgerarrest gebruikte dwang of geweld strafbaar. In geen enkel geval moedigt RADAR mensen aan om voor eigen rechter te spelen.

4. Wat kun je doen als je gevallen en gevoelens van discriminatie ervaart naar aanleiding van de wet?

Krijg je zelf te maken met discriminatie, intimidatie, islamofobie of andersoortige ongelijke behandeling naar aanleiding van de wet, de berichtgeving en de commotie die erop ontstond? Meld dit dan via www.radar.nl of de app Meld Discriminatie Nu. Alle gevallen en gevoelens van discriminatie kunnen worden doorgegeven. Gespecialiseerde klachtbehandelaars kunnen je bijstaan: niet alleen met een luisterend oor, maar ook met eventuele vervolgstappen zoals bemiddeling (met bijvoorbeeld een werkgever of schoolleiding) of een verzoek om een oordeel bij het College voor de Rechten van de Mens.

5. Wat kun je doen tegen discriminatie van boerka- of nikabdraagsters?

Mocht je getuige zijn van discriminatie of ongelijke behandeling van een boerka- of nikabdraagster, dan kun je ook dat melden. Je kunt namelijk ook namens een ander melden, of melding maken van een incident dat je gezien hebt. Melden is in alle gevallen goed, zodat antidiscriminatiebureaus beter zicht krijgen op de omvang van discriminatie, zowel in het algemeen als op specifieke gronden.

Verder kun je anderen aanspreken op negatieve uitlatingen op dit vlak. Op Twitter is de hashtag #boerkabuddies gelanceerd, waarbij mensen aanbieden een boerka- of nikabdraagster te vergezellen wanneer zij alleen de straat op moeten.

De teloorgang van het tafelkleedje: op weg naar een inclusieve en toekomstbestendige dementievriendelijkheid

De teloorgang van het tafelkleedje: op weg naar een inclusieve en toekomstbestendige dementievriendelijkheid

Langzaamaankassa’s, vrijwilligers in de winkel en speciale trainingen voor het personeel: Albert Heijn Hesseplaats is een van de eerste supermarkten in Rotterdam waar dementievriendelijkheid onderdeel is van de bedrijfscultuur. Hoe zorg je ervoor dat ouderen zich veilig en vertrouwd voelen in je winkel? Hoe ga je om met mensen die vergeten te betalen? Nog voordat de campagne Samen Dementievriendelijk het licht zag, begonnen ze ‘maar gewoon’. Wat kunnen we leren van deze supermarkt die het voortouw nam in dementievriendelijke service? IDEM-onderzoeker Arwen Hoogenbosch zocht het uit en ging in gesprek met professionals en ervaringsdeskundigen in een van de meest vergrijsde gebieden van Rotterdam: Prins Alexander.

‘Rollatorcity’ wordt Ommoord in de volksmond ook wel genoemd. Ommoord, een buurt in het gebied Prins Alexander, is een van de sterkst vergrijsde buurten van Rotterdam: nagenoeg één op de drie inwoners is 65 jaar of ouder. Een van de plekken waar deze vergrijzing duidelijk zichtbaar is, is de Albert Heijn op de Hesseplaats. Naast de vele rollators die tussen de extra brede rijen worden voortgeduwd, komen bhv’ers regelmatig in actie vanwege een valpartij of iemand die zich niet lekker voelt. Maar dat is niet het enige waar het personeel mee te maken krijgt. Zo nu dan zijn er mensen die verward overkomen of ontremd gedrag vertonen en bij wie vermoedelijk dementie een rol speelt. Mensen die bakjes voorgesneden ananas oppeuzelen, de bloemen uit boeketten trekken of op zoek zijn naar familieleden die in de winkel zouden werken. Taferelen als de pincode niet meer weten of vergeten om boodschappen af te rekenen, laten zien dat de supermarkt bij uitstek een plek is waar dementie zichtbaar wordt. Genoeg redenen voor de toenmalige Albert Heijn-manager om Emile van der Steen, destijds werkzaam bij welzijnsorganisatie DOCK, bestuurslid bij Stichting Alzheimer Rotterdam en ervaringsdeskundige, zo’n drie jaar geleden in te schakelen om een training aan het personeel te geven. Samen met een trainingsacteur speelden Albert Heijn-medewerkers diverse situaties na, waarbij ze leerden omgaan met mensen met dementie. De kern van de training is goed kijken en creatief omgaan met de situatie. Een voorbeeld: geef een servetje aan mensen die in de winkel hun boodschappen opeten en zeg tegen hen dat er nog wat kruimels in hun mondhoek zitten. Op deze manier krijgen mensen de boodschap dat ze klaar zijn met eten, zonder dat het een strijd wordt. Ook niet onbelangrijk: geef een seintje aan de kassa zodat de opgegeten etenswaren nog worden afgerekend.

Er volgden andere aanpassingen in de winkel. Zo kwamen er ‘kassa’s zonder haast’ en werden twee vrijwilligers benoemd die geld inzamelen voor het goede doel en soms ouderen met hun boodschappen naar huis brengen. De Albert Heijn op de Hesseplaats is sindsdien een voorbeeld van een winkel die een oogje in het zeil houdt voor kwetsbare ouderen en hen net wat extra’s biedt. Ayse Özdemir, huidig assistent-manager van Albert Heijn Hesseplaats, spreekt ook wel van een bedrijfscultuur waarin dit een gewoonte is onder het personeel. Niet alleen worden klanten die moeite hebben met de boodschappen soms naar huis gebracht, maar ook deelt Özdemir geregeld haar zorgen over klanten met hulpverlenende organisaties in Prins Alexander. Zo was er een vaste klant die er steeds onverzorgder ging uitzien en op een gegeven moment op blote voeten door de winkel liep.  Özdemir zocht daarop contact met de vrijwilligers om te vragen of zij konden achterhalen wie deze persoon was en of zij iemand konden inschakelen. Een andere belangrijke component van de bedrijfscultuur  is volgens Özdemir dat je meegaat met de klant, zonder diagnose te stellen of stempel op iemand te drukken. Het maakt niet uit of iemand wel of niet dementie heeft, want om klantvriendelijk te zijn doet dat er niet toe.

Dementievriendelijk en omgevingszorg

De supermarkt is slechts één terrein van ons dagelijks leven waar de vergrijzing en hieraan gerelateerde toename van dementie opvalt. Ook op andere terreinen is dementie zichtbaar, zoals in de buitenruimte waar mensen met dementie verdwalen, wat de stijging in het aantal E33-meldingen over personen met ‘verward gedrag’ deels verklaart. Of binnen zorg- en welzijnsorganisaties waar personeel of andere cliënten te maken krijgen met seksistische opmerkingen door een verminderde impulsregulatie, wat een symptoom kan zijn van dementie. Ook voor woningbouwcorporaties heeft dementie consequenties, bijvoorbeeld wanneer mensen het gas vergeten uit te draaien en  explosiegevaar ontstaat.

De grootste impact heeft dementie echter op de persoon zelf en haar of zijn directe naasten, want dementie krijg je samen. Het zijn vaak partners of kinderen die belast worden met de zorg voor hun naaste. Zeker nu mensen steeds langer thuis wonen en verzorgingshuizen geen voor de hand liggende oplossing meer zijn. Niet voor niets werd in 2016 de nationale campagne Samen Dementievriendelijk in het leven geroepen. De gedachte bij deze campagne is dat we als samenleving moeten leren leven met mensen met dementie om de kwaliteit van leven voor hen te vergroten, met behoud van zelfbeschikking en autonomie. Dementiedeskundige Anneke van de Plaats spreekt ook wel over ‘omgevingszorg’. Dat betekent dat we rekening houden met de aantasting van het brein bij de inrichting van onze (leef)omgeving. Dat kan heel praktisch zijn, bijvoorbeeld door op de stoep  looproutes te tekenen naar belangrijke plaatsen in een buurt, zoals de supermarkt of een zorgcentrum. Omgevingszorg kan ook om abstractere aanpassingen gaan, zoals in communicatie of in onze houding naar mensen met dementie. Wat betekent dat voor professionals in het sociaal-maatschappelijke domein en welke uitdagingen gaan hiermee gepaard?

Aanpassen van communicatie

Het servetje aanbieden is een mooi voorbeeld van beïnvloeding met behoud van iemands autonomie en waardigheid. Zonder iemand terecht te wijzen en een strijd aan te gaan, communiceer je de norm. Bovendien zet je met deze subtiele boodschap niemand voor schut. Maar wat doe je als een persoon geen duidelijke grens overschrijdt, maar je wel vermoedt dat iets niet klopt? Bijvoorbeeld wanneer een oudere klant voor de derde dag op rij twintig zakken drop wil afrekenen? Dementievriendelijkheid brengt dan ook altijd een ethische afweging met zich mee, want wat is juist handelen en wiens waarden staan daarbij centraal? Die van de persoon die zin heeft in drop of van degene die in de positie is om in te grijpen?

Mensen met dementie ervaren het verlies van zelfbeschikking en autonomie vaak als ergste component van hun ziekte. Daarom is het belangrijk om deze ethische afweging altijd in het achterhoofd te houden. Aanpassen van onze communicatie is een essentieel onderdeel van dementievriendelijkheid, waardoor mensen hun autonomie kunnen behouden en betrokken blijven in gesprekken en besluiten die hen aangaan. Dat klinkt simpel, maar vraagt een hoop. Naast goed naar de persoon met dementie kijken en creatieve oplossingen zoals de servet bedenken, vraagt het professionals, mantelzorgers en andere betrokkenen om hun waarden te herdefiniëren. En dat kan wringen. Veel mensen is geleerd om met respect met ouderen te praten, bijvoorbeeld door vragen te stellen uit beleefdheid. Zo hoort Van der Steen regelmatig verzorgend personeel uit beleefdheid aan een persoon met dementie vragen: ‘Wilt u douchen?’ Echter, met een dergelijke vraag zet je mensen aan het werk op “een gebied waar ze heel zwak in zijn”. Beter kun je iemand aan de hand nemen, bijvoorbeeld door te zeggen ‘Het is zo’n mooie zonnige dag, kom we gaan douchen en dan doen we een leuk jurkje aan.’ Dementievriendelijkheid gaat dus ook over reflectie op beelden die je hebt over ouderen en mensen met dementie en op welke manier die beelden doorwerken in jouw manier van communiceren met die persoon. Als professional moet je op zoek naar de balans in communicatie, rekening houdend met de zelfbeschikking van de persoon, zonder te betuttelen.

Beeldvormingsprobleem

Mensen denken bij dementie vaak aan iemand die wezenloos voor zich uit zit te staren en niet meer in staat is om mee te praten of besluiten te nemen. Dementie heeft dan ook een sterk beeldvormingsprobleem dat zich richt op de laatste fase van het ziekteproces, zo stelt Marcel Olde Rikkert, hoofd geriatrie in het Radboudumc en coördinator van het Alzheimer-centrum, in een uitzending van Nieuwsuur. Hierdoor heerst er veel angst om de ziekte te krijgen, is het lastig voor mensen om toe te geven dat hun geheugen (of dat van hun naaste) achteruit gaat en heerst het idee dat het zielige, oude mensen zijn die niet zelfstandig kunnen wonen en hun leven niet meer positief kunnen beoordelen. Hierdoor wordt het onderwerp vaak vermeden, wat sociale isolatie tot gevolg kan hebben. “Als iemand de diagnose dementie krijgt, weten mensen in de omgeving onmiddellijk niet meer hoe ze daarmee moeten omgaan. Dan ontstaat iets wat besmettelijk is en blijft iedereen weg”, vult Van der Steen aan.

Om sociaal isolement te voorkomen zijn er in Prins Alexander diverse activiteiten voor mensen met geheugenklachten. Ook bij deze activiteiten is te merken dat er een stigma zit op dementie. Professionals in het gebied moeten bijvoorbeeld erg hun best doen om mensen naar voorzieningen te trekken. Zo merkt Mia Bronder van het Odensehuis in het Huis van de Wijk Lage Land geregeld op dat mensen binnenlopen om informatie te vragen. Het is zogenaamd voor iemand anders, maar Bronder vermoedt dat het om die persoon zelf gaat. Ook Saskia van der Zijden van Het Geheugenpaleis merkt dit op. Ze was positief verrast toen onlangs een man langskwam en zich voorstelde met ‘Ik ben Piet en ik heb de ziekte van Alzheimer’. Dementie wordt soms zelfs gezien als doodvonnis, wat de kwaliteit van leven voor degene zelf en zijn directe omgeving niet ten goede komt. Het is dan ook van belang je ervan bewust te zijn dat met dementie goed te leven valt. Onderzoek onderbouwt dat. Zo blijkt dat zo’n 70 tot 80 procent van de mensen met dementie een goed gevoel heeft over zijn of haar eigen leven en zo’n 75 procent van de mensen met dementie thuis woont. Het is voor professionals  belangrijk om hun eigen beeld bij te stellen en vervolgens bij te dragen aan verandering van het stereotiepe beeld over dementie.

Dementie is ook een diversiteitsvraagstuk

Albert Heijn Hesseplaats laat zien dat een supermarkt een signalerende functie kan hebben voor een buurt en een sociale functie voor veel ouderen. Het is een verkapte buurtsoos, waar mensen onder het genot van een gratis kopje koffie kunnen buurten met elkaar. Echter, een supermarkt is niet voor alle ouderen een vanzelfsprekende plek om samen te komen. Zo wonen er in Rotterdam steeds meer oudere mensen met een migratieachtergrond, die mogelijk andere behoeftes hebben. Ruthmila Cicilia, werkzaam voor Stichting Alzheimer Rotterdam, werkt met Caribische ouderen in Prins Alexander. Zij  geeft aan dat migrantenouderen graag samenkomen op een plek waar ze dezelfde taal kunnen spreken en activiteiten ondernemen die met eten uit hun thuisland te maken hebben. Eten is voor alle mensen met dementie belangrijk. Enerzijds omdat zij een vergroot risico lopen op ondervoeding, anderzijds omdat eten herinneringen kan ophalen, wat een gevoel van veiligheid kan creëren. Maar boerenkool met worst is niet voor iedereen een jeugdherinnering. Het is lastiger om eten met herinneringen te serveren aan migrantenouderen dan aan mensen die hun hele leven in Nederland hebben gewoond. Zo missen veel Caribische ouderen volgens Cicilia de markt in de buurt waar zij tropische groente en fruit kunnen kopen.

Migrantenouderen met dementie zijn ook op andere manieren extra kwetsbaar. Zo kunnen zij als gevolg van dementie de Nederlandse taal vergeten, wat het contact met hulpverleners, kinderen en kleinkinderen kan bemoeilijken. Volgens Cicilia kampen migrantenouderen bovendien met een informatieachterstand rondom dementie doordat zij de Nederlandse taal slecht beheersen en er minder bekendheid bij hen is over geheugenproblematiek. Daardoor trekken zij minder snel aan de bel bij een arts. Ten slotte lopen migrantenouderen meer risico op sociale isolatie en leven zij vaker van een laag inkomen, waardoor zij niet altijd de middelen hebben om gebruik te maken van voorzieningen. Dementievriendelijkheid is dus ook een diversiteitsvraagstuk: hoe zorgen we ervoor dat we de kwaliteit van leven voor iedereen vergroten? Misschien vraagt omgevingszorg om diverse aanpassingen, afhankelijk van iemands culturele achtergrond en de uitdagingen waar iemand gedurende zijn of haar leven tegenaan is gelopen of nog steeds tegenaan loopt. Maar ook vraagt het van de professional om op diverse locaties te signaleren. De supermarkt kan voor sommige groepen ouderen een logische plek zijn om dementie te signaleren, maar voor migrantenouderen die slecht Nederlands spreken is dat mogelijk niet het geval. Misschien bestaat zelfs het risico dat bepaald gedrag, zoals vergeten af te rekenen, aan hun migratieachtergrond wordt gekoppeld, in plaats van aan hun dementie.

Niet alleen een migratieachtergrond kan de uitdaging voor professionals die werken met mensen met dementie vergroten, maar ook is het belangrijk om rekening te houden met mensen die afwijken van de heteroseksuele cis-gendernorm (‘cis’ staat voor de genderidentiteit die overeenkomt met  het biologische geslacht van geboorte). Bij ouderen die zich identificeren als lesbisch, homoseksueel, biseksueel, trans of intersekse (hierna lhbti-personen) is namelijk vaker sprake van een late diagnose van dementie. Dit komt doordat oudere lhbti-personen vaker alleenstaand zijn en geen kinderen hebben, waardoor zij directe naasten missen die vergeetachtigheid en andere gedragsveranderingen kunnen signaleren. Daarnaast hebben oudere lhbti-personen vaker slechte ervaringen met artsen en andere hulpverleners vanwege hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Voor hen heeft een bezoek aan een arts of hulpverlener daardoor een extra hoge drempel. Dit komt ook doordat zij opnieuw ‘de kast uit moeten komen’ wanneer hen gevraagd wordt naar partners. Een voorbeeld van een slechte ervaring van een lhbti-personen met hulpverleners is wanneer zij ‘homofiel’ worden genoemd, zoals beschreven door IDEM in het Gebiedsbeeld Prins Alexander. De term ‘homofiel’ was vroeger gebruikelijk, maar tegenwoordig kan dit woord als kwetsend worden ervaren. Een ander voorbeeld betreft een partner van een homoseksuele patiënt die niet mee de spreekkamer in mag bij een huisarts. Bovendien is bekend dat oudere lhbti-personen bij generieke activiteiten vaak ‘terug de kast in gaan’, omdat zij bang zijn voor discriminatie door heteroseksuele ouderen of zorgpersoneel.  Doordat zij dit soort activiteiten uit de weg gaan, lopen zij een groter risico op sociaal isolement.

Dementievriendelijkheid houdt ook in dat we ons beeld bijstellen van de leeftijd van personen met dementie. Het zijn namelijk niet altijd mensen van boven de 65 jaar; er zijn steeds vaker jong dementerenden. Jong dementerenden zijn in een andere tijdsgeest opgegroeid en hebben daardoor andere behoeften. Hetzelfde geldt voor ouderen over pakweg tien à twintig jaar. Zij passen mogelijk voor activiteiten als bingo en sjoelen. Het blijft daarom belangrijk om continu je activiteiten bij te stellen en te laten aansluiten bij de groepen met wie je werkt. Bronder betrapt zichzelf er regelmatig op dat als je het hebt over mensen met dementie ze denkt aan “gehaakte tafelkleedjes met een suikerpotje erop”. Van dat idee moeten we weg. De toekomstige ouderen vragen andere bezigheden en activiteiten.

Inclusieve dementievriendelijkheid

Albert Heijn Hesseplaats laat zien dat een supermarkt een belangrijke signalerende functie kan hebben voor mensen met dementie en dat het sociale isolatie kan tegengaan door een welkome plek te zijn voor ouderen voor een gratis kopje koffie en een praatje. Daarnaast laat deze supermarkt zien hoe je tijdig kunt inspelen op nieuwe ontwikkelingen bij je doelgroep door hen continu onder de loep te nemen en opnieuw te leren kennen. Dit zijn belangrijke lessen voor het Rotterdamse maatschappelijke middenveld als het gaat om dementievriendelijkheid. Door continu te onderzoeken wie de mensen zijn die leven met dementie en welke aanpassingen van onze leefomgeving nodig zijn, kunnen we de kwaliteit van leven voor alle mensen met dementie vergroten. Jong en oud dementerend, met en zonder migratieachtergrond, hetero- en homoseksueel, cisgender of anders. In hoeverre het koffiebankje interessant blijft voor toekomstige ouderen is maar de vraag, maar de Albert Heijns van de toekomst hebben hier straks vast een creatief antwoord op. Commercieel denken is zo gek nog niet.

Geraadpleegde bronnen:

Illustratie: Ez Silva / www.ezsilva.com

Hoek van Holland: dorps maar niet gesloten

Hoek van Holland: dorps maar niet gesloten

Misschien dat een enkel sultannetje of emirtje vanuit het treinraam een blik heeft geworpen op de haven en de Groote Kerk en heeft gedacht: wat een bliksems mooi stadje, maar de meeste potentaten zullen er geen moment bij hebben stilgestaan dat ze door Maassluis reden – zo’n wonderlijke, in zichzelf besloten gemeenschap. Zoveel eigenaardige, scheefgegroeide malloten bij elkaar, knorrig, gemelijk, gesloten naar vreemden toe, maar onderling vol grappen, gekkigheden en geintjes. En als zo’n sultannetje per ongeluk zou zijn uitgestapt, zouden ze hem vierkant in zijn gezicht hebben uitgelachen. Want de Maassluizer heeft lak aan gezag, zoals mijn vader altijd zei. Als er hier een nieuwe dominee kwam, begon die al na een halfjaar te bidden of ze hem ergens anders wilden beroepen.

Het beeld van een gesloten samenleving, zoals Maarten ’t Hart beschreef in zijn autobiografische roman Magdalena, bestaat niet alleen over Maassluis. Vele dorpen en buurten hebben eenzelfde predicaat. Soms bestaan zulke beelden ook over andere gemeenschappen, zoals een moslimgemeenschap of groepen mensen met een migratieachtergrond. In een ons-kent-ons-cultuur zou het wij-zij-denken overheersen. Taboes, angst en intolerantie tegenover ‘het vreemde’ zouden welig tieren. Deze beelden bestaan ook binnen Rotterdam, zo bleek uit de IDEM-Gebiedsbeelden uit 2016. Vooral Pernis, Rozenburg en Hoek van Holland werden aangemerkt als ‘gesloten gemeenschap’.

Op basis van gesprekken met in het gebied werkende professionals, wordt Hoek van Holland in het Gebiedsbeeld uit 2016 omschreven “als een dorpse samenleving die gekenmerkt wordt door een grote sociale samenhang, een actief verenigingsleven en een hoge mate van sociale controle” (p.2). “Dat betekent aan de ene kant dat bewoners elkaar kennen en elkaar ondersteunen. Aan de andere kant leidt het tot uitsluiting van nieuwkomers, zoals bewoners met een migratieachtergrond of mensen die vanuit Rotterdam of omliggende gemeenten in Hoek van Holland zijn komen wonen.” De veronderstelde geslotenheid heeft niet alleen gevolgen voor de wijze waarop nieuwkomers worden ontvangen. Het zou ook negatieve gevolgen hebben voor Hoekenaren zelf. Een fenomeen als eenzaamheid wordt bijvoorbeeld door die professionals (mede) verklaard vanuit de relatieve geslotenheid van de gemeenschap “door ‘groepjesvorming’ in het dorp, gesloten sociale structuren, met name bij ouderen, en resulterende uitsluiting” (p.16).

Hoe beleven mensen uit zo’n verondersteld gesloten gemeenschap dit soort beelden zelf? Hebben zij het idee dat ze een ‘gesloten gemeenschap’ vormen en hoe kijken zij naar de ‘buitenwereld’? Hebben ze last van dat beeld van geslotenheid? Om hier meer zicht in te krijgen is in mei van dit jaar met een achttal actieve burgers uit Hoek van Holland gesproken. Hun eerste reactie op dit predicaat van geslotenheid is vooral de vraag waar dat beeld vandaan komt, al herkennen ze zich wel in het beeld dat nieuwkomers of bezoekers zich moeten aanpassen aan Hoekse normen en waarden. “Wat ik herken is dat mensen in Hoek verwachten dat mensen die daar wonen of recreëren zich aanpassen aan de normale waarden en normen.” Echter, zij geven direct aan zich niet te herkennen in een begrip als ‘geslotenheid’. Zo wijst een bewoner erop dat “mensen die in bepaalde wijken wonen, die uit Rotterdam zijn gekomen, ander gedrag hebben. Ze vallen dan soms ook minder makkelijk in het pulletje van Hoek. Maar de vraag is of dat komt doordat er andere normen en waarden gelden. Ik denk dat er in Hoek geen rare normen en waarden gelden. En dat iedereen hier welkom is.”

Wat is een gemeenschap?

Een term als ‘gesloten gemeenschap’ roept ten eerste de vraag op wat een gemeenschap eigenlijk is. Feitelijk hebben we het hier over een groep mensen, op een of andere manier met elkaar verbonden. Dat kan zijn door de plek waar ze wonen of waar ze vandaan komen, door taal, door geschiedenis, gebruiken of tradities; eigenlijk door vele, uiteenlopende zaken. Soms wordt religie of herkomst – al gaat dat generaties terug – als definieerbare scheidslijn tussen gemeenschappen beschouwd. Afhankelijk van dominante scheidslijnen kun je tot meerdere gemeenschappen behoren. Ajax- en Feyenoord-supporters worden gezien als twee gescheiden ‘gemeenschappen’. Maar als ze naar een wedstrijd van het Nederlands elftal gaan vormen ze onderdeel van de ‘Oranje-gemeenschap’.

Mensen kunnen een groep waartoe ze menen te behoren zelf als gemeenschap zien, maar ‘buitenstaanders’ kunnen hen ook als zodanig definiëren. In de verbeelding van gemeenschappen (Anderson, 1983) speelt altijd de vraag wie er wel en wie er niet toe behoort. Deze verbeelde gemeenschappen worden vaak (impliciet) gepresenteerd alsof zij op zichzelf een homogene eenheid vormen. Die homogeniteit is veelal beeldvorming, want zodra binnen zo’n ‘eenheid’ langs andere scheidslijnen wordt gekeken blijkt vaak een grote diversiteit te bestaan.

Tijdens het gesprek in Hoek van Holland kwamen hiervan twee mooie voorbeelden naar voren over de muziekvereniging en de rugbyclub. Kijken we alleen naar woonplaats dan is er een onderscheid tussen leden die in Hoek van Holland wonen en leden uit omliggende gemeenten. Maar bij de muziekvereniging en bij de rugbyclub speelt de scheidslijn naar woonplaats niet zozeer een rol. Juist de passie voor muziek of rugby zorgt voor verbinding. Zo wordt het beeld van geslotenheid en intolerantie tegenover ‘het vreemde’ dat bestaat over Hoekenaren tenietgedaan. “Als mensen uit Westland of Delft mee komen spelen, zijn ze verrast over de openheid en hoe ze ontvangen worden. En dat men geaccepteerd wordt zoals men is.” Een ander vult aan: “Ik denk dat tegenstellingen bij jullie weinig uitmaken, omdat muziek de bindende factor is. Dan heb je een andere insteek.” Eenzelfde ervaring heeft men binnen de rugbyvereniging. “Rugby heeft sowieso zijn eigen cultuur. De rugbycultuur is al open.”

Gemeenschapsvorming

Om te achterhalen in welke mate Hoek van Holland een ‘gesloten gemeenschap’ is, is het van belang te bekijken wat mensen beweegt om een gemeenschap te vormen. Aarts et al. (2005) wijzen op drie drijfveren voor gemeenschapsvorming. Het is ten eerste een zoektocht van individuen om ‘ergens bij te horen’, die ook altijd gepaard gaat met het scheppen van afstand ten opzichte van anderen. Ten tweede wil de mens de eigen individuele identiteit verankeren in een bredere, omvattender, stabielere identiteit om zo onzekerheid te verkleinen en betekenis te geven aan het leven. Ten derde kan de bundeling van belangen en sociaal kapitaal bijdragen tot gemeenschapsvorming.

De wil of gevoelde noodzaak om zich duidelijk(er) te onderscheiden van de omgeving kan er in deze processen van gemeenschapsvorming aan bijdragen dat de ‘gemeenschap’ geslotener wordt. In extremis, zie je dit wel eens als een wijk of een gemeenschap volgens hen voor de zoveelste maal negatief in het nieuws komt door een incident. De rijen lijken zich dan te sluiten en bijvoorbeeld journalisten worden weggejaagd.

In deze processen van gemeenschapsvorming speelt ‘identiteit’ een belangrijke rol voor onderlinge verbondenheid. Aarts et al. onderscheiden hierbij een legitimerende identiteit, veelal van dominante maatschappelijke krachten (bijvoorbeeld vanuit instituties); een weerstandsidentiteit, met name onder groepen die zich achtergesteld of uitgesloten voelen door overheersers; en projectidentiteit, vooral gecreëerd door visionaire bewegingen die maatschappijverandering nastreven.

Aarts et al. geven aan dat gemeenschappen die gevormd zijn vanuit een dominante weerstandsidentiteit sterk(er) gesloten kunnen raken in relatie tot hun omgeving. Zij wijzen er daarbij nadrukkelijk op dat de vraag niet zozeer is of een gemeenschap open of gesloten is, want een harde grens is niet te geven. Een mate van geslotenheid – in de richting en beeldvorming van zichzelf en anderen – is volgens hen sowieso dynamisch. Het hangt sterk af van de dominante en/of gepercipieerde scheidslijnen tussen gemeenschappen – denk aan de rugby- en muziekvereniging. Wel is het zo dat ruimtelijke afstand tussen de gemeenschap en de omgeving een stimulerende of beperkende invloed kan hebben op gemeenschapsvorming en dienovereenkomstig op eventuele geslotenheid. Dit zou het beeld van de geslotenheid van Hoek van Holland kunnen verklaren.

Slechte naam

Het predicaat gesloten gemeenschappen heeft een negatieve bijklank. Impliciet worden allerlei kwaliteiten, oordelen en gedragingen opgehangen aan de verondersteld homogene gemeenschap. Vaak gaat het dan (impliciet) om kwaliteiten en oordelen die als negatief of problematisch worden beschouwd, zoals taboes, intolerantie tegenover ‘anderen’ en de onbereikbaarheid voor zorg-, welzijn- en hulpinstanties. Zo’n problematisering geldt onder andere ook in allerlei bespiegelingen over gemeenschappen van mensen met een specifieke religieuze of migratieachtergrond. De diversiteit binnen deze groepen, ook wat betreft hun migratieachtergrond of hun eventuele relatie met religie, wordt vervolgens niet meer gezien en in de beeldvorming worden zij als een homogene, gesloten gemeenschap gepresenteerd. In dit geval wordt de problematisering versterkt omdat die veronderstelde geslotenheid als een van de barrières wordt gezien voor hun integratie in en daarmee voor hun kansen en mogelijkheden binnen de mainstream samenleving.

Zo wijst Ellian (2018) erop dat de ‘open samenleving’ staat voor democratie en wordt deze neergezet tegenover de gesloten, tribale en zelfs tirannieke gemeenschap, waarin mogelijk fundamentele vrijheden van godsdienst, meningsuiting en democratie worden aangetast. Bervoets en Bruinsma (2017) wijzen erop dat in een relatief gesloten gemeenschap (in hechte dorpen of stadsbuurten) “en daarmee samenhangend teveel aan informele sociale controle een voedingsbodem kan zijn voor misdaad en ongepast gedrag. (…) De wijze waarop de informele sociale controle en wederzijdse afhankelijkheid werken in dat soort groepen, maakt immers dat mensen elkaar lang niet altijd aanspreken op afwijkend gedrag en er liever over zwijgen” (p.33).

Hoe zit het in Hoek van Holland?

Uit de gesprekken met professionals in 2016 voor het Gebiedsbeeld komt een geproblematiseerd beeld naar voren met verwijzing naar de veronderstelde geslotenheid van de Hoekse gemeenschap. Zo wordt gesproken over Hoek van Holland met een hoge mate van sociale controle, intolerantie tegenover of zelfs uitsluiten van nieuwkomers, maar bijvoorbeeld ook dat mensen moeilijk bereikbaar zijn voor instanties, zoals hulpverlening. De eerste reactie van de actieve burgers in Hoek in mei 2019 – “Waar komt dat gesloten beeld vandaan? Wie zegt dat?” – laat zien dat het predicaat ‘gesloten gemeenschap’ ook voor hen een negatieve connotatie heeft. De verrassing van muziekverenigingsleden uit het Westland en Delft over de wijze van openheid van en ontvangst door Hoekse leden laat ook zien dat zij eerst meer geslotenheid verwacht hadden.

De gesprekspartners zijn het over een ding nadrukkelijk eens: de veronderstelde geslotenheid van de Hoekse gemeenschap is niet aan de orde. Zij spreken veeleer over Hoek van Holland als een dorpsgemeenschap. Dit is een veel meer waardevrij predicaat en verwijst vooral naar feiten, zoals de bevolkingsomvang (10.000 inwoners) en de geografische ligging van Hoek van Holland. Natuurlijk kent Hoek van Holland zowel een ruimtelijk, als geografisch als cultureel verschil met (de rest van) het 30 kilometer verderop gelegen Rotterdam (nog afgezien van het feit dat er tussen Hoek van Holland en stad Rotterdam drie andere gemeenten liggen). Aan deze verschillen worden echter niet bij voorbaat (waarde-)oordelen verbonden door Hoekers zelf.

Afstand met Rotterdam: cultureel en identiteit

Het gesprek met de actieve burgers richt zich sterk op de relatie met Rotterdam, waarbij de afstand tussen beide nadrukkelijk aan de orde wordt gesteld: in kilometers, qua bevolkingsomvang, maar – misschien nog wel belangrijker – gevoelsmatig en functioneel. Vooral de relatie met het stadhuis wordt vaak aangehaald in het gesprek: de cultuur is anders. “Ik heb weleens horen vertellen dat een ambtenaar in Rotterdam niet eens weet dat Hoek bij Rotterdam hoort”, aldus een van de actieve burgers. De uitspraak wordt door andere gesprekspartners onderstreept. “In de stad is de zelfredzaamheid vaak minder dan in een dorpsomgeving. In Hoek heb ik het gevoel dat er een stuk zelfredzaamheid is: je kent mekaar en je helpt mekaar. Een servicegerichte houding van de overheid is in de stad heel logisch, want mensen verwachten dat de overheid alles voor ze doet. Terwijl hier de verwachting ten aanzien van de overheid is: ‘Ik weet wat ik kom doen, dus val me niet lastig.’” Een ander stelt dat hij meer denkt in kracht. “De positieve kant van het feit dat je dorps met elkaar omgaat, is dat je elkaar gaat vinden. Ook als er gedoe is, durf je elkaar nog aan te spreken. Ik zie dat meer als kracht dan als kwetsbaarheid.”

Rotterdamse aandacht voor Hoek van Holland wordt als gering ingeschat. Een van de gesprekspartners wijst erop dat in een grootstedelijke aanpak cijfers heel belangrijk zijn. Grote getallen maken voorzieningen en middelen mogelijk. Voor Hoek van Holland zijn de getallen relatief klein. “Terwijl je hier op een gegeven moment verder moet kijken dan het getal. Je moet kijken: Wat is gemeenschappelijk? Wat is het gemeenschappelijk belang dat je dient? Ook kun je in de stad Rotterdam voor een voorziening nog weleens iets verderop terecht. Maar voor Hoek betekent dit meteen 30 kilometer verderop.”

Juist door die afstand tot voorzieningen bestaat onder de gesprekspartners de angst dat groepen binnen de Hoekse samenleving – al dan niet langzaam – uit de gemeenschap vertrekken. “Het risico is dat, als er voor de jeugd heel veel dingen niet aanwezig zijn, je ze vanaf twaalf jaar kwijt bent.” Een ander vult aan: “Mensen met een beperking vallen overal buiten. Die zie je niet in Hoek, want die vallen eigenlijk allemaal buiten de gewone sportverenigingen, buiten de reguliere patronen. Ze zijn er wel, maar de voorzieningen zijn niet aanwezig. Dat is echt iets dat aandacht moet hebben.”

De verhalen van enkele gesprekspartners laten zien hoe moeilijk het in hun beleving is om in de stad iets voor elkaar te krijgen voor Hoek van Holland. “Als je bijvoorbeeld naar de hulpverlening kijkt, dan heeft de centrale overheid gezegd dat we dat op gemeentelijk niveau gaan regelen. Maar nou regelen ze het in Rotterdam. Dat is 30 kilometer weg. Een soort deelgemeente weet veel beter wat in het dorp speelt dan Rotterdam. Dat is hen niet kwalijk te nemen, want ze wonen 30 kilometer verderop. Maar het is wel jammer dat die beslissingsbevoegdheid, die op bepaalde gebieden de deelgemeente vroeger had, nu weg is.”

Bovendien sluit de regelgeving van bestuurders in Rotterdam of Den Haag lang niet altijd aan op een dorpse gemeenschap. Zo is privacywetgeving een sta in de weg voor de signaleringsfunctie die vroeger onderdeel was van het verenigingsleven. De gesprekspartners zijn erg geschrokken van signalen dat jonge kinderen als mantelzorger functioneren. In het verleden werd over signalen van zulke problemen onder jongere leden met instellingen gecommuniceerd. “De nieuwe privacywetgeving blokkeert nu allemaal communicatie- en verbindingslijnen die je vroeger wel had. In een dorpsgemeenschap was je gewend dingen met elkaar te delen, ook vanuit verenigingen. Dat mag niet meer. Wij hebben zicht op sommige probleemkinderen, maar kunnen er niks meer mee.”

Wie waarneemt bepaalt?

De Engelse taal kent de uitdrukking “beauty is in the eye of the beholder”. Dit betekent dat schoonheid een subjectieve, persoonlijke beleving is en meer zegt over de waarnemer dan hetgeen als schoonheid wordt gezien. Dit geldt op individueel niveau, maar kan zeker ook op een collectiever niveau gelden – dat van een organisatie, een sector. Het kan zelfs een dominant maatschappelijk predicaat zijn. In relatie tot de ‘gesloten gemeenschap’ zou hetzelfde principe van toepassing kunnen zijn. Zegt het gebruik van deze term – met allerlei impliciete oordelen en kwalificaties – niet op zijn minst veel over de gebruiker(s) van dat predicaat? Zo kan Hoek van Holland het predicaat ‘gesloten’ krijgen van buitenstaanders, waaronder ook menig professional of ambtenaar. Andersom kan ‘het stadhuis’ – als bestuurlijk, ambtelijk apparaat – op zichzelf door Hoekenaren als ‘gesloten gemeenschap’ worden beschouwd.

Een van de gesprekspartners uit Hoek van Holland stelt dat burgemeester Aboutaleb weleens heeft gezegd te betwijfelen of Hoekenaren zich voldoende op het stadhuis laten zien als ze een probleem hebben. “Dat hoort ook bij dat dorpse. Je lost je eigen dingen op, in je eigen gemeenschap. Dus ik vraag me af of ze op het stadhuis weleens hoofd- of buikpijn hebben van die gemeenschap. In die zin denk ik dat de bal voor een deel in Hoek zelf ligt om op het stadhuis zicht- en hoorbaar te zijn.”

Voor welzijn en hulpverlening geldt mogelijk eveneens dat het principe “in the eye of the beholder” geldt als het gaat om de geslotenheid van de Hoekse samenleving. Onderzoek naar ‘moeilijk bereikbare jongeren’ liet zien dat die jongeren best goed bereikbaar waren voor de onderzoekers (FORUM, 2008). De vraag wordt dan opgeworpen wie moeilijk bereikbaar waren? De jongere of de instantie? Mogelijk vereist welzijnswerk en hulpverlening in Hoek van Holland een andere aanpak, maar ook een andere uitstraling en bedrijfscultuur (lees: belevingsgericht en cultuursensitief werken).

Benadering op maat

In het gesprek wordt de wijze waarop aangeboden hulp kan botsen met de verwachting genoemd. “Neem als voorbeeld de stadswinkel hier”, vertelt een van de gesprekspartners. “Was er zelf nog nooit geweest, maar hoorde alleen dat mensen zeiden: ‘Nou, als dat laagdrempelig is?!’ Toen ging ik erheen en bleek dat inderdaad waar te zijn. Je komt binnen en een man, in mijn beleving iemand van de bewaking, vraagt me wat ik kom doen. Dus ik zeg dat ik een nummertje kom trekken. Ik maak zelf wel uit waarvoor. Die man hoeft toch niet te weten waar ik voor kom? Dus als iemand anders dat meemaakt, denkt die meteen: ‘Daar ga ik niet naartoe’.”

Natuurlijk bestaan er verschillen tussen de dorpse Hoekse en stadse Rotterdamse omvang, inwoneraantallen, bevolkingssamenstelling, culturen en gewoonten, die versterkt worden door de geografisch ligging en afstand. Door de dorpse samenleving van Hoek van Holland het predicaat ‘gesloten’ te geven, worden die verschillen niet beslecht, maar eerder versterkt en van impliciete waardeoordelen en kwalificaties voorzien. Het gevaar van een selffulfilling prophecy ligt dan op de loer: juist door die (impliciete en expliciete) problematisering van de veronderstelde geslotenheid en door mensen uit (en belangen van) die ‘gemeenschap’ als zodanig te benaderen, neemt het risico op daadwerkelijke geslotenheid van een gemeenschap toe.

Een alternatieve strategie is om de verschillen en de ruimtelijke en culturele afstand als werkelijkheid te accepteren. Belevingsgericht en cultuursensitief werken zou hierbij een geschikte aanpak zijn. Dit begint ermee door nadrukkelijk uit te zoeken op welke wijze contact, vertrouwen, bekendheid en bereikbaarheid worden gecreëerd binnen (delen van) de Hoekse gemeenschap. Het aanbod wordt vervolgens specifiek gericht en op de Hoekse maat toegesneden. De Hoekse ‘gemeenschap’ kan dan mogelijkheden en faciliteiten worden gegeven om (meer) ‘zijn eigen boontjes te doppen’, zodat voorzieningen op maat beter mogelijk zijn. Ook als dit betekent dat deze voorzieningen dichterbij de directe woonomgeving van Hoek van Holland – in samenwerking met buurgemeenten – geïnitieerd en gerealiseerd moeten worden in plaats van te verwachten dat Hoekenaren 30 kilometer verderop van voorzieningen gebruik (gaan) maken. Dit draagt tegelijk bij aan vermindering van een in Hoek van Holland aanwezige en mogelijk zelfs groeiende weerstandsidentiteit.

Gebruikte literatuur

  • Aarts, N., R. During, J. Eshuis & R. van Dam (2005) Closed communities. Een verkennend onderzoek naar geslotenheid van gemeenschappen in Nederland, Wageningen: Wageningen Universiteit en Researchcentra.
  • Anderson, B. (1983/2003) Imagined Communities, Londen: Verso
  • Bervoets, E. & M. Bruinsma (2017) Opsporing in dorpen en stadsbuurten met een gesloten leefgemeenschap, Den Haag: SDU.
  • Ellian, A. (2018) De open samenleving en haar gesloten gemeenschappen, Leiden: Universiteit Leiden
  • FORUM (2008) Jongeren doen mee… ook de moeilijk bereikbare. Handleiding voor jeugdparticipatie, Utrecht: FORUM.
  • IDEM (2016) Gebiedsbeeld Hoek van Holland. Signalen over integratie, discriminatie, v/m-emancipatie en lhbt-emancipatie uit Hoek van Holland, Rotterdam: IDEM

Illustratie: Ez Silva / www.ezsilva.com