Gers met Geld: stress-sensitieve aanpak voor mensen met financiële problemen

Gers met Geld: stress-sensitieve aanpak voor mensen met financiële problemen

Aan het begin van een nieuw jaar is het voor veel mensen tijd voor goede voornemens. Op je geld letten is er daar vaak een van. Wie in de schulden komt, moet nóg iets beter opletten. Gers met Geld biedt hier hulp bij. Het Rotterdamse initiatief coacht inwoners om financiële zelfredzaamheid te bevorderen en daardoor hun financiële situatie te verbeteren. IDEM Rotterdam spreekt met Irene Lopes, een van de projectleiders, en trajectcoach Jason de Vogel.

Wat doet Gers met Geld?

Irene Lopes.

Irene: Gers met Geld is in 2019 van start gegaan vanuit een samenwerking van Kwadraad en Buurtwerk. We zijn een van de uitvoerders van het plan ‘Reset Rotterdam’, waarbij we mensen met problematische schulden proberen te helpen. In het kort, we ondersteunen, begeleiden en coachen deze mensen om hun financiële zelfredzaamheid te bevorderen.

Jason: We beginnen met een kennismakingsgesprek om te bekijken of iemand open staat voor een traject bij ons. We bekijken waar die persoon staat en wat diegene wil bereiken. Onze coachende rol bestaat eruit om samen met de cliënt te bekijken waar diegene wil groeien op het gebied van competenties, motivatie en zelfvertrouwen. We bekijken dan wat we kunnen aanbieden, dus we leveren maatwerk. Denk aan workshops, trainingen en oefeningen om het zelfvertrouwen te versterken. Het is belangrijk dat mensen zien dat ze er niet alleen voor staan.

Waarom kloppen veel mensen met schulden zo laat aan?

Jason: Niet iedereen heeft een financiële opvoeding gehad. Een groot deel van de mensen komt in de problemen omdat ze niet zo goed weten hoe ze met geld moeten omgaan. Eigenlijk komen ze uit onmacht in de schuldsanering.

Irene: Er is ook een grote groep die in de schulden komt door life events, zoals ziekte of scheiding. Dan kunnen schulden heel snel opstapelen. De mensen die bij ons komen zitten vaak al in de schuldhulpverlening. Zij worden aangemeld bij ons vanuit de kredietbank. Sinds kort worden ook mensen aangemeld door welzijnsorganisaties. Deze groep heeft financiële vragen, maar de situatie is nog niet problematisch. Bij hen kunnen we hopelijk erger voorkomen.

Ingewikkelde regels maken het vast ook niet makkelijker?

Irene: We zien vaak dat bepaalde regels het lastig maken. Zo begeleidde ik een dame met een nulurencontract die ook bijstand kreeg. Ze krijgt elke maand een brief dat ze moet terugbetalen omdat ze ‘te veel’ gewerkt zou hebben, maar ze kan pas achteraf doorgeven hoeveel ze gewerkt had. Alles werd dan te laat verrekend, waardoor ze iedere keer in de min eindigde. Iemand in zo’n situatie heeft continu stress door die regels, je moet continu opletten of je niet iets verkeerd doet of te veel werkt.

Wat kunnen jullie in dergelijke gevallen doen? Bemiddelen bij de gemeente?

Irene: We bekijken natuurlijk eerst of alles wel klopt. Indien het niet klopt, dan verwijzen we door naar sociale raadslieden. We mogen namelijk zelf geen bezwaar maken, maar we begeleiden hen wel naar hulpverleners die daar wel bij kunnen ondersteunen.

Jason: We proberen iemand te motiveren om zelf de regie te nemen. We coachen hen om de stap te nemen naar dat loket, om hulp te vragen en met resultaat terug te komen. Voor onze deelnemers is dat een hele grote stap, omdat ze door de jaren heen moedeloos zijn geworden, of weerstand hebben opgebouwd ten aanzien van het systeem zoals de belastingdienst.

Als die eerste stap is gezet en mensen zijn weer op de goede weg, hoe zorgen jullie ervoor dat mensen niet terugvallen in schulden?

Jason: Wat wij doen is eigenlijk al nazorg. Mensen zitten in een traject waarbij de acute problematiek is opgepakt. Als iemand wordt aangemeld, gaat het erom dat ze zelf regie nemen. Ze mogen alle vragen stellen die ze willen, hoe ‘dom’ ze ook zijn.

Irene: De mensen die we coachen hebben al jaren geen regie kunnen nemen, omdat ze in een traject zitten. Door coaching, trainingen en workshops proberen we ervoor te zorgen dat mensen het vertrouwen krijgen dat ze de situatie weer in eigen hand kunnen nemen. Als onze begeleiding is afgerond, monitoren we nog enkele maanden hoe het met die personen en hun financiën gaat.

Hebben jullie het drukker door de coronacrisis? Ik kan me voorstellen dat meer mensen in de problemen komen door financiële onzekerheid?

Jason: We hebben niet veel meer aanmeldingen, maar het is wel lastiger om de dienstverlening op peil te houden. We zijn geswitcht van fysieke naar digitale ondersteuning, wat lastig is omdat we zo sterk inzetten op interactie en betrokkenheid. Bovendien heeft niet iedereen voldoende digitale competenties om online hulp te ontvangen.

Irene: Het was een hele omschakeling voor zowel de organisatie als de mensen die we begeleiden. Want hoe organiseren we alles voor mensen die bijvoorbeeld geen computer hebben? We proberen dan bijvoorbeeld opdrachten per post te versturen en deze telefonisch door te nemen, maar voor veel deelnemers is het niet eenvoudig en vergt dit veel inspanning. Dit is dan te veel gevraagd van mensen die al veel stress ervaren.

Er zijn veel vooroordelen over mensen met beperkt budget, bijvoorbeeld dat het hun eigen schuld is. Hoe kun je als professional daar het beste mee omgaan?

Jason: We zien mensen soms in een hokje worden gestopt op basis van hoe hun schulden zijn ontstaan. ‘Jij bent dat type cliënt’, bijvoorbeeld. Het is soms mensonterend. We proberen op een andere manier naar mensen te kijken, zonder stempel te drukken. Wees je bewust van de situatie van de cliënt, hoeveel stress dat oplevert en welke invloed dat heeft op iemands gedrag. In hoeverre is diegene nog in staat om in oplossingen te denken en rationeel naar de problemen te kijken? Wij proberen een stress-sensitieve aanpak te hanteren om hier zo goed mogelijk rekening mee te houden.

Irene: Goed luisteren is altijd belangrijk. Je gaat uit van de informatie op het aanmeldformulier, maar ga vervolgens zo open mogelijk het gesprek aan. Geef de deelnemers de kans om hun eigen verhaal te vertellen. Wat speelt er? Wat doet dat met iemand? Focus niet alleen op het zakelijke deel, maar onderzoek ook wat de stress kan stoppen bij iemand. En maak mensen bewust van wat stress met iemand kan doen en welke effecten die kan hebben. Deze bewustwording kan een eyeopener zijn.

Voor mensen met een beperkt budget is het lastig om mee te doen. Hoe kunnen we zorgen voor een inclusieve samenleving op dit vlak?

Jason de Vogel.

Jason: Ambtenaren of professionals denken nog vaak in hokjes, misschien omdat het werk zo georganiseerd is. We moeten gesprekken voeren om daar van los te komen en te streven naar onvoorwaardelijke acceptatie. De beleving van de cliënt staat centraal. We werken goed samen met de kredietbank Rotterdam. Samen proberen de communicatie naar de burger beter af te stemmen, zodat de burger zich minder ‘een nummer’ voelt.

Irene: Als je mensen met problematische schulden benadert, bedenk dan dat het iedereen had kunnen overkomen. Plaats jezelf niet hoger dan de cliënt. Door je manier van praten en van ondersteuning, kun je laten zien dat je gelijk bent. Natuurlijk heb je aan andere positie en een andere rol, maar als mens ben je gelijk. Dat neemt angst en eventuele weerstand weg bij de cliënt en geeft wat lucht.

Bekend maakt Bemind: Samen (online) in gesprek met een vluchteling zorgt voor wederzijds begrip en draagvlak

Bekend maakt Bemind: Samen (online) in gesprek met een vluchteling zorgt voor wederzijds begrip en draagvlak

‘Bekend maakt bemind’ is het project van VluchtelingenWerk waarbij je niet óver vluchtelingen praat, maar mét vluchtelingen. Ook al gebeurde dat afgelopen jaar vooral online, nog altijd bleken de voorlichtingen effectief en zijn er bruggen geslagen. Mirjam Walsmit, projectleider bij VluchtelingenWerk, wil komend jaar nog meer bruggen slaan met het bedrijfsleven. “We willen proberen om nieuwkomers sneller aan het werk te helpen.”

Wat houdt het project ‘Bekend maakt bemind’ in?

Als mensen iets niet kennen, wordt er volop over gesproken. Alleen gaat het dan vaak niet om de inhoud. Bij een lastig onderwerp, zoals vluchtelingen, kan dat zorgen voor vooroordelen of onbegrip. Daarom gaan we bij ‘Bekend maakt bemind’ op bezoek bij scholen, organisaties of bedrijven om voorlichting te geven. Een vrijwilliger van VluchtelingenWerk geeft antwoord op allerlei vragen: Waarom is een persoon gevlucht? Wanneer heeft een vluchteling recht op een asielvergunning? Hoe gaat het daarna?

De basiskennis wordt gecombineerd met het persoonlijke verhaal van een vrijwilliger die zelf gevlucht is. Deze vluchteling deelt haar of zijn levensverhaal, maar vaak vertelt diegene ook over de gelukkige jeugd in het land van herkomst. Vervolgens gaan we in op de moeilijkste periode voor de vluchteling: hoe bouw je in Nederland het leven weer op? Niet alleen kampen veel vluchtelingen met een trauma, door oorlog bijvoorbeeld, maar ook wordt er in Nederland nogal wat verwacht van een vluchteling. Samen kunnen we elkaar daarin helpen en leren van de mooie culturen.

Wat is het doel van dit project?

Door kennis te delen over vluchtelingen, hopen we meer draagvlak te creëren. Toen er in 2015 veel instroom was vanwege de oorlog in Syrië, zagen we de verhitte discussies oplopen. We hopen door kennis te delen vooroordelen en stereotypen tegen te gaan. Gelukkig waren er in die periode ook heel veel mensen die het belangrijk vonden om vluchtelingen op te vangen en die graag wilden helpen. Je merkt dat de animo onder vrijwilligers wegebt als vluchtelingen minder in het nieuws zijn. We hopen voor komend jaar dan ook op meer vrijwilligers: zowel voor maatschappelijk-juridische begeleiding aan vluchtelingen, als taalcoaches, en arbeidscoaches. Hulp is altijd welkom en je kan je aanmelden via www.vluchtelingenwerk.nl

Is het project stilgevallen tijdens de coronacrisis?

Gelukkig niet! Al is het begin vorig jaar, toen corona net in Nederland toesloeg, wel even stilgevallen. We werden, net als iedereen, een beetje overvallen. Op een gegeven moment hebben we het project online opgepakt. We hebben het gewoon geprobeerd en het ging eigenlijk heel erg goed. In de periode dat leerlingen naar school mochten, kwamen onze vrijwilligers de klas in via het Digibord of de beamer. Als de leerlingen thuiszaten, communiceerden we via hun eigen telefoon, tablet of laptop. Op die manier konden de voorlichtingen toch doorgang vinden. Dit jaar zullen we op die manier doorgaan. We hebben gemerkt dat een online ontmoeting net zoveel impact heeft als een fysieke ontmoeting. De voorlichtingen via het scherm blijken net zoveel effect te hebben en net zo waardevol te zijn!

Natuurlijk hebben we ook aandacht besteed aan de invloed van corona op nieuwkomers. Ze moeten al zoveel doen, zoveel leren en dan komt er ook nog een lockdown. Het kan ook heel erg eenzaam zijn. Gelukkig waren er genoeg vrijwilligers met tolkenfunctie die af en toe een praatje konden maken met mensen.

Wat zijn de plannen voor komend jaar?

We proberen sowieso breder aanwezig te zijn op scholen, in bedrijven en organisaties met Bekend maakt Bemind. Of dat nu online is of offline. Daarnaast willen we ons ook focussen op het bedrijfsleven. Het is tot nu toe erg lastig om nieuwkomers aan het werk te helpen als ze hun verblijfsvergunning hebben. Van de andere kant wordt er wel erg op ingezet vanuit de gemeente, want die moeten proberen iedereen zo snel mogelijk uit de bijstand te krijgen. Voor veel organisaties en bedrijven blijkt het toch lastig om iemand aan te nemen als iemand uit een ander land komt en bijvoorbeeld een opleiding niet helemaal overeenkomt. We willen bekijken of we hierin iets kunnen betekenen door extra in te zetten op voorlichtingen bij bedrijven.

Hoe kunnen we Rotterdamse organisaties zo inclusief mogelijk maken voor nieuwkomers?

Trek zoveel mogelijk met elkaar op. Organisaties kunnen veel van elkaar leren en elkaar versterken. Als professionals elkaar sneller opzoeken als er dingen spelen of als je ideeën hebt, dan kunnen we dat samen oppakken en ontwikkelen.

Dounia Jari: “De kracht van jonge moslima’s wordt te vaak niet gezien”

Dounia Jari: “De kracht van jonge moslima’s wordt te vaak niet gezien”

Moslima’s krijgen bovengemiddeld vaak met discriminatie te maken. Door hun veelal zichtbare identiteit zijn deze vrouwen vaker en eerder doelwit van pesterijen, discriminatie of uitsluiting. Maar deze zichtbare identiteit en de stigmatisering die daarmee samenhangt, kan voor queer moslima’s nóg een drempel vormen. IDEM spreekt daarover met Dounia Jari, voorzitter van Stichting Maruf, het platform voor queer moslims.

Stichting Maruf is niet alleen een kenniscentrum omtrent islam en seksuele diversiteit, maar vooral een veilige ontmoetingsplek voor queer moslims. Lesbische, homoseksuele, biseksuele en trans moslims krijgen namelijk te maken met discriminatie om hun etniciteit én hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit. “Hun worsteling gaat verder dan een interne dialoog”, legt Dounia uit. “Zij zitten met vragen over hoe ze opgaan in hun omgeving. Moslima’s ervaren vaker geweld dan andere moslims. En wat als je dan ook nog worstelt met je genderidentiteit? Intersectionaliteit in acht nemen is daarom onmisbaar als het om queer moslima’s gaat.”

Valkuil

Stigmatisering is een belangrijke oorzaak van deze worsteling. Zo is de associatie van de islam met anti-homosentimenten problematisch. “Veel mensen begrijpen niet dat je queer kunt zijn én moslim”, vertelt Dounia. “Er zijn bijvoorbeeld mensen die alleen op hun social media uit de kast komen, maar in het echt niet. Vaak volgen er heel veel negatieve reacties. ‘Waarom verlaat je je geloof niet?’ of ‘Waarom negeer je je seksualiteit niet?’ Er wordt heel binair gedacht: je wordt geacht een keuze te maken. Bij Maruf zeggen we: ‘Je hoeft geen keuze te maken.’”

Dounia merkt dat het voor de jongere generatie queer moslims steeds vanzelfsprekender is om geen keuze te maken. “Vorige generaties gingen dood vanbinnen, als ze bij zichzelf ontdekten dat ze niet heteroseksueel waren”, zegt Dounia. “Het voelde alsof jij je moest aanpassen, want de omgeving ging gewoon op dezelfde manier door. Bij de jongere generatie lijkt het andersom te zijn: ‘Ik ben zeker van mijn seksualiteit, dus de omgeving moet zich daar maar op aanpassen.’ De kracht van de jongere generatie, die wordt echt te vaak niet gezien.”

Hoofddoek

De hoofddoek, op welke manier die ook gedragen wordt, blijft een van de redenen waarom moslima’s vaker doelwit zijn van discriminatie of zelfs geweld. “Dat vrouwen – alleen maar omdat ze een hoofddoek dragen – nog altijd worden gezien als onderdrukt, dat is echt een valkuil”, zegt Dounia. Voor sommige queer moslims is de hoofddoek een persoonlijk probleem: “Een persoon die bij Maruf langskwam bleef maar praten over haar hoofddoek, en niet over haar gevoelens”, vertelt ze. “Ze vond het zo lastig om hem te dragen, maar haar moeder vond het niet goed als ze het niet deed. In eerste instantie begreep ik het niet goed, maar na vele gesprekken bleek haar hoofddoek in de weg te zitten van haar genderidentiteit.”

Voor transgender moslims kan de hoofddoek een ander probleem vormen. “De hoofddoek is toch een symbool voor vrouwelijkheid. Mannen dragen immers geen hoofddoek”, legt Dounia uit. “Een trans persoon die vanwege het geboortegeslacht geacht wordt een hoofddoek te dragen, maar zich niet als vrouw identificeert, kan het extra moeilijk vinden om de hoofddoek te dragen. Niet vanwege de religieuze associatie, maar omdat daarmee zijn gender voor hem wordt bepaald.”

Professionals

Probeer van je vooroordelen af te komen. Dat is het belangrijkste advies van Dounia aan professionals. “Als ik trainingen geef, geef ik vaak het voorbeeld van een queer moslima. Haar verschillende identiteiten zorgen voor meerdere gelaagde problemen. Die intersectionele blik probeer ik altijd mee te geven. Erken dat queer moslims bestaan in al hun diversiteit.”

Maruf helpt graag bij deskundigheidsbevordering als het gaat om queer moslims. Dounia: “Hoe ga je bijvoorbeeld om met een collega die queer en moslim is? Of hoe voorkom je microagressies als docent? Organisaties kunnen ons altijd benaderen voor trainingen om kennis te vergroten of handelingsperspectieven te bieden.”

www.maruf.eu

Meer weten?

Dounia is een van de sprekers op het Kennisatelier ‘Voorbij stereotypen – discriminatie van en beeldvorming over moslima’s’. Tijdens dit Kennisatelier gaan we in gesprek over verschillende vormen van discriminatie en beeldvorming. Waar ervaren moslima’s vooral discriminatie? Hoe worden moslima’s bijvoorbeeld vaak afgebeeld in de media? Heeft dat invloed op ideeën over emancipatie van moslima’s? En hoe zit het met LHBTQI-moslima’s, waarom horen we hier weinig over? Lees hier meer en meld je aan! 

Beleef mijn leven: documentaire over mensen met psychiatrische achtergrond

Beleef mijn leven: documentaire over mensen met psychiatrische achtergrond

Mensen met een psychiatrische achtergrond lopen tegen allerlei vooroordelen aan. Dat maakt – naast hun ziekte – hun leven soms net even lastiger dan nodig is. Om die stigmatisering tegen te gaan maakt Stichting Corridor een documentaire over mensen met een psychiatrische achtergrond: Beleef mijn leven. We vroegen Geeske Hoekstra van Stichting Corridor er meer over.

Waarom wilden jullie deze documentaire maken?

Stichting Corridor zet zich in voor mensen met een psychiatrische achtergrond. We hoorden van onze cliënten dat zij regelmatig last hebben van stigmatisering. Daar wilden we graag wat tegen doen. Dus ontstond het idee om een documentaire te maken over mensen met een psychiatrische achtergrond, om op die manier stigmatisering tegen te gaan.

Hoe hebben jullie het aangepakt?

We zijn met collega’s en cliënten over stigmatisering in gesprek gegaan. Samen met cliënten hebben we bekeken wat ze zoal meemaken, wat ze vervelend vinden en wat volgens hen de manier is om te voorkomen dat anderen zulke vooroordelen hebben. De cliënten zelf kwamen met het idee voor de documentaire. We hebben eerst zelf twee portretten gemaakt. Daarna zijn we een crowdfundingsactie gestart om er nog twee bij te kunnen maken en er een mooi geheel van te kunnen maken.

Waar liepen deze mensen zoal tegenaan?

Vooral dat ze meteen veroordeeld worden, in plaats van dat er contact gemaakt wordt. Als ze afwijkend gedrag vertonen, dan wordt er heel negatief op gereageerd. Zo vindt iemand het bijvoorbeeld heel fijn om bomen te knuffelen. Als hij dat in een park doet, wordt hij weleens weggejaagd terwijl hij niemand kwaad doet. Een ander voorbeeld is dat iemand een paniekaanval kreeg en dat meteen de politie wordt gebeld. Je kan ook aan diegene vragen of het wel goed gaat. Maar ook breder is het een probleem: bijvoorbeeld dat mensen geweigerd worden voor werk zodra ze horen dat iemand een diagnose heeft. Terwijl het echt geen belemmering hoeft te zijn en je met doorvragen vaak hele goede oplossingen kan vinden.

Enig idee waar de vooroordelen door ontstaan?

Er is te veel angst en te weinig begrip. De gevallen van ‘verwarde mensen’ die je in de media ziet, zijn meestal uit de hand gelopen. Dat zijn mensen die heel erg ziek zijn en behandeling nodig hebben. Veel vaker gaat het goed. Iemand die in zichzelf pratend over straat loopt, wil niet automatisch iemand iets aandoen.

Mensen met autisme, mensen die stemmen horen, of die schizofreen zijn kunnen ontzettend veel als het goed met ze gaat. Af en toe steekt de ziekte de kop op en zijn ze even uit de running, maar daarna krabbelen ze weer op en kunnen dan wél goed functioneren. Bij stichting Corridor ondersteunen we mensen met een psychiatrische achtergrond thuis, bij ons cliëntgestuurde activiteitencentrum kunnen ze dagbesteding uitvoeren en langs komen voor koffie, een praatje of een leuke activiteit. Daarnaast hebben we een opvanghuis en de Vriendendienst, een maatjesproject.

Hoe komen we van onze vooroordelen af?

Probeer contact te maken. Als je iemand op straat in zichzelf hoort praten, hoef je niet per se iets te doen. Je kan wel ‘hallo’ zeggen tegen diegene. Of als iemand een paniekaanval heeft, probeer te vragen wat er aan de hand is. Of je misschien iets voor diegene kan doen? Probeer het positief voor diegene in te vullen en vraag wat diegene nodig heeft. Er kunnen vijf mensen met dezelfde diagnose zijn, maar allemaal net iets andere behoeften hebben. 

Wanneer kunnen we de documentaire zien?

We hopen de documentaire aan het einde van dit jaar af te hebben, maar we zijn nog op zoek naar mensen die willen meedoen. Dus als je een psychiatrische achtergrond hebt en je wil vertellen over de stigma’s waar je mee te maken krijgt, over je mogelijkheden en bezigheden, dan kun je contact met ons opnemen. Het is overigens niet per se nodig dat je begeleiding krijgt of andere zorg ontvangt.

We vinden het ook heel leuk als mensen zelf ideeën hebben over hoe ze de stigma’s willen laten zien. Zo is in een van de portretten door de cliënt geschreven poëzie verwerkt.


Tessa Hofland: “Het stoorde me dat de slavernijgeschiedenis hier niet makkelijk is terug te zien”

Tessa Hofland: “Het stoorde me dat de slavernijgeschiedenis hier niet makkelijk is terug te zien”

Historicus en journalist Tessa Hofland maakte de podcast ‘Nooit bewust opgeslagen, over het Rotterdamse slavernijverleden’. In de vierdelige serie behandelt ze iedere aflevering een ander thema. Zo neemt ze je mee naar plekken in Rotterdam waar je nog sporen van het slavernijverleden kan zien en interviewt ze onderzoekers die migratiestromen in en uit Rotterdam in kaart gebracht hebben.

Hoe ben je op het idee gekomen voor deze podcast?

Tijdens gesprekken over het slavernijverleden hoorde ik mezelf steeds weer zeggen dat het ook een Nederlands verleden is, en dus ook Rotterdams. Maar dat past niet bij het beeld dat veel mensen hebben van slavernij, want het wordt alleen maar verteld als iets dat overzees gebeurde. Het wordt bijna als excuus gebruikt: ‘Het gebeurde niet hier, dus we konden er niets van weten.’ Zelf heb ik tijdens mijn studies kennis opgedaan over het slavernijsysteem op de Caribische eilanden, maar ik wilde ook mijn eigen omgeving kunnen duiden. Hoe heeft het slavernijverleden een impact gehad op mijn eigen stad, op Rotterdam dus.

Waarom is dat belangrijk?

De koloniale geschiedenis werd altijd neergezet als iets wat mensen onderscheidt. Maar dat is niet de basis die je wil hebben in een stad, of land. Het is namelijk een gedeelde geschiedenis, een geschiedenis die ons verbindt. Misschien waren je voorouders slachtoffer van het systeem of iemand die eraan heeft meegewerkt, en dat is een groot verschil maar toch is het een gedeeld verleden.

Kun je als witte vrouw dat verhaal vertellen?

Om allerlei redenen heb ik met die vraag geworsteld. Moet ik hier als witte vrouw wel een voortrekkersrol in nemen? Een aantal gesprekken hebben mij ervan overtuigd om het toch te doen. Een van de redenen was dat ik de mogelijkheid had om met een klein financieel risico deze podcast te maken. Ik heb een parttime baan en dus een inkomen. Bovendien had ik de nodige kennis en ervaring als journalist en historicus. Daarnaast is het niet alleen de verantwoordelijkheid van mensen van kleur of van zwarte mensen om dit thema aan te kaarten. Is het niet juist de verantwoordelijkheid van witte mensen, die ooit dit probleem hebben gecreëerd? Ik wilde in ieder geval de basis leggen van deze geschiedenis, zodat die last niet altijd bij anderen komt te liggen. Het is de geschiedenis van onze, dus ook van mijn stad die ik vertel.

Vanwaar de focus op Rotterdam?

Mijn fascinatie begon breder, namelijk met het idee van het Koninkrijk. In 2012 ging ik naar Curaçao voor mijn studie. Het idee van het Koninkrijk was nog vaag voor me, dus ik wilde daar naartoe om er meer over te leren. Ik ben later ook op Saba, St Eustatius en St Maarten, Aruba en Bonaire geweest. Daarmee had ik het hele Koninkrijk gezien.

Op Curaçao merkte ik dat je sporen van het slavernijverleden makkelijker kon terugzien dan in Nederland. Dat begon me te storen: waarom is de geschiedenis daar zo duidelijk en leren we er hier zo weinig over? Ik woon in Rotterdam, dus ik wilde mijn eigen stad ook op dit vlak leren kennen.

Wat heeft je het meest verrast tijdens het maken van de podcast?

Waar ik me het meest over verbaasde, was de echo die altijd klonk: ‘Hoe konden we dat nou weten?’ Maar Rotterdam is meer dan de haven, de scheepsbouwers, de jeneverstokers. Er zijn altijd mensen in Rotterdam geweest die het slavernijsysteem met eigen ogen hebben gezien, of zelf slachtoffer waren van het systeem. Zwarte mensen en mensen van kleuren waren ook altijd in de stad. Die moeten verhalen hebben verteld, en die moeten zijn meegenomen naar andere plekken. Toen al moeten er verhalen rondgegaan zijn over hoe tot slaaf gemaakten behandeld werden, dat er lijfstraffen werden uitgedeeld, dat ze urenlang moesten werken in de brandende zon. Het verrassende is dat ook in die tijd geprotesteerd werd, maar toch zijn op een gegeven moment de verhalen verstomd.

Heb je enig idee waarom dat zo was?

Deze vraag heb ik gesteld aan Alex van Stipriaan, hoogleraar Caribische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit, die ook betrokken is bij het Rotterdamse onderzoek naar het slavernijverleden van de stad. Hij legde uit dat het systeem van onderdrukking en mensen onmenselijk behandelen, dat we honderden jaren in stand gehouden hebben, op een gegeven moment niet meer bij ons zelfbeeld paste. Er waren bijvoorbeeld al eerder herdenkingen van het slavernijverleden, maar die waren op zeker moment gestopt. En door de wereldoorlogen in de twintigste eeuw, is het waarschijnlijk nog meer naar de achtergrond verdwenen.

Wat zou iedere Rotterdammer moeten weten van de geschiedenis van de stad?

Rotterdam is niet ontstaan uit de as van het bombardement in 1940. Rotterdam heeft een lange geschiedenis, het is een hele oude stad. Het was een van mijn drijfveren om te laten zien dat de Rotterdamse geschiedenis niet begint bij het bombardement in de Tweede Wereldoorlog. Daarvoor had je het slavernijverleden, allerlei migratiestromen, noem maar op. Ook dat hoort allemaal bij onze geschiedenis.

Online Kennisatelier over racisme

Wil je meer weten over het slavernijverleden van Rotterdam en de relatie met hedendaags racisme? Neem dan deel aan ons online Kennisatelier ‘All lives matter: ja toch, niet dan?’, waar Tessa Hofland een van de sprekers is. In onze agenda vind je meer informatie over het Kennisatelier of meld je direct aan!

Illustratie: Ez Silva

Jacqueline Rensen: “Hopelijk is de invloed van Irma blijvend”

Jacqueline Rensen: “Hopelijk is de invloed van Irma blijvend”

Vertalingen naar gebarentaal, trainingen voor horende mensen die samenwerken met een slechthorende of dove collega en zelfs workshops zingen in gebarentaal voor kinderen. De Rotterdamse Jacqueline Rensen zet zich op verschillende manieren in voor inclusie van slechthorende en dove mensen. De populariteit van gebarentolk Irma Sluis tijdens de persconferenties over de coronacrisis heeft de interesse in gebarentaal doen toenemen. “Maar Irma is niet meer altijd te zien, de aandacht verslapt weer”, zegt Jacqueline Rensen. “Toch hoop ik dat haar invloed blijvend is.”


Lange tijd dacht Jacqueline Rensen, die zwaar slechthorend geboren is en op latere leeftijd doof werd, dat het haar eigen verantwoordelijkheid was om te kunnen communiceren op de werkvloer. Ze zorgde ervoor dat ze collega’s goed kon zien als ze spraken, besteedde extra aandacht aan sheets tijdens presentaties, regelde een tolk bij bijeenkomsten en was niet verontwaardigd als een vergadering toch doorging als zij niet kon meedoen. Maar toen ze een baan kreeg bij Dovenschap, de nationale belangenbehartiger van vroegdove mensen, ervoer ze hoe het ook kon. Iedereen kon er gebaren, dus er waren geen belemmeringen in de communicatie. Bij de Brede Raad 010, waar Jacqueline aan deelneemt, nam de managementassistent het op zich de tolk te regelen voor vergaderingen. En als er geen beschikbaar was, werd de vergadering verschoven, zodat haar mening altijd meetelde. Jacqueline voelde zich eindelijk gehoord.


Gedeelde verantwoordelijkheid


“Ervoor zorgen dat een slechthorend of doof iemand goed kan meekomen op de werkvloer, is een gedeelde verantwoordelijkheid”, zegt Jacqueline. “Daar ben ik me in de loop der jaren steeds bewuster van geworden. Een gebarentolk is er niet zozeer omdat ik doof ben, maar vooral omdat niemand anders gebarentaal kan.”

Gelukkig komt er steeds meer aandacht voor inclusie op de werkvloer. “Voorheen was de tendens ‘zij moet zich aanpassen aan ons’, maar de houding van veel werkgevers, leidinggevenden en collega’s verandert”, legt ze uit. “Het is misschien lastig om horende collega’s te verplichten, maar steeds vaker wordt verwacht dat zij zich ook aanpassen.”


Tips voor horende collega’s

Zo moeilijk hoeft die aanpassing ook helemaal niet te zijn. Jacqueline geeft graag enkele tips aan horende mensen die een slechthorende of dove collega hebben. “Als een collega heeft aangegeven slechthorend of doof te zijn, kun je om te beginnen vragen wat diegene nodig heeft om jou te kunnen verstaan”, legt Jacqueline uit. “Door die vraag te stellen voelt de slechthorende of dove collega zich minder bezwaard. Laat merken dat diegene het niet alleen hoeft te doen en dat jij slechthorendheid accepteert.”

Harder praten is niet heel zinvol. “De articulatie is veel belangrijker”, legt Jacqueline uit. “Veel mensen weten niet wat ze moeten doen als iemand vraagt of ze duidelijker kunnen praten. Ga in ieder geval niet staccato en heel langzaam praten, dan valt alle mimiek weg. Houd een normaal spreektempo aan, maar praat net iets rustiger. Zorg er verder voor dat je aandacht hebt voor je collega: maak oogcontact.” Kijk niet raar op als je collega vraagt je een kwartslag of zo te draaien. Dat is nodig vanwege de lichtval.

Ook tijdens vergaderingen wordt het met kleine aanpassingen een stuk makkelijker voor dove of slechthorende collega’s. “Als slechthorende heb je uren beschikbaar om in te zetten voor een gebarentolk of schrijftolk. Dat is iemand die op een speciaal toetsenbord met lettergrepen meetypt, zodat de dove of slechthorende kan meelezen”, vertelt Jacqueline. “Mocht die niet beschikbaar zijn, zorg er dan voor dat de vergadering gestructureerd verloopt. Verspreid vooraf de agenda, zorg voor een goede voorzitter die beurten geeft en spreek onderling af dat iemand een hand opsteekt als diegene iets wil zeggen. En zijn er presentaties? Stuur ze voor de vergadering naar de bewuste collega.”


Populariteit


Op haar huidige werk, bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, werd in januari 2019 het thema ‘diversiteit en inclusie’ gepresenteerd. Jacqueline zag haar kans en greep de gelegenheid aan om aandacht te vragen voor slechthorend- of doofheid op de werkvloer. Ze begon met workshops ‘visuele communicatie’ voor collega’s, om hen bewust te maken van hoe je kan communiceren zonder iemand te verstaan. De enthousiaste deelnemers wilden zelfs meer gebarentaal leren.

Door de coronacrisis konden de fysieke workshops niet meer doorgaan, maar Jacqueline wist te regelen dat haar werkgever 150 accounts inkocht voor de GebarenChallenge, een online cursus om gedurende een jaar vijfhonderd gebaren te leren. “Deze werden aangeboden via ons intranet”, vertelt Jacqueline. “En binnen drie dagen waren er al honderd accounts vergeven. Dat enthousiasme gaf me ontzettend veel energie! Ik hoop dat ik met veel meer collega’s in gebarentaal kan communiceren als we straks weer naar kantoor kunnen.”

De animo voor de cursus is ongetwijfeld vergroot door de populariteit van gebarentolk Irma Sluis, die Nederland heeft leren kennen door de persconferenties over de coronacrisis. “Irma is niet meer altijd te zien, dus de aandacht zal misschien verslappen”, zegt Jacqueline. “Bovendien zorgt het toegenomen gebruik van mondkapjes voor een nieuw probleem: het is niet meer mogelijk om de mond en de mimiek te zien als mensen praten, waardoor het voor doven en slechthorenden nog moeilijker wordt om te communiceren. Gelukkig is de informatievoorziening voor doven en slechthorenden wel hoger op de politieke agenda gekomen, dus dat is een goede eerste stap. Mogelijk wordt door de wet Erkenning Nederlandse Gebarentaal het een en andere beter geregeld.”


Gebarentaal op school


Een structurele oplossing zou zijn als kinderen op de basisschool al gebarentaal leren, meent Jacqueline. “Ik begrijp dat je over het algemeen niet vaak dove mensen tegenkomt”, legt ze uit, “maar als kind kun je gemakkelijker een extra taal leren dan wanneer je ouder bent. Bovendien heeft het nog andere voordelen: mocht iemand later zelf slechthorend of doof worden, dan kent diegene al de basis. Een ander voordeel is dat je je lichaam en je mimiek beter durft te gebruiken, je krijgt er meer lef van. Bovendien kun je kiezen uit een visuele taal en gesproken taal en deze flexibel inzetten, afhankelijk van situaties”

Jacqueline ziet in dat een verplichtstelling voor gebarentaal onwaarschijnlijk is, maar wijst er wel op dat het gemakkelijk aangeboden kan worden als keuzevak. “Je kan op school allerlei talen leren, dus waarom niet ook gebarentaal?”

Mijn grote dank gaat uit naar gebarentolk Tina van Dijk die dit interview ondersteund heeft.