5 vragen over… discriminatie in de ouderenzorg

5 vragen over… discriminatie in de ouderenzorg

Eén op de vijf zorgverleners krijgt persoonlijk te maken met discriminatie, vooral binnen de ouderenzorg (CBS, 2019). Vooral zorgverleners met een migratieachtergrond ervaren regelmatig racisme. IDEM Rotterdam start met een onderzoek naar dit probleem, om de aard van deze discriminatie-ervaringen inzichtelijk te maken en te achterhalen hoe professionals in de ouderenzorg hiermee omgaan. IDEM Rotterdam stelt 5 vragen aan onderzoekers Inte van der Tuin en Bauke Fiere.

1. Wat is discriminatie in de ouderenzorg?

Discriminatie is het ongelijk behandelen van individuen en groepen op basis van kenmerken die in de betreffende situatie niet relevant zijn. Het gaat hierbij om kenmerken als etniciteit, geslacht, godsdienst, seksuele gerichtheid, handicap of leeftijd. In de ouderenzorg komt het voor dat cliënten/patiënten (en soms ook hun naasten) zorgverleners discrimineren. Dit gebeurt onder andere door hen af te wijzen als zorgverlener of door kwetsende opmerkingen te maken. Ouderen willen dan bijvoorbeeld niet worden verzorgd door een zorgverlener met een migratieachtergrond of door een man, terwijl deze zorgverleners net zo deskundig zijn als hun collega’s.

Zorgverleners in de ouderenzorg kunnen ook discriminatie ervaren door collega’s en/of leidinggevenden. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat een zorgverlener het idee heeft ongelijk behandeld te worden door een leidinggevende of dat een collega (bedoeld of onbedoeld) een opmerking of grap maakt die een zorgverlener als discriminerend ervaart. Het onderzoek dat IDEM op dit moment uitvoert is specifiek gericht op discriminatie van zorgverleners door cliënten/patiënten en niet op discriminatie door collega’s en leidinggevenden.

2. Hoe vaak komt discriminatie in de ouderenzorg voor?

Uit een onderzoek van het CBS uit 2019 blijkt dat één op de vijf zorgverleners persoonlijk te maken krijgt met discriminatie, vooral binnen de ouderenzorg. Een recent enquêteonderzoek van Ipsos laat ongeveer hetzelfde beeld zien. 18 procent van de medewerkers in de verpleging, verzorging en thuiszorg die de enquête hebben ingevuld, heeft het afgelopen jaar te maken gehad met discriminatie in contact met cliënten of patiënten. Het is niet bekend vanwege welk(e) kenmerk(en) zorgverleners discriminatie ervaarden. Er zijn geen cijfers beschikbaar over discriminatie-ervaringen van zorgverleners in de Rotterdamse ouderenzorg.

In de media was recent vooral aandacht voor racisme dat zorgverleners met een migratieachtergrond ervaren. In de regio Rotterdam is het personeel in de zorg voor ouderen zeer etnisch-divers. Naar verwachting ervaart ook een groot aantal Rotterdamse zorgverleners discriminatie vanwege herkomst of huidskleur. Zo tekende IDEM eerder het verhaal op van Yuna, die te maken kreeg met een ernstige vorm van racisme in de ouderenzorg.

3. Wat kun je als professional doen als je discriminatie in de ouderenzorg ervaart of signaleert?

IDEM onderzoekt welke behoeften zorgverleners die discriminatie ervaren hebben als het gaat om de aanpak hiervan door de zorgorganisatie. Maar een belangrijke eerste stap is altijd om discriminatie op je werkplek bespreekbaar te maken. Als je zelf wordt gediscrimineerd en er zijn op dat moment geen collega’s aanwezig, dan kun je contact opnemen met je leidinggevende of een collega en je ervaring delen. Wanneer jij merkt dat een collega wordt gediscrimineerd, dan kun je deze collega hiernaar vragen en op die manier ruimte geven om de ervaring te delen. Vervolgens kan met elkaar besproken worden hoe er richting de discriminerende cliënt/patiënt gehandeld kan worden. Een zorgverlener die discriminatie ervaart kan ook een melding doen bij een antidiscriminatiebureau. In de regio Rotterdam is dat RADAR. Een antidiscriminatiebureau kan een luisterend oor bieden en mogelijk helpen om de situatie te verbeteren.  

4. Waarom doet IDEM Rotterdam onderzoek naar discriminatie in de ouderenzorg?

Er is weinig bekend over discriminatie van zorgverleners in de ouderenzorg door cliënten/patiënten, over hoe zij hiermee omgaan en over de maatregelen die zorgorganisaties kunnen nemen om met de problematiek om te gaan. Terwijl er wel veel aandacht is voor cultuursensitief werken en gelijke behandeling van cliënten/patiënten. Het is belangrijk om ook aandacht te hebben voor de discriminatie-ervaringen van zorgverleners, want die kunnen veel negatieve impact hebben op hun werk en welzijn.

5. Wat gebeurt er met de resultaten van het onderzoek? En kan ik als professional hierin iets betekenen?

De resultaten van het onderzoek worden gedeeld met de opdrachtgever, de gemeente Rotterdam, en met Rotterdamse ouderenzorgorganisaties. Ook organiseert IDEM een kennisatelier waarin de resultaten van het onderzoek aan professionals worden gepresenteerd. Vervolgens is het aan de gemeente en de ouderenzorgorganisaties om de aanbevelingen te vertalen naar beleid en maatregelen gericht op de omgang met discriminatie door cliënten/patiënten. Als professional kun je binnen de organisatie waar je werkzaam bent aandacht vragen voor het onderwerp en de resultaten van het onderzoek delen. Mogelijk speelt er binnen jouw organisatie soortgelijke problematiek en kun je stimuleren dat hier aandacht voor is.

Werk je zelf als professional in de ouderenzorg in Rotterdam? En heb je wel eens discriminatie ervaren door cliënten/patiënten? Dan willen we je vragen om je ervaringen te delen. Dat kan door deze online vragenlijst in te vullen. Dit kan anoniem en duurt ongeveer 5 minuten. Ook is het mogelijk om je ervaringen te delen tijdens een interview. Hiervoor kun je contact opnemen met Inte van der Tuin (projectleider) via i.vandertuin@radar.nl of 06 – 11 88 41 86.      

5 vragen over… inclusie van LHBTIQ+-ouderen

5 vragen over… inclusie van LHBTIQ+-ouderen

Foto: Marjon van der Vegt

Angst om openlijk te praten over de partner, gêne om te vertellen over seksualiteit of vrees om niet geaccepteerd te worden door buren of medebewoners: LHBTIQ+-ouderen durven niet altijd open te zijn over hun seksuele of genderidentiteit. Daarom kunnen zij extra kwetsbaar zijn, zowel in een zorginstelling of bij zorg aan huis. IDEM Rotterdam stelt vijf vragen over inclusie van LHBTIQ+-ouderen aan auteur en trainer Eveline van de Putte, die zich inzet voor dit thema. “Kennis, kennis, kennis! Investeer in kennis van de medewerkers. Laat ze in werktijd een training volgen over seksuele en genderdiversiteit.”

1. Waarom lijkt seksuele en genderdiversiteit onder ouderen niet te bestaan?

Zolang er niet over gepraat wordt, bestaat het niet. Ik krijg vaak opmerkingen als ‘roze ouderen, die wonen hier niet’, ‘dat soort mensen kennen we niet’ of ‘die dingen spelen hier niet, er wordt tenminste nooit over gepraat.’ En daar zit precies het probleem. Zowel de betreffende ouderen als de professionals zijn niet gewend om over seksuele en genderdiversiteit te praten. LHBTIQ+-ouderen komen uit een tijd waarin ze niet gewend zijn het over gevoelens te hebben. En al helemaal niet over intimiteit en ‘bijzondere vriendschap’, zoals de homoseksuele relaties soms genoemd werden. Als ze al eens iets hoorden in die richting, was het per definitie negatief: slecht, vies, zondig, gestoord, daar wilde je niet bij horen!

Deze groep ouderen heeft een lange weg afgelegd om tot vrijheid en zelfacceptatie te komen. Een route met vallen en opstaan. Een weg ook waar ze lang niet overal met open armen werden ontvangen. Integendeel. En die angst voor uitsluiting, die scheldpartijen, dat gevoel dat je er niet bij hoort, niet mee mag doen, zit diep. Zo lang je sterk en veerkrachtig bent, kun je daar nog mee omgaan. Maar word je ouder en kwetsbaarder, dan word je weer voorzichtig. Zeker wanneer je zorgafhankelijk wordt. En dus houden veel LHBTIQ+-ouderen hun mond.

Professionals staan er lang niet altijd bij stil dat er onder hun cliënten ook onzichtbare diversiteit is. Culturele diversiteit, ja, dat kun je vaak zien. Maar er staat niet op iemands voorhoofd geschreven van wie diegene houdt of wat diens genderidentiteit is. ‘Dan zeggen die oudjes het toch gewoon’, hoor ik studenten vaak zeggen. Het feit dat dat niet gebeurt zegt genoeg over het gevoel van veiligheid dat de queer ouderen ervaren. Het vraagt dus ook om inlevingsvermogen van de (aankomend) professionals om signalen op te pakken. Inlevingsvermogen en kennis over hoe de situatie vroeger was. En de invloed daarvan op de dag van vandaag. Dat alles begint met openstaan voor en bewust worden van de diversiteit die er altijd en overal is.

Het is goed om te beseffen dat minstens 7% van de bevolking tot de LHBTIQ+-community behoort. Dat geldt dus ook voor de senioren.

2. Waarom is het problematisch als deze doelgroep niet goed zichtbaar is?

Wanneer je niet zichtbaar bent, doe je niet mee. Zo simpel is dat. Waarom zou je als leiding- gevende van een zorginstelling je extra inzetten op specifieke deskundigheidsbevordering op het gebied van seksuele en genderdiversiteit, of het behalen van de Roze Loper als je denkt dat je geen LHBTIQ+-cliënten hebt? Waarom zou je de regenboogvlag uithangen en een roze activiteit organiseren als je denkt geen enkele homo of transgender persoon in het wijkcentrum te kennen?

Dat is het begin van een vicieuze cirkel. Als je het omdraait en ervan uitgaat dat veel ouderen een behoorlijke drempel over moeten om over hun leven te vertellen, helpt het juist wanneer je laat zien dat iedereen welkom is en dat er ook uiting aan gegeven wordt door middel van activiteiten.

Ouderen vertellen graag over vroeger. Daar horen verhalen over partners, kinderen en kleinkinderen bij. Maar als je die niet hebt, of wanneer je niet in dat heteroplaatje past, is het voor sommige LHBTIQ+-ouderen moeilijk om mee te praten. ‘Iedere keer maak ik de overweging of ik wel of niet iets over mijn leven zal vertellen. Natuurlijk heb ik net zulke mooie verhalen over de vakanties met m’n lief’, vertelde een oudere lesbische vrouw me eens.

Voor iedereen is het allerbelangrijkste dat je jezelf kan zijn. Dat geldt ook voor ouderen. Wanneer je jezelf moet verstoppen, levert dat iedere keer weer angst en onzekerheid op. De kans op eenzaamheid is vele malen groter wanneer je niet (meer) naar bijeenkomsten van ‘gelijkgestemden’ kunt gaan. En wat te denken als een partner overlijdt? Hoe moet je je rouw en verdriet tonen als niemand wist dat die man je partner was in plaats van een oud-collega met wie je nog regelmatig een biertje ging drinken? Jezelf niet kunnen uiten, zorgt voor gevoelens van minderwaardigheid en depressie.  

Wanneer de groep niet goed zichtbaar is houdt men er te weinig rekening mee. Veel zorginstellingen hebben het over ‘zorg op maat’ en ‘iedereen is welkom’. Echte zorg op maat begint pas wanneer je oog hebt voor en kennis van de diversiteit van je doelgroep. Echt welkom gaat verder dan een paar woorden in de beleidsplannen. Welkom is: je welkom voelen en weten dat je veilig bent!

3. Hoe kunnen we als samenleving inclusief zijn voor LHBTIQ+-ouderen en dit thema bespreekbaar maken?

Onderwijs! Dat is stap 1. Ik geef regelmatig gastcolleges op hbo- en mbo-instellingen. Dat doe ik samen met Magda Römgens (een roze oudere van 84 jaar). Ik merk dat de studenten geen idee hebben van de ervaringen van ouderen in het algemeen en al helemaal niet van die van roze ouderen. Ze zijn meestal erg onder de indruk. Het opent ook hun ogen naar hun omgeving en naar hun werk. Ouderen en relaties, ouderen en seksualiteit, dat is sowieso iets waar ze nauwelijks over nadenken. Maar transgender ouderen of homoseksuele ouderen… daar hebben ze nooit over nagedacht. Het is dus belangrijk dat dit onderwerp in alle opleidingen van zorg en welzijn op diverse niveaus besproken wordt. Of het nou gaat om de toekomstige verzorgende of huisarts, ze moeten dit thema op hun netvlies hebben. Dan pas kunnen ze signalen herkennen, of bepaalde vragen duiden.

Organisaties voor zorg en welzijn organiseren regelmatig bijscholingen voor hun personeel. Veelal zijn dat verplichte nummers. En vanwege de werkdruk en personeelstekorten komt het er dan niet altijd van om ‘extra dingen’ te doen. Toch is daar veel winst mee te behalen. Niet alleen voor de LHBTIQ+-cliënten, ook voor hun bezoek, en zeker ook voor LHBTIQ+-medewerkers en -vrijwilligers. Wanneer mensen goed in hun vel zitten, draagt dat immers bij tot welzijn en beter functioneren.

Een mooi middel om die bewustwording tot stand te brengen is de Tour d’Amour, het programma waarmee ik al vanaf begin 2014 door Nederland en België reis. Tour d’Amour is een uniek programma waarin ik samenwerk met dragqueen Victoria False en roze oudere Magda Römgens. Verhalen uit mijn boeken Stormachtig Stil * en Nieuwe Namen*, liedjes, casuïstiek en dialoog met de zaal wisselen elkaar af. Het is juist die unieke combinatie waarmee we de mensen op verschillende lagen raken. Ze gaan nadenken erover, voelen wat er gebeurt als je niet jezelf kan zijn, maar ervaren ook de blijdschap wanneer je in vrijheid mee kan doen! Inmiddels hebben we de Tour al 186 keer uitgevoerd en we gaan door! Dankzij subsidie van de gemeente Rotterdam kunnen organisaties binnen die gemeente de Tour zelfs kosteloos aanvragen.

De Tour d’Amour is voor iedereen interessant. We richten ons vooral op medewerkers uit zorg- en welzijn, maar ook op studenten, bibliotheken, Huizen van de wijk. Kortom, op plekken waar ouderen wonen en komen, of voor professionals die met mensen en dus ook met LHBTIQ+-ouderen werken. Veel van de situaties die wij vertellen kun je ook vandaag tegenkomen bij queer jongeren. Ook voor hen is het helaas lang niet overal vanzelfsprekend dat ze over hun gevoelens kunnen praten. Dat beseffen en weten is belangrijk voor professionals.

4. Wat zou er beleidsmatig moeten veranderen om meer oog te krijgen voor deze groep en de problemen die daarbij horen te voorkomen?

Kennis, kennis, kennis! Investeer in kennis van de medewerkers. Laat ze in werktijd een training volgen over seksuele en genderdiversiteit. Neem de beleidsplannen en promotiemateriaal van de organisatie eens kritisch onder de loep. Hoe inclusief is dat? Welke beelden breng je naar buiten? Daar is vaak al wat te verbeteren.

Werk samen met andere organisaties in de stad of in het land. Je hoeft het wiel niet opnieuw uit te vinden. Roze 50+ (samenwerkingsverband van ANBO en COC) heeft veel informatief materiaal ontwikkeld en verzameld, maar is tevens een goede gesprekspartner over dit onderwerp. Nodig eens iemand uit tijdens een teamoverleg, beleidsdag, et cetera.

Maak gebruik van verhalen. Levensverhalen spreken mensen aan. Die raken en verbinden. Kijk niet alleen naar wetenschappelijke onderzoeken en cijfers. Doe allebei!

Niet alleen organisatie kunnen een steentje bijdragen, ook gemeentes door bijvoorbeeld subsidies te verstrekken aan projecten die bijdragen aan emancipatie van LHBTIQ+-ouderen.

Ook landelijke politiek kan uitdragen dat het belangrijk is dat iedereen mee kan doen. Dat ‘homo’ als scheldwoord niet acceptabel is. Dat je je niet hoeft te schamen om aangifte te doen na een homo- of transgendergerelateerd geweldsdelict.

Schrijf erover in kranten, websites en social media. LHBTIQ+-ouderen bestaan! Ze hebben recht op een gelukkig leven, zoals iedereen! En koester de verhalen van de pioniers die voor de huidige vrijheid hebben gestreden.

5. Wat kun je als individuele professional doen om zo inclusief mogelijk te zijn voor deze doelgroep? Wat zijn de tips en handvatten?

Durf het gesprek aan te gaan. Durf die heteronormatieve bril af te gooien en kijk met open vizier naar de mens die je voor je hebt. Noem de persoon bij de gewenste naam. Vraag niet aan een vrouw: ‘Wat doet uw man?’, maar gebruik het woord partner, dat geeft zo veel meer ruimte.

Stel voor om met belangrijke LHBTIQ+-dagen als Internationale Coming Out Dag (11 oktober), Idahot (17 mei) Transgender Remembrance Day (20 november) de regenboog- of transgender vlag te hijsen. En leg uit, ga in gesprek over de betekenis daarvan.

Laat de vlaggen hangen, altijd, het staat symbool voor welkom, en kleurt bovendien geweldig!

Heb het lef mensen aan te spreken op discriminerend gedrag en uitsluiting. Loop niet door wanneer je hoort: ‘Ik ga niet naast die vieze homo zitten!’

Programmeer eens een roze activiteit: een film met LHBTIQ+-thema, een optreden van een roze koor. Zorg voor diversiteit op de boekenplank, voor folders van LHBTIQ+-organisaties in het folderrek.

Bedenk nog eens hoe fijn het is dat je kan houden van wie je wilt en dat je jezelf kan zijn! Als je dat voelt, weet je hoe je een ander kunt steunen. Jezelf zijn, is toch een recht voor iedereen!

Meer weten?

Op donderdag 1 juli 2021 organiseert IDEM Rotterdam het online Kennisatelier ‘Zie je grijze toekomst door een roze bril’ over inclusie van LHBTIQ+-ouderen. Er zijn nog enkele plaatsen beschikbaar. Meer informatie en aanmelden kan op deze pagina.

Over Eveline

Eveline van de Putte (auteur, trainer, fotograaf) schreef onder andere Stormachtig Stil, levensverhalen van roze ouderen en Nieuwe Namen, levensverhalen van transgender ouderen. Ook geeft zij regelmatig gastcolleges over LHBTIQ+-ouderen op hoge scholen en is ze een graag geziene spreker op congressen en symposia over dit onderwerp. Samen met Erik Alkema maakte zij een serie filmportretten van transgender ouderen. Eveline is ook freelancer bij Roze 50+. Sinds maart 2014 reist Van de Putte door Nederland en België met de Tour d’Amour, een dialoogbijeenkomst om seksuele diversiteit  en genderidentiteit binnen zorg en welzijn bespreekbaar te maken. De Tour d’Amour is inmiddels 189 keer uitgevoerd.

5 vragen over… antisemitisme

5 vragen over… antisemitisme

Een deel van de Joodse Rotterdammers gaat niet zichtbaar Joods over straat om antisemitische reacties te voorkomen. Wie toch een keppeltje of davidsster draagt, voelt een risico om uitgescholden of bespuugd te worden. Dat blijkt uit een kwalitatief onderzoek van IDEM Rotterdam naar de ervaringen en veiligheidsbeleving van Joodse Rotterdammers. IDEM Rotterdam stelt 5 vragen over antisemitisme aan onderzoekers Nienke de Wit en Bauke Fiere.

1. Wat is antisemitisme?

Hoewel antisemitisme geen eenduidige definitie heeft, wordt de definitie van International Holocaust Rememberance Alliance (IHRA, 2020) veel gebruikt, onder andere in nationale en internationale politiek. Deze definitie luidt als volgt:

“Antisemitisme is een bepaalde perceptie van Joden die tot uiting kan komen als een gevoel van haat jegens Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme zijn gericht tegen Joodse of niet-Joodse personen en/of hun eigendom en tegen instellingen en religieuze voorzieningen van de Joodse gemeenschap.”

IHRA verstaat onder manifestaties ook uitingen tegen de staat Israël, die beschouwd wordt als Joods collectief. Echter, kritiek tegen Israël die gelijk staat aan mogelijke kritiek op andere landen kan volgens hen niet beschouwd worden als antisemitisme.

2. Hoe vaak komt antisemitisme voor?

Hoeveel antisemitische incidenten er daadwerkelijk zijn in Nederland is lastig te vast te stellen. Verschillende instanties, onder andere antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s), Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI) en de politie, houden bij hoeveel meldingen zij ontvangen van antisemitisme, maar dit geeft geen inzicht in de werkelijke omvang van het probleem. Dit komt omdat antisemitisme niet altijd als zodanig wordt herkend en omdat van lang niet alle antisemitische incidenten een melding wordt gemaakt.  Uit onderzoek van de European Union Agency for Fundamental Rights (FRA) uit 2018 blijkt dat slechts een kwart van de slachtoffers van een antisemitisch incident in Nederland dit ergens heeft gemeld.

In 2019 telde het CIDI in totaal 182 antisemitische incidenten in Nederland, exclusief online antisemitisme. Het gaat om incidenten die direct gemeld zijn bij CIDI, of gedeeld door meldpunten als ADV’s en het College voor de Rechten van de Mens of via (sociale) media. Het gaat bijvoorbeeld om vernielingen en bekladdingen in de openbare ruimte, het uitschelden van mensen op straat of telefonisch en pesterijen op scholen. Daarnaast zijn er meldingen van bedreigingen en het bespugen van mensen die door hun kleding als Joods herkenbaar zijn.

Hoewel antisemitisme lastig te meten is en er geen exacte cijfers van de omvang zijn, zien verschillende instanties wereldwijd die cijfers bijhouden over antisemitisme een stijging van het aantal incidenten. Het Kantor Center rapporteert een stijging van het aantal grote gewelddadige incidenten in 2019 van 18% ten opzichte van 2018 (Kantor Center, 2020).  

3. Hoe herken je antisemitisme?

Antisemitisme kan zich direct, maar ook indirect uiten. Direct antisemitisme uit zich tegen Joodse personen, eigendommen of gebouwen, terwijl indirect antisemitisme niet direct wordt geuit. Bij direct antisemitisme kan het gaan om ongepaste en discriminerende opmerkingen, fysiek geweld en vernieling. Dit kan zich uiten in de privésfeer, maar ook in het publieke debat of de openbare ruimte. Indirect antisemitisme gaat bijvoorbeeld om antisemitische leuzen tijdens voetbalwedstrijden, het uitschelden van een politieagent voor k**jood of het verspreiden van diverse complottheorieën over Joden. Zo hoeft antisemitisch schelden niet direct tegen een Joods persoon geuit te worden, maar draagt het wel bij aan de normalisering van antisemitisme en een negatieve associatie met Joden. Antisemitisme heeft diverse verschijningsvormen, en kan zowel zeer duidelijk als subtiel voorkomen. Het hoeft niet altijd te gaan om direct geweld, maar juist sluimerende vormen kunnen ook schade toe richten, zoals stereotypes en vooroordelen over Joodse mensen.

4. Wat kun je als professional doen tegen antisemitisme?

Je kan jezelf informeren en nagaan wat je over het jodendom in Nederland weet. Daarnaast kan je je collega’s aanspreken wanneer je merkt dat die persoon weinig kennis heeft of op basis van vooroordelen handelt. Antisemitisme is, net zoals discriminatie op andere gronden, een complex fenomeen. Het hangt samen met normen, structuren van ongelijkheid en het op alledaagse manieren tot uiting kan komen. De eerste stap naar verandering is daarom om meer kennis op te doen en kritisch op jezelf te reflecteren.

5. Wat kun je doen als je antisemitisme ervaart?

Je kunt (anoniem) een melding doen van discriminatie bij het antidiscriminatiebureau in je gemeente (in Rotterdam is dat RADAR). De gespecialiseerde klachtbehandelaars kunnen je, indien gewenst, advies geven over mogelijke vervolgstappen en je hierin ondersteunen.

Omstanders kunnen altijd een goede bondgenoot zijn door zich uit te spreken tegen discriminatie, ook in het geval van antisemitisme. Ga naast iemand staan die antisemitisch bejegend wordt en geef deze persoon de ruimte om zichzelf uit te kunnen spreken. Verder kun je iemand die antisemitisme meemaakt ondersteunen, bijvoorbeeld door een luisterend oor te bieden en samen te kijken naar mogelijke oplossingen voor de situatie.

Lees het onderzoek ‘Openlijk Joods, maar niet altijd’

Wil je meer weten over antisemitisme? IDEM Rotterdam deed kwalitatief onderzoek naar antisemitisme in Rotterdam. Hiervoor zijn Joodse Rotterdammers gevraagd naar hun ervaringen met antisemitisme en welke invloed dat heeft op hun veiligheidsbeleving. Het onderzoek is hier te downloaden.

5 vragen over… seksuele straatintimidatie

5 vragen over… seksuele straatintimidatie

Roepen, sissen, nafluiten en vervolgens uitgescholden worden als je niet reageert. Voor veel (met name) vrouwen en LHBTIQ+-personen is dit een herkenbare realiteit. De gemeente Rotterdam wil korte metten maken met deze en andere vormen van straatintimidatie, want iedereen moet immers met een veilig gevoel op straat kunnen lopen. IDEM Rotterdam stelt vijf vragen over seksuele straatintimidatie aan Lisanne Oldekamp, beleidsadviseur en projectleider ‘aanpak seksuele straatintimidatie’ bij gemeente Rotterdam.

1. Wat is seksuele straatintimidatie?

Seksuele straatintimidatie kent vele vormen. In het plan van aanpak van de gemeente hanteren we de volgende definitie: ‘(seksuele) uitlatingen of gedragingen op straat waarmee anderen u irriteren, tot last zijn, kwetsen, beledigen, bedreigen of beperken in uw gevoel van vrijheid’.

2. Hoe vaak komt seksuele straatintimidatie in Rotterdam voor?

Uit onderzoek uit 2016 blijkt dat 44 procent van de vrouwen die aan het onderzoek hebben meegewerkt, te maken heeft gehad met seksuele straatintimidatie. Het gaat daarbij om bovenstaande definitie. Als je echter een bredere definitie hanteert, waaronder ook sissen, fluiten of naroepen vallen, dan heeft maar liefst 94 procent van de vrouwen dit meegemaakt. Seksuele straatintimidatie is dus een groot probleem. De gemeente heeft de Erasmus Universiteit Rotterdam opdracht gegeven om het onderzoek uit 2016 te herhalen, om een actueel beeld te krijgen van het probleem. Dat rapport verschijnt volgende week.

3. Wat doet de gemeente tegen seksuele straatintimidatie?

De gemeente heeft een integrale aanpak. Slachtoffers van seksuele straatintimidatie kunnen hun ervaring melden in de StopApp. Als je wil, kun je je contactgegevens achterlaten. Iemand van de gemeente neemt dan contact met je op, bijvoorbeeld om je door te verwijzen naar hulpverlening. We willen vooral dat melders zich gehoord voelen.

Verder voeren we campagnes om mensen ervan bewust te maken dat seksuele straatintimidatie niet normaal is. Deze richten zich naast slachtoffers ook op daders of potentiële daders. We gaan ons ook meer richten op omstanders: help iemand als je merkt dat er sprake is van seksuele straatintimidatie. Als hele samenleving moeten we zeggen: ‘We vinden dit niet normaal.’

Tot slot gaat er veel aandacht naar de strafbaarstelling van straatintimidatie. In Rotterdam hebben we een tijd een artikel in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV; in de APV staat de regelgeving binnen de gemeente, bijvoorbeeld ook over vergunningen en over waar je op straat alcohol mag drinken) gehad, waarmee straatintimidatie strafbaar was en waar we op konden handhaven. Helaas is dat door een rechter herroepen: een lokale verordening was volgens de rechter niet mogelijk, maar een wet (dus landelijk) wel. Inmiddels is in Den Haag een wetsvoorstel in de maak, waar de gemeente Rotterdam ook input voor levert. We doen ons uiterste best om die wet voor elkaar te krijgen.

4. Wordt er ook veel gedaan aan de preventie van seksuele straatintimidatie?

We zijn momenteel bezig met een nieuwe aanpak van seksuele straatintimidatie. Hierbij zal meer aandacht uitgaan naar preventie. Het belangrijkste hierbij is dat we niet het wiel opnieuw gaan uitvinden. We onderzoeken bijvoorbeeld of er lessen over seksueel gedrag zijn op scholen, waarbij we kunnen aanhaken. Ook proberen we aansluiting te vinden bij andere activiteiten in de stad, bijvoorbeeld workshops over taboes bespreken.

5. Wat kun je als professional doen als een cliënt of zorgvrager te maken heeft met seksuele intimidatie?

In eerste instantie kun je het melden in de StopApp. Ook professionals kunnen melden in de StopApp, eventueel anoniem. Hoe meer meldingen we binnenkrijgen, hoe meer zicht we hebben op het probleem en hoe concreter we het kunnen aanpakken. Als de persoon in kwestie dat wil, kunnen we contact opnemen en doorverwijzen naar de juiste hulpverlener. Verder is het heel erg afhankelijk van wat er is gebeurd en wat iemands behoefte is. We zijn op dit moment bezig met het doorontwikkelen van onze aanpak. Eén van de punten die we daarin willen meenemen, is het vergroten van het handelingsperspectief van omstanders. Die term ‘omstanders’ willen we wat verder afpellen, want ook professionals kunnen natuurlijk omstanders zijn. Om te zorgen dat we de juiste tips meegeven, ben ik ook erg benieuwd waar professionals behoefte aan hebben (hiervoor kun je per mail contact met me opnemen).

Verder raden we voor hulpverleners een korte online training aan van Stand Up. Met behulp van een aantal casussen krijg je meer inzicht in wat seksuele intimidatie is en hoe je het beste kan handelen.

Meer weten?

Op 29 april 2021 organiseert IDEM Rotterdam het Kennisatelier ‘Seksuele intimidatie, niks bijzonders?’. Er zijn nog een beperkt aantal plaatsen voor professionals beschikbaar, dus meld je snel aan. Over de aanpak van seksuele straatintimidatie door de gemeente Rotterdam kun je meer lezen op de website van de gemeente.

5 vragen over… hulpverlening aan sekswerkers

5 vragen over… hulpverlening aan sekswerkers

Porno, erotische massages, webcam, prostitutie: voor veel mensen zijn dit ‘ver van hun bed’-onderwerpen. Er rust een stigma op sekswerk en sekswerkers krijgen daardoor met allerlei vooroordelen en stereotypen te maken. Ook bij hulp- en zorgverleners gaan er vaak alarmbellen af wanneer een cliënt in deze sector werkt. Want hoe verleen je de beste hulp aan deze doelgroep? Stichting Humanitas ontwikkelde daarover de e-learning ‘Hulp en Zorg aan Sekswerkers’. IDEM Rotterdam stelt 5 vragen hierover aan Anke van den Dries, sociaal werker bij het Expertisecentrum Seksualiteit, Sekswerk en Mensenhandel van Stichting Humanitas.

1. Wat betekent ‘sekswerk’ eigenlijk? En is er een verschil met prostitutie?

Sekswerk is een parapluterm. Hieronder vallen vormen van seksuele of erotische diensten waar iemand geld mee verdient. Je kan bijvoorbeeld denken aan fysieke offline vormen van sekswerk die ook wel prostitutie genoemd worden, maar ook aan iemand die je kan inhuren als BDSM-dominatrix, of een porno-acteur, of iemand die mensen begeleidt in het ontdekken van hun eigen seksualiteit. Ook zijn er sekswerkers die bijvoorbeeld gespecialiseerd in diensten voor mensen met een lichamelijke of geestelijke beperking. En webcammers vallen ook onder sekswerk, mensen die op afstand seksuele diensten verlenen. Het hoeft dus lang niet altijd om een fysieke afspraak te gaan tussen sekswerker en klant. En als het wel om een fysieke afspraak gaat, dan is seksualiteit niet per definitie het belangrijkste onderdeel. Omdat de term zo breed is, en minder stigmatiserend dan prostitutie, spreken wij van sekswerk. Deze term geeft tegelijkertijd duidelijk aan dat het om arbeid gaat.

2. Is iedere sekswerker tegen haar / zijn / hun zin aan het werk? Hoe schat je als hulpverlener in of dit wel of niet het geval is?

Het idee dat je sekswerk niet vrijwillig zou kunnen doen, komt voort uit allerlei stigma’s die eromheen hangen. Sekswerkers houden zich namelijk meestal niet aan wat de normatieve kaders van ‘goede seksualiteit’ zouden zijn. Ze hebben bijvoorbeeld seks voor geld en zijn niet monogaam. Een van de manieren om met al deze vooroordelen om te gaan, als je niet goed begrijpt waarom iemand sekswerk zou doen, kan zijn door aan te nemen dat iemand wel slachtoffer moet zijn. Daardoor worden ook sekswerkers die vrijwillig voor dit werk gekozen hebben, in die hoek gedrukt.

Daarnaast is de term ‘vrijwilligheid’ ingewikkeld, omdat daar verschillende interpretaties van mogelijk zijn. Als een pooier of mensenhandelaar iemand dwingt om in de seksindustrie te werken, dan is de onvrijwilligheid of uitbuiting helder. Maar sommige mensen vinden het ook onvrijwillig als een iemand vanuit financiële stress sekswerk doet. Maar wat als iemand uit financiële stress ervoor kiest om als extra inkomsten kranten te bezorgen, is dat dan ook onvrijwillig? Er is een ‘grijs gebied’, waardoor ook onderzoeken en cijfers op dit vlak geen uitsluitsel geven.

Er zijn sekswerkers die vanuit hele positieve motivaties voor dit werk gaan, maar we zien ook veel mensen die sekswerk doen omdat ze weinig andere opties hadden. Vaak is dan alleen niet sekswerk zelf het probleem, maar iets wat erachter zit. Psychische problemen, bijvoorbeeld, armoede of problemen met verblijfstatus of rechten op sociale voorzieningen. Het is dan raadzaam om oplossingen voor het achterliggende probleem te zoeken. Sekswerk criminaliseren of afpakken lost dat achterliggende probleem namelijk nooit op.

3. Hebben sekswerkers veel last van het taboe op / vooroordelen over hun beroep?

Ja, we merken dat sekswerkers zich niet altijd goed bejegend voelen. Het feit dat er speciale hulpverleningsorganisaties voor sekswerkers bestaan, geeft al aan dat er een sterk stigma is. Zoiets is er namelijk niet voor timmerlieden of docenten. De problemen waarmee sekswerkers zich bij ons melden, zijn veelal veroorzaakt door het stigma. In de e-learning vertelt bijvoorbeeld een sekswerker die een ggz-behandeling kreeg. Ze aarzelde om te vertellen over haar beroep, omdat ze al eerder negatieve en discriminerende ervaringen heeft gehad. Op een bepaald punt vond ze dat ze toch open moest zijn, maar vertelde uit voorzichtigheid dat ze in het verleden sekswerk gedaan heeft. Uiteindelijk zag ze bij het bespreken van het behandelplan, dat er een seksuele stoornis aan haar diagnose was toegevoegd. De volgende keer dat ze hulp inschakelt, denkt ze wel twee keer na voordat ze over haar beroep praat. Een ander voorbeeld is een sekswerker die naar de huisarts ging voor een oogontsteking, waarbij er direct vanuit werd gegaan dat ze sperma in haar oog had gekregen. En dergelijke voorbeelden, daar zijn er tal van. Sekswerk wordt er te snel bij gehaald en geproblematiseerd. Dat zorgt er helaas vaak voor dat sekswerkers eerder geneigd zijn om hulp en zorg te mijden.

4. Hoe kun je als professional in het maatschappelijk veld sekswerkers het beste ondersteunen?

Ten eerste is het van belang om bij jezelf na te gaan wat je eigen beeld is van sekswerk, maar eigenlijk ook seksualiteit in brede zin: want wanneer we het over sekswerk hebben, hebben we het over seks. Hoe hebben seksuele normatieve kaders zich in jou genesteld, hoe beïnvloedt dit jouw denkbeelden en hoe uit zich dat? We zijn ook als professionals mensen en brengen onze eigen normen en gevoelens mee, maar kijk hier eerlijk naar en deal ermee zodat ze in contact met je cliënt jouw professionele handelen niet in de weg staan.

Wanneer je je zorgen maakt over uitbuiting of misbruik in een situatie, kan het helpen om in gedachten een ander beroep in te vullen. Zou je je ook zorgen maken als het gaat om een bouwvakker of horecamedewerker met dezelfde signalen? Als je twijfelt, overleg dan. Je kan altijd bellen naar het regionale meldpunt Jeugdprostitutie en Mensenhandel van Stichting Humanitas (tijdens kantoortijden 010 – 236 5212, of pmw@stichtinghumanitas.nl), waar een van onze collega’s met je kan meedenken over een casus, eventueel ook anoniem.

Hulp- en zorgverleners die nog meer willen weten over sekswerkers, stigma, hulpvragen, ervaringen en misstanden, kunnen de door ons ontwikkelde e-learning volgen (geaccrediteerd bij Registerplein, SKJ, NIP en LV POH-GGZ). In acht lessen geven onderzoekers, hulpverleners en ervaringsdeskundigen meer informatie.

In het Tijdscrift voor Seksuologie, waarin de e-learning werd besproken, werden al een aantal tips uit de online cursus samen gepakt: ‘Tast steeds je woordgebruik af met je cliënt. Vermijd elke overdreven reactie (redgedrag, romantiseren, infantilisering, fetishering) en houd het contact gewoon zakelijk beroeps-specifiek. Wees bij voorkeur ook na kantooruren beschikbaar. Vraag naar zowel positieve als negatieve ervaringen in het sekswerk om een open, onbevooroordeelde opstelling te bevorderen. Wees gender-, seksueel en cultuur-sensitief. Verwijs door bij een mismatch. Doe bij vermoedens van uitbuiting precies hetzelfde als in soortgelijke situaties bij andere beroepen. Dat betekent: bespreek je zorgen altijd open en helder met de cliënt en pas de voorgeschreven stappen in de meldcode toe. Wees echter altijd voorzichtig om een sekswerker ongewenst te “outen” of anderszins in gevaar te brengen bij een eventuele stap naar instanties.’ (Vanwesenbeeck, 2019)

5. Hoe kunnen we de samenleving inclusiever maken voor sekswerkers?

Het is al fijn als mensen dit artikel lezen. Dat betekent dat ze ervoor open staan om meer over dit onderwerp te weten. Vergeet niet dat sekswerkers ‘ook net mensen zijn’. Ook als sekswerk niks voor jou is, of iets is waar je je moeilijk in kan vinden, probeer dan toch je te verplaatsen in een ander. Lees bijvoorbeeld tweets van activistische sekswerkers. Zoals bij zoveel onderwerpen rondom diversiteit geldt ook hier: door in aanraking te komen met een wereld die niet van jou is, kun je erover leren.

Als samenleving is er verbetering te behalen door sekswerk als werk te zien en niet anders te behandelen dan andere vormen van arbeid. Geef sekswerkers toegang tot dezelfde arbeidsrechten en bescherming als alle andere arbeiders. Geef mensen gelijke kansen om hun leven in te richten en de kost te verdienen, met sekswerk of juist niet. Gelijke rechten en gelijke kansen zou sekswerk een stuk veiliger maken, minder gestigmatiseerd en vrijer.

5 vragen over…. Discriminatie van moslima’s

5 vragen over…. Discriminatie van moslima’s

Moslima’s krijgen bovengemiddeld vaak met discriminatie te maken. Door hun veelal zichtbare identiteit zijn deze vrouwen vaker en eerder doelwit van pesterijen, discriminatie of uitsluiting. Maar hoe komt het eigenlijk dat zij hier relatief meer last van hebben? En wat kun je als professional doen om deze vorm van discriminatie tegen te gaan? Afiah Vijlbrief, Nienke de Wit en Bauke Fiere voeren voor IDEM onderzoek uit naar discriminatie van moslima’s op de arbeidsmarkt. Zij beantwoorden vijf vragen over moslimadiscriminatie.

1. Moslima’s ervaren relatief veel discriminatie. Hoe komt dat?

In tegenstelling tot moslimmannen of moslima’s zonder hoofddoek, worden moslima’s met een hoofddoek vaker gediscrimineerd. Juist door hun hoofddoek worden zij zichtbaar herkend als ‘symbool’ van de islam. Sommige mensen hebben hierbij direct vooroordelen, bijvoorbeeld dat denkbeelden van een moslima zouden indruisen tegen ‘progressieve’ westerse ideeën over gendergelijkheid. Moslima’s worden door hun zichtbaarheid expliciet bejegend, denk bijvoorbeeld aan uitschelden (op straat), genegeerd worden of niet aangenomen worden voor een baan. Ook moslima’s die geen hoofddoek dragen kunnen met stereotypering of vooroordelen te maken krijgen, alleen gebeurt dit vaak subtieler.

Als moslima’s gediscrimineerd worden, kunnen zij bovendien met een combinatie aan gronden te maken krijgen. Denk bijvoorbeeld aan seksediscriminatie, omdat ze vrouw zijn, in combinatie met een negatieve houding tegenover de islam, en/of racisme vanwege hun huidskleur of etnische achtergrond. Moslimadiscriminatie gaat daarom verder dan alleen religie.

2. Op welke terreinen ervaren moslima’s de meeste discriminatie?

De meeste meldingen die antidiscriminatiebureaus ontvangen over ervaren discriminatie van moslims hebben betrekking op de arbeidsmarkt. De beschikbare gegevens zijn vrij algemeen, dus deze vraag is lastig te beantwoorden voor specifiek moslima’s. In 2019 ging het om 35% van alle meldingen van moslimdiscriminatie. Voorbeelden hiervan zijn het niet aangenomen worden voor een functie vanwege het dragen van een hoofddoek en genegeerd worden. Ook over de terreinen commerciële dienstverlening en de openbare ruimte komen relatief veel meldingen binnen, bijvoorbeeld het nageroepen of uitgescholden worden op straat.

3. Wat zijn de verschillen tussen ervaringen met islamofobie tussen vrouwen en mannen?

Zowel islamitische vrouwen als mannen maken discriminatie mee. Neem bijvoorbeeld de arbeidsmarkt. Uit onderzoek blijkt dat mannen met een niet-westers klinkende naam minder vaak worden uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek dan iemand met hetzelfde cv en een westers klinkende naam. Hierover valt meer te lezen in het rapport Liever Mark dan Mohammed. Bij vrouwen is het vaker zo dat zij worden aangekeken en aangesproken op hun positie ten opzichte van mannen, wat voortkomt uit vooroordelen over een religie die vrouwen onderdrukt. Onbewust worden vrouwen daardoor ook op een bepaalde manier op de werkvloer gepositioneerd. Zo worden moslima’s bijvoorbeeld vaker niet serieus genomen. Ze zijn namelijk vrouw én islamitisch. Een voorbeeld uit de praktijk is dat ondanks opleidingsniveau, de moslima gevraagd wordt voor werk dat onder haar niveau is.

4. Hoe verschilt seksisme tegen moslimavrouwen met dat tegen andere vrouwen?

Moslima’s kennen in ieder geval twee ‘minderheidsidentiteiten’: namelijk vrouw en islamitisch. Niet-moslima’s behoren tot minstens één minderheidsgroep. Moslima’s worden gestigmatiseerd door hun religie, maar ook nog eens geseksualiseerd door hun vrouw-zijn en mogelijk geëxotiseerd door hun uiterlijk, etniciteit of afkomst. Deze lagen in hun identiteit verschillen mogelijk van niet-moslima’s met andere zichtbare en onzichtbare identiteitskenmerken.

5. Wat kun je als moslima doen als je met discriminatie te maken krijgt? En als niet-moslima?

Je kunt (anoniem) een melding doen van discriminatie bij het antidiscriminatiebureau in je gemeente (in Rotterdam is dat RADAR). De gespecialiseerde klachtbehandelaars kunnen je, indien gewenst, advies geven over mogelijke vervolgstappen en je hierin ondersteunen. Meldingen geven daarnaast inzicht in wat er speelt in de maatschappij. Onderzoek doet dit ook. Momenteel voert IDEM onderzoek uit naar de ervaringen van moslima’s op de Rotterdamse arbeidsmarkt.

Anderen kunnen altijd een goede bondgenoot zijn door zich uit te spreken tegen discriminatie, ook in het geval van moslimdiscriminatie. Ga naast iemand staan die gediscrimineerd wordt, op welke grond dan ook, en geef deze persoon ruimte om zichzelf uit te kunnen spreken, ook op de werkvloer. Verder kun je iemand die discriminatie meemaakt ondersteunen door bijvoorbeeld een luisterend oor te bieden en samen te kijken naar wat mogelijke oplossingen zijn voor de situatie. 

Heb je interesse om deel te nemen aan het onderzoek van IDEM? Werk jij als moslima op de Rotterdamse arbeidsmarkt en wil je je ervaringen anoniem delen ten behoeve van dit onderzoek? Neem dan contact op met onderzoeker Afiah Vijlbrief (a.vijlbrief@radar.nl). Als dank voor je deelname ontvang je een cadeaubon ter waarde van 15 euro.