Cor Hoffer: “Zorgverleners hoeven niet alles te weten over andere culturen, als ze maar open het gesprek aangaan”

Cor Hoffer: “Zorgverleners hoeven niet alles te weten over andere culturen, als ze maar open het gesprek aangaan”

Een cliënt die niet geholpen wil worden door een medewerker van kleur, communicatieproblemen omdat dementerende migrantenouderen terugvallen op hun moedertaal of een gespannen sfeer bij de hulpverlening door vervelende opmerkingen over vermeende seksuele gerichtheid van een verpleegkundige: als het gaat om inclusie staat de ouderenzorg voor allerlei uitdagingen en dilemma’s. Cultureel antropoloog en socioloog Cor Hoffer doet al dertig jaar onderzoek naar zorg voor migranten in Nederland en geeft trainingen aan professionals in de zorg- en welzijnssector over omgaan met cliënten met andere culturele of levensbeschouwelijke achtergronden.

Wat is het grootste misverstand onder hulpverleners als het gaat om inclusief werken in de zorg?

Zorgverleners hebben vaak het idee dat ze een hele studie moeten doen naar de culturele of religieuze achtergrond van hun cliënt. Ze zeggen vaak: ‘Ik weet niets van de islam of het hindoeïsme, dus ik weet niet hoe ik met deze cliënt op de juiste manier kan communiceren.’ Er ontstaat handelingsverlegenheid, zorgverleners zijn bang om iets stoms te zeggen of klappen dicht. Maar het is helemaal niet nodig om alles van een cultuur of religie af te weten, want in een open gesprek met je cliënt kun je die informatie achterhalen. Het is beter om toe te geven dat je iets niet weet en hier vervolgens vragen over te stellen, dan het probleem te negeren. Zorg dat je altijd open het gesprek aangaat.

Waar lopen zorgverleners zoal tegenaan?

Het belangrijkste is dat migrantenouderen hun ziekte of ouderdom anders kunnen ervaren dan je als autochtone hulpverlener gewend bent. Als je je hier niet van bewust bent, kan de zorg niet goed aansluiten. Een voorbeeld hiervan is dat dementerende ouderen soms aangeven stemmen te horen. Een autochtone hulpverlener zou hierbij snel denken aan symptomen van een psychose, terwijl ‘stemmen horen’ in de Afrosurinaamse cultuur niet altijd als ziektesymptoom wordt gezien of als beangstigend wordt gevonden. Een ander voorbeeld is dat depressieve klachten in verschillende culturen wordt gezien als een gevolg van veel tegenslag, die nu eenmaal bij het leven hoort. Afhankelijk van je culturele achtergrond, kunnen signalen dus heel anders geïnterpreteerd worden.

Kan dat niet tot verkeerde diagnoses leiden?

Dat gebeurt helaas wel eens. Zo hebben enkele Amsterdamse geriaters en psychologen speciale tests ontwikkeld om dementie bij ouderen met een migratieachtergrond beter te kunnen vaststellen. De bestaande tests waren namelijk te veel gericht op autochtone ouderen en de Nederlandse cultuur. Er werd voorheen bijvoorbeeld gevraagd wie de toenmalige koningin was, maar sommige migrantenouderen hadden dat niet direct paraat. Het is belangrijk alert te zijn op dergelijke culturele aspecten, zodat op tijd de juiste begeleiding geboden kan worden en misdiagnostiek wordt voorkomen. Langzaam maar zeker wordt er ook in onderzoek en ontwikkeling van tests en medicijnen steeds meer rekening gehouden met culturele en erfelijke factoren in diverse bevolkingsgroepen.

Zo te horen hebben zorgverleners uit allerlei disciplines baat bij een training cultuursensitief werken?

Zulke trainingen zijn geschikt voor artsen, psychologen, psychiaters, woonbegeleiders, wijkverpleegkundigen. Eigenlijk voor iedereen die iets van doen heeft met ouderen, bijvoorbeeld ook mensen die mantelzorgers ondersteunen.

Wat leer je zoal tijdens een training?

Het gaat vooral over cultuursensitief werken. Daartoe leg ik uit welke invloed cultuur kan hebben op ziekteopvattingen en hulpzoekgedrag. Daarnaast leg ik uit hoe je hier in de dagelijkse praktijk rekening mee kunt houden. Hierbij ga ik  onder meer in op het Culturele Interview, een methodiek om het gesprek tussen zorgverlener en cliënt met een andere achtergrond te stimuleren. Tijdens mijn lezing op het symposium van IDEM Rotterdam en RADAR geef ik alvast een tipje van de sluier.

Waar moeten zorgverleners nog meer rekening mee houden?

In veel culturen speelt de familie of een geestelijke een bepalende rol. In Nederland hameren we ontzettend op de autonomie van de individuele cliënt, terwijl sommige mensen met een migratieachtergrond liever gezamenlijk beslissingen nemen over gezondheid en behandelingen. Van de ene kant is het belangrijk deze voorkeur te respecteren, maar aan de andere kant moet je ook oppassen dat de familie een cliënt teveel uit handen neemt. Ook is het raadzaam voorzichtig te zijn met de inzet van naasten als tolk. Want er is het risico dat de familie uit schaamte of bescherming gefilterd gaat vertalen. Het is daarom aan te raden om een officiële tolk in te schakelen als de cliënt zelf de taal niet machtig is.

Wat zouden de cliënt of familie zelf kunnen doen als ze het idee hebben dat ze niet goed geholpen worden?

Stel dat je het idee hebt dat een arts de belevingswereld van je vader of moeder niet goed inschat, dan zou je om een second opinion kunnen vragen. Er zijn diverse transculturele deskundigen en er komen steeds meer biculturele zorgverleners in Nederland die in zo’n situatie specifieke hulp kunnen bieden.

Bij antidiscriminatiebureau RADAR komen ook wel eens klachten binnen van hulpverleners van kleur, die juist door hun cliënt worden gediscrimineerd. Wat kunnen zij doen?

Dat gebeurt helaas ook. Bijvoorbeeld een witte oudere die niet door een zorgverlener met hoofddoek geholpen wil worden. Dat zorgt voor lastige situaties. Ook hier gaat het om cultuursensitieve communicatie. Het probleem is volgens mij dat veel organisaties hier nog geen beleid op hebben. Een zorgorganisatie zou eigenlijk moeten zeggen: ‘Onze zorgverlener is gekwalificeerd, dus u heeft deze hulp te aanvaarden.’

Meer weten? Kom naar ons symposium over inclusief werken in de ouderenzorg!

Cor Hoffer geeft een lezing op het symposium Onbegrensde mogelijkheden: inclusief werken in de ouderenzorg. Wil je hierbij aanwezig zijn? Meld je hier aan.

SamSam uitvaartcoaching: “Of je even de uitvaart van een familielid wil regelen? Zeg nooit direct ja”

SamSam uitvaartcoaching: “Of je even de uitvaart van een familielid wil regelen? Zeg nooit direct ja”

Een uitvaart van een dierbare kan mensen diep in de financiële problemen brengen. Vooral als de nabestaande zelf tot een kwetsbare groep behoort. SamSam Uitvaartcoaching helpt nabestaanden een weg te vinden in het doolhof van regels en wetten en ondersteunt bij het regelen van een begrafenis of crematie zonder onnodig hoge kosten te maken. Maar ook wijzen de uitvaartcoaches op de risico’s die zijn verbonden aan het regelen van iemands nalatenschap. “Zeg nooit direct ‘ja’ als iemand je vraagt dit te regelen.”

Een begrafenis of crematie? Wel of geen rituelen? Welke muziek wordt er gedraaid en wie gaat er spreken? Bij het regelen van een uitvaart komen talloze vragen op je af. En dan zijn de financiën nog niet eens aan bod gekomen… Want heeft de overledene een verzekering? Kan de uitvaart betaald worden uit de nalatenschap? Of moet de familie voor alle kosten opdraaien? “Het is al moeilijk genoeg als een dierbare overlijdt”, zegt Ardy Moeijes, oprichtster en projectleider van SamSam Uitvaartcoaching. “Maar als je niet uitkijkt, heb je zo een schuld van twee- tot drieduizend euro opgebouwd.”

Onderverzekerd 

Van alle Nederlanders heeft 70 procent een uitvaartverzekering, maar van die groep is 80 procent onderverzekerd. “Mensen willen het goed doen voor een overleden dierbare”, zegt Sherita Thakoerdat, uitvaartcoach bij SamSam. “Nabestaanden zijn emotioneel en willen een waardig afscheid regelen. Het gebeurt vaak dat mensen kiezen voor de duurste opties bij een uitvaart, die sowieso al duizenden euro’s kost, terwijl ze daar helemaal geen geld voor hebben. Schaamte voor armoede speelt daarbij een rol, maar ook onwetendheid over wat er allemaal mogelijk is. Mensen snijden zich dan al snel in de vingers.”

Zo is het bijvoorbeeld niet verplicht om een uitvaartondernemer in de arm te nemen, terwijl dat vaak wel de persoon is die als eerste op de stoep staat. “Zelfs veel gemeentes geven in hun brochures en online informatie aan dat je als nabestaande een uitvaartondernemer moet kiezen”, legt Ardy uit. “Alleen is dat helemaal niet verplicht, je mag een heleboel zelf regelen. Als gemeenteambtenaren al niet goed op de hoogte zijn van de wet- en regelgeving, hoe moet de burger dat dan zijn?”

Volgens Ardy en Sherita hebben uitvaartondernemers de branche in hun greep. “De overheid trekt zich steeds meer terug van het helpen regelen van een uitvaart”, zegt Ardy. “Mensen met een laag inkomen konden rekenen op ondersteuning van de gemeente, die zorgde ervoor dat de uitvaartondernemer betaald werd. Inmiddels is die gemeentegarantie vervallen en is de bijzondere bijstand, waar soms aanspraak op gemaakt kan worden, voor uitvaarten gehalveerd. Dat is meestal niet genoeg voor een begrafenis of crematie, zeker niet als een overledene door noodzaak in het mortuarium van het ziekenhuis moet verblijven.”

Huisbezoek

Via-via komen de uitvaartcoaches van SamSam bij families die financieel in de problemen zitten of daarin dreigen te raken door een uitvaart. Het eerste wat de coaches doen, is een inschatting maken van de financiële situatie van de nabestaanden. “Deze quickscan is noodzakelijk om het juiste traject te kunnen bepalen”, legt Ardy uit. “Er zijn verschillende routes die je na een overlijden kan bewandelen; er zijn verschillende instanties waar je kan aankloppen. Als we een beter beeld hebben van de wensen van de familie en de financiële situatie, dan kunnen we informeren over welke trajecten mogelijk zijn en hoe de kosten zo laag mogelijk gehouden kunnen worden.”

Zo’n huisbezoek, snel na een overlijden, doen de ondersteuners van SamSam altijd met z’n tweeën. “Ten eerste is het heel zwaar om bij een rouwende familie langs te gaan”, vertelt Sherita. “Het zijn natuurlijk lang niet altijd oude mensen die vredig in hun slaap zijn gestorven. We krijgen ook te maken met slachtoffers van geweld, of ernstig zieke mensen. Het is daarom belangrijk om elkaar te kunnen steunen. Ten tweede willen we voorkomen dat een casus niet afgemaakt kan worden. Er kan nu eenmaal ook altijd met ons onverwacht iets gebeuren.” 

Praten over de dood

Het beste zou zijn, om al voordat iemand heengaat over de uitvaart en nalatenschap na te denken. “Het zou fijn zijn als de dood gemakkelijker bespreekbaar wordt”, zegt Ardy. “Soms hebben we met families te maken die nog helemaal niets besproken hebben, ook al ligt een familielid op sterven in een hospice.” Maar nog beter is het om erover te praten als het nog lang niet zo ver is, zodat je bij een plotseling overlijden niet voor het blok wordt gezet. Door een uitvaartondernemer, bijvoorbeeld. De meeste ondernemers werken immers volgens een neoliberaal verdienmodel en hebben niet dezelfde focus als bijvoorbeeld welzijnsorganisaties hebben. “Door vooraf binnen de familie te praten over wensen en financiën, wordt het gemakkelijker om je aan je eigen focus vast te houden.”

Neem de tijd

Het belangrijkste doel van SamSam is eraan bijdragen dat nabestaanden op eigen kracht verder komen. De tijd nemen, is hiervoor het belangrijkste. “Als je in de paniek zit van de dood en ook nog in armoede, is het moeilijk om je weg te vinden in het doolhof van regelgeving”, legt Sherita uit. “Met een paar opmerkingen en tools kunnen we mensen op weg helpen.” Ardy vult aan: “We zijn heel assertief in onze ondersteuning. Als je voor het eerst te maken hebt met het overlijden van een dierbare, dan heb je geen idee wat er allemaal op je afkomt. Je snakt naar adem, dus je neemt alle – al dan niet goedbedoelde – adviezen maar aan. Stel dat je vader in een ziekenhuis overlijdt, dan zegt het ziekenhuispersoneel dat je snel het lichaam moet komen ophalen. Dat is niet alleen om een bed vrij te maken voor een nieuwe patiënt, maar vooral omdat de zorgverzekering van de vader niet meer voor de zorg betaalt. Bij overlijden vervalt de zorgverzekering. Maar er zijn wel flinke kosten verbonden aan het overbrengen van een lichaam drie uur na overlijden naar een mortuarium en de laatste noodzakelijke verzorging: dat kost al gauw 200 euro en je hoeft er niet eens opdracht voor gegeven te hebben.”

SamSam wijst op onorthodoxe alternatieven, die legaal zijn maar niet bekend. “Het is toegestaan om zelf een lichaam te vervoeren, bij wijze van spreken mag dat zelfs op de fiets, mits je de juiste overlijdenspapieren bij je hebt en het lichaam ethisch bedekt is”, legt Ardy uit. “Wat niet is toegestaan is zelf een lichaam begraven of cremeren. Een uitvaart kun je dus nooit helemaal alleen, maar je kan veel meer zelf regelen dan je zou verwachten.”

Nalatenschap

De uitvaart zelf is echter nog maar het begin van het regelwerk nadat iemand overlijdt. Aan de nalatenschap kunnen namelijk allerlei haken en ogen zitten. “Nalatenschap is vreselijk ingewikkeld”, legt Ardy uit. “Als iemand overlijdt moet je binnen drie maanden doorgeven of je als erfgenaam de nalatenschap aanvaardt, verwerpt of beneficiair aanvaardt. Als je niets doorgeeft, bijvoorbeeld omdat je hiervan niet op de hoogte bent, dan heb je automatisch de nalatenschap aanvaard. Als je geluk hebt kan de uitvaart betaald worden uit die nalatenschap en hou je zelf nog en spaarcentje over, maar het is ook goed mogelijk dat de persoon in de schulden zit. Dan is de kans groot dat je met de kosten voor de uitvaart én die schulden zit.”

Die verantwoordelijkheid voor nalatenschap toebedeeld krijgen, zit al in een klein hoekje. “Wettelijk gezien ben je als familie niet verplicht om een uitvaart te regelen. Er wordt gesproken van een morele plicht, maar als jij daar om wat voor reden niet aan wil voldoen, dan hoeft dat niet. In dat geval wordt de burgemeester de opdrachtgever voor de uitvaart.”

Toch zullen de meeste mensen willen helpen als een dierbare overlijdt. “Natuurlijk willen de meeste familieleden zorgdragen voor een mooi afscheid”, zegt Ardy. “Alleen weten veel mensen niet dat het daar vaak niet bij blijft. Je kan ook aansprakelijk gehouden worden voor allerlei financiële kwesties. Die verantwoordelijkheid kan al bij jou komen te liggen als je in bepaalde gevallen alleen maar het huis hebt leeggehaald. Zonder iets getekend te hebben. Zeg dus nooit direct ‘ja’, als iemand vraagt een uitvaart of nalatenschap te regelen.” 

Vrijwilligers

De uitvaartcoaches van SamSam bieden op vrijwillige basis ondersteuning. Omdat het nogal wat kennis en ervaring vraagt om nabestaanden van de juiste informatie te voorzien en een goede inschatting te maken van de financiële situatie van een rouwende familie, krijgen de coaches een intensieve opleiding die speciaal voor SamSam is ontwikkeld door docente Ria Middelham van Duende Training en Coaching. “In ruil voor die kosteloze opleiding, vragen we vrijwilligers om ten minste twee jaar voor ons actief te blijven”, legt Ardy uit. “Dat kan zwaar zijn, want sommige vrijwilligers die zich bij ons melden hebben een romantisch beeld van de uitvaartcoaching. Ze denken dat ze bloemen mogen dragen, koffie schenken of spreken bij een uitvaart. Maar dat is het niet, je wordt geen uitvaartverzorger.”

SamSam heeft altijd mensen nodig die anderen in de hele brei van wat er bij een uitvaart komt kijken kunnen ondersteunen. Het gaat erom dat ze de juiste informatie geven en laten zien hoe nabestaanden dingen anders kunnen doen, zodat ze een weloverwogen beslissing kunnen nemen. Begin 2020 start SamSam met een nieuwe scholing. Meer weten? www.samsamuitvaartcoaching.nl

Ramona Kimberley Molhoop: “Alle kinderen moeten leren dat ze mooi zijn”

Ramona Kimberley Molhoop: “Alle kinderen moeten leren dat ze mooi zijn”

Kleine meiden die menen dat ze nooit prinses kunnen worden, jongens die hun neus niet mooi vinden of kinderen die geloven dat je alleen mooi bent als je je haar verft. Al op zeer jonge leeftijd hebben kinderen allerlei ideeën over wat mooi is, met alle gevolgen voor hun zelfbeeld van dien. De Rotterdamse journaliste en kinderboekenschrijfster Ramona Kimberley Molhoop wilde iets doen om zelfacceptatie van kinderen te vergroten. Ze schreef het prentenboek Prinses Imara’s Haar, om kinderen te leren dat allerlei kapsels mooi zijn.

‘Leek je maar wat meer op je zusje, die heeft prachtig haar, lichte ogen en een lichte huidskleur.’ Journaliste en kinderboekenschrijfster Ramona Kimberley Molhoop was dat ‘mooiere’ zusje. Terwijl zij te horen kreeg dat haar haar zo mooi glad was en zo gemakkelijk te verzorgen, was Ramona maar wat jaloers op haar zus. Zij mocht namelijk regelmatig naar de kapper en kwam dan iedere keer terug als ander persoon: de ene keer met stijl haar, dan weer met vlechten. Ramona wilde ook wel van die lange vlechten met kralen, of een keer wat nieuws.

“Als kind stond ik daar natuurlijk niet bij stil, maar toen ik wat ouder werd realiseerde ik me hoe vreselijk dat voor mijn zus geweest moet zijn”, vertelt Ramona. “Zij kreeg continu te horen dat mijn haar mooier was dan dat van haar en ondertussen zat zij uren bij de kapper waar ze allerlei chemische middelen in haar haar deden.”

Natural hair movement

Het was tijdens haar studententijd dat Ramona zich meer bewust werd van de beeldvorming rond kroeshaar. Ze raakte steeds meer geïnteresseerd in de zogeheten ‘natural hair movement’. “In die tijd zat ik veel op socialenetwerksite Tumblr, waar ik deze Amerikaanse beweging tegenkwam”, licht Ramona toe. “Ik had er nog nooit van gehoord. Eigenlijk had ik überhaupt nooit echt nagedacht over het feit dat kroeshaar in een negatief daglicht staat en wat dat betekent. In Nederland was op dat moment nog niet zoveel bekend over vooroordelen waar deze vrouwen mee te maken hebben. Ik vond een Facebook-groep over ‘natural hair’ waar ik me bij aansloot. Daar was een veelgehoorde vraag: ‘Hoe leer ik mijn dochter dat ze mooi is?’ Het alleen maar zeggen bleek niet genoeg, er was meer representatie nodig. Ik ben op onderzoek uitgegaan en er bleken gewoon geen prentenboeken waarin kinderen met kroeshaar de hoofdrol spelen.”

Ramona kreeg het idee om zelf maar een prentenboek te maken. Toevalligerwijs viel dat samen met een studieopdracht. Tijdens haar studie journalistiek volgde Ramona de minor creative writing en besloot ze om voor een van de opdrachten het prentenboek te maken: Prinses Imara’s Haar. Ook de illustraties maakte ze zelf. “In een prentenboek kon ik twee passies samenbrengen: schrijven en tekenen”, vertelt ze. “Ik heb er bewust voor gekozen om de tekeningen in kinderlijke stijl te maken. Ik wilde dat het verhaal zo dicht mogelijk bij het kind zou staan. Daarom zie je ook duidelijk de potloodstrepen van het inkleuren.”

Haar werk werd heel goed beoordeeld. Daarop besloot Ramona te proberen om haar boek uitgegeven te krijgen. Het had wat voeten in de aarde, maar dit jaar slaagde ze er eindelijk in om een uitgever te vinden. “En nu ben ik druk bezig om het in boekwinkels en bibliotheken te krijgen”, zegt Ramona, “zodat zoveel mogelijk kinderen het kunnen lezen.”

Langverwacht

Ramona’s boek bleek een langverwachte uitkomst voor veel ouders. Ze krijgt allerlei positieve reacties, zowel via social media als na bijeenkomsten waar ze komt voorlezen. “Zo was er een vrouw van in de zestig die vertelde dat ze zo graag gewild had dat het boek er was toen zij zelf kinderen kreeg”, zegt Ramona. “Ook in hun gezin was er een struggle over haar: hoe leer je je dochters dat ze mooi zijn als ze continu te horen krijgen dat hun haar niet mooi is en moeilijk handelbaar? In die tijd waren er geen boeken of films waarin hoofdpersonages kroeshaar hadden, er was gewoon geen representatie van mensen met kroeshaar.” 

Ook nu nog herkennen mensen het verhaal van Imara. Ouders delen hun eigen ervaringen met Ramona na een voorleesmiddag. “Ik verbaas me erover hoe jong kinderen nog zijn als dit al begint te spelen”, legt Ramona uit. “Zo vertelde een moeder dat haar driejarige dochtertje vond dat ze geen prinses kon zijn, omdat ze niet het haar van een prinses had. Hoewel haar moeder zei dat ze prachtig was en prachtig haar had, bleef het kind bij haar standpunt. Ze zou immers nooit een kroontje kunnen dragen, want die zou door haar haar van haar hoofd vallen. Al op zo’n jonge leeftijd kon ze het probleem verwoorden. Je weet wel dat het speelt, maar het is heel confronterend als je dit hoort. Gelukkig is Prinses Imara’s Haar nu haar lievelingsboek.”

Dat geldt niet alleen voor deze driejarige. Via Facebook krijgt Molhoop allerlei fantastische reacties op haar boek. “Ouders sturen me foto’s van kinderen die hetzelfde haar willen als prinses Imara. Ze hebben dan geprobeerd om haar kapsels na te maken en willen zo naar school!”

Ouderbetrokkenheid

Betrokkenheid van ouders is voor Ramona heel belangrijk. Bij events waar ze komt voorlezen, worden daarom ook altijd de ouders van de kinderen uitgenodigd. “Ik vind het niet alleen belangrijk om de kinderen ervan te doordringen dat ze mooi zijn, maar ook dat de ouders ervaringen kunnen uitwisselen”, legt ze uit. “Zij hebben zelf als kind niet altijd geleerd dat ze ook mooi zijn, of hoe ze kroeshaar het beste kunnen verzorgen. Het is niet zo simpel dat je er maar een borstel door haalt en dat het dan goed zit. Dus het is ook een goede plek om haarverzorgingstips uit te wisselen. Niet dat ik mezelf als expert zie, maar ik vind het belangrijk om elkaar te inspireren.”

Tijdens zo’n voorleesevent blijkt hoe vooroordelen over schoonheid en haar er onbewust bij heel jonge kinderen insluipen. “In het verhaal gaat prinses Imara op zoek naar manieren om haar haar te veranderen”, vertelt Ramona. “Tijdens het voorlezen probeer ik altijd interactief te werk te gaan, dus ik vraag de kinderen de hele tijd wat zij denken dat Imara gaat doen. Een jongen bleef maar roepen dat ze haar haar moest verven, dan zou het allemaal goed komen. Ik begreep maar niet waarom die jongen het maar bleef hebben over verven. Na afloop raakte ik met zijn moeder in gesprek. Zij nam de jongen, met een flinke bos krullen, altijd mee naar de kapper. Daar moest hij soms wachten op zijn beurt en zag hij allemaal vrouwen met hun haar in de verf. Hij vroeg waarom ze dat deden. Om er maar snel vanaf te zijn, zei zijn moeder dat ze daar mooier van werden. Dat had hij duidelijk onthouden.”

Zelfacceptatie

De events zijn meer dan alleen maar naar een verhaaltje luisteren. “Na afloop doen we knutselactiviteiten”, zegt Ramona. “De kinderen gaan dan aan de slag met een zelfportret. Dan blijkt dat meisjes al zo jong als 4 jaar hun neus niet mooi vinden, of hun haar niet. Ik houd ze letterlijk een spiegel voor: kijk eens hoe mooi je bent.”

Het boek gaat dan ook niet zozeer alleen maar over haar. “Het gaat over zelfacceptatie, je eigen haar leren waarderen is daar een voorbeeld van”, zegt Ramona. “Maar het boek is voor iedereen, of je nu wit of bruin bent, stijl haar hebt of krullen, een meisje of een jongen bent.”

Molhoop hoopt in de toekomst nog veel meer voorleesevents te mogen verzorgen in bibliotheken of Huizen van de Wijk. “Natuurlijk is het een mooie gelegenheid om mijn boek onder de aandacht te brengen, maar ik vind het ook oprecht belangrijk om te werken aan zelfacceptatie van kinderen. Daarom hoop ik dat ik bijvoorbeeld op basisscholen mag komen voorlezen, zodat zoveel mogelijk kinderen leren hoe mooi ze zijn.”

Ook zo’n voorleesevent bij jouw organisatie?

Prinses Imara’s Haar is te koop via online boekhandels, zoals bol.com of te leen via de buurtbieb.

Ramona Kimberley Molhoop komt graag voorlezen in Huizen van de Wijk of basisscholen. Wil je haar uitnodigen? Neem dan contact op via ramona.kimberley.molhoop@gmail.com of via haar Facebook-pagina.

Houssein Bouziane: “Ik probeer altijd door de ogen van anderen te kijken”

Houssein Bouziane: “Ik probeer altijd door de ogen van anderen te kijken”

Voor tentoonstellingsmaker Houssein Bouziane was het niet meer dan vanzelfsprekend dat de inwoners van Middelland zelf zouden bijdragen aan de totstandkoming van Middland Foto. Het initiatief dat hij samen met Samir Yaqoobi nam, is dan ook uitgegroeid tot een breed maatschappelijk project.

Bouzianes binding met Middelland komt niet uit de lucht vallen: hij is geboren en getogen in de Rotterdamse wijk. “Ik heb de wijk op z’n slechtst gezien”, zegt hij. “Dat beeld is altijd op mijn netvlies blijven staan.” Hij doelt op het straatbeeld van de jaren tachtig en negentig: half gesloopte gebouwen waar niks nieuws voor in de plaats kwam; kinderen die spelen tussen heroïnespuiten; arbeidsmigranten die aan hun lot werden overgelaten. “Ik ging wel eens bij een vriendje in Ommoord spelen, dat was echt een andere wereld.” Ondanks de ‘ellende’ waarin hij opgroeide, ziet Bouziane heel veel positieve kanten van Middelland. “Door alle verschillende culturen die hier door elkaar wonen, is de dynamiek enorm. Dat is nu nog steeds, en dat is prachtig om te zien.”

Van kunst naar welzijn

Tien jaar lang stond Bouziane aan het roer van multidisciplinaire projectruimte Dek22 (“Daar was altijd zoveel beweging, een hele interessante plek.”). In dat werk stond het maatschappelijk belang al hoog op de agenda, maar het kreeg concreter vorm toen hij zo’n vijf jaar geleden Samir Yaqoobi tegenkwam bij een werkgroep die jongeren met een Marokkaanse achtergrond ondersteunde, wanneer zij tussen wal en schip vielen. “Ik kende Samir nog van het schoolplein”, vertelt Bouziane, “maar inmiddels was hij al twintig jaar jongerenwerker. Hij kent de straat als geen ander. Geleidelijk kregen we het idee om het verhaal van de wijk te vertellen: hij vanuit zijn maatschappelijke achtergrond en ik vanuit mijn artistieke achtergrond. Want als er ergens wat over te vertellen valt, is het Middelland wel.”

De twee bundelden hun krachten en startten het project vanuit de wijk zelf. “In de brainstorm kwamen we eigenlijk gelijk uit op de migratieperiode van de jaren zestig als startpunt, omdat het onze eigen ouders waren die destijds in Middelland kwamen te wonen”, legt hij uit. “Vervolgens maakten we een flyer, hingen we overal posters op en plaatsten we berichten in kranten om mensen op te roepen foto’s in te sturen, van de jaren zestig tot nu. Er kwamen zoveel positieve reacties, zelfs van mensen die inmiddels heel ergens anders wonen kwamen foto’s binnen. Langzaamaan gingen ook professionele fotografen meedoen, belangrijke namen als Otto Snoek en Hansje de Reuver, waardoor ook anderen weer aanhaakten. Echt iedereen heeft meegedaan, dat is de grote kracht van dit project.”

Mooi voor iedereen

Uit dat enorme archief van de wijk moest Bouziane een selectie zien te maken. Dat was een hele klus, maar door zijn jarenlange ervaring met tentoonstellingen wist hij waar hij op moest letten. “Altijd probeer ik door de ogen van anderen te kijken: hoe kan ik het zo maken dat het voor iedereen mooi is?” Een voorwaarde hiervoor, was het buiten beschouwing laten van politiek. “We wilden het project goed vertalen naar de wijk zelf, daarom zit er geen politiek in”, legt Bouziane uit. “Van de ene kant zou het dan al snel over gentrificatie gaan, omdat er nu eenmaal grote veranderingen zijn geweest in de wijk. Daar wordt al genoeg over gediscussieerd, vinden wij. Van de andere kant wilden we het project zo toegankelijk mogelijk maken, dus daar past geen politieke kleur bij.”

Van welk pluimage je ook bent, Bouziane vindt het waardevol als allerlei Rotterdammers de fototentoonstelling komen zien, ook van buiten de wijk. “Het project vertelt een stukje geschiedenis van Rotterdam. Dat een wijk zo lang verpauperd is geweest, is bijna onmenselijk. De gemeente probeerde van alles, maar door gebrek aan goed beleid en geld kon het verder achteruitgaan. En toch heeft deze wijk zichzelf overleefd. Je zou een boek kunnen schrijven over Middelland.”

Verduurzaming van het project

Door het succes van Middland Foto is Bouziane druk bezig met verduurzaming van het project. “We zijn al bezig om het concept uit te rollen naar Spangen”, legt hij uit. “Daar zag je vroeger ook veel dichtgetimmerde gebouwen, drugspanden of vervallen woningen, maar door onder meer de populariteit van kluswoningen vind je er nu ook twee groepen ‘tegenover elkaar’. Met zo’n fotoproject kunnen we die nieuwe mensen iets leren over de wijk waar ze zijn beland en de mensen die er al decennia wonen.” Zijn ambitie reikt ook al verder dan Rotterdam, zelfs verder dan Nederland. “Marseille of Bordeaux lijken me ook geschikte steden om dit project uit te voeren”, kijkt Bouziane vooruit. “Er is soortgelijke problematiek daar. Het lijkt me interessant om nog een aantal keer met dit idee aan de slag te gaan, maar dan op andere plekken.”

Toch is Bouziane ook met Rotterdam nog lang niet klaar. “Om mijn missie verder uit te breiden, ben ik bezig met een nieuw project om kunst en maatschappelijke belangen bij elkaar te brengen. Ik vind het belangrijk dat jongeren met kunst en muziek in aanraking komen. Vaak is dit weggelegd voor een kleine groep: ouders moeten wel geld hebben voor muziekles of andere culturele hobby’s. Met Voordoor wil ik werkplaatsen creëren voor jongeren, waar ze bijvoorbeeld kunnen leren om T-shirts te zeefdrukken of muziek te maken. De naam slaat op ‘voor en door jongeren’, maar ook op de deur (door in het Engels, WM.) die altijd open staat. Sommige jongeren hebben net een zetje nodig. Wij willen daarbij helpen door hen van alles te leren en hen te koppelen aan bedrijven waar ze ervaring kunnen opdoen.”

Samenwerken is de sleutel

Samenwerken is de sleutel bij zo’n beetje alles wat Bouziane doet. Hij heeft inmiddels zoveel samengewerkt met Rotterdamse organisaties, dat hij wel enkele tips heeft voor andere professionals. De belangrijkste: als je zegt dat je iets met z’n allen wil doen, zorg dan ook dat je het met z’n allen doet. “Vaak zie je projecten waarbij zo breed mogelijk mensen worden betrokken, maar uiteindelijk blijkt het niet toegankelijk. Bijvoorbeeld door het taaltje dat wordt gesproken. Wijkbewoners blijven weg; een klein clubje – vaak van buiten – blijft over. Het resultaat is dat er iets wordt gedaan voor mensen die net in de wijk wonen, maar niet voor alle wijkbewoners.”

Bouziane adviseert organisaties dan ook om goed naar elkaar te kijken en de verbinding te zoeken. “Er worden allerlei goede initiatieven genomen, maar onthoud dat je niet altijd zelf het wiel hoeft uit te vinden. Ga na of er al iemand in de wijk is die veel knowhow heeft op het vlak van jouw project en bekijk wat jullie samen kunnen doen. De organisatie, van bovenaf, en de mensen in de wijk, van onderaf, kunnen elkaar enorm versterken.”

Zelf kijken?

Een van de foto’s uit de expositie Middland Foto.

Middland Foto is een project van Houssein Bouziane, Samir Yaaqobi, Joke van Bilsen, Ingrid Bijkerk en Rob van der Veen. De expositie is nog tot en met 27 oktober te zien in De Hoed (1e Middellandstraat 103). Ook in de wijk zelf zijn sporen van de fototentoonstelling te zien. Van supermarkten tot cafés: op bijzondere plekken word je fotografisch geconfronteerd met het verleden. Check de website voor meer informatie en precieze openingstijden.

THE KOKRA FAMILY pleit met kunstproject voor inclusie

THE KOKRA FAMILY pleit met kunstproject voor inclusie

Alsof ze zijn opgehangen door de ANWB of Rijkswaterstaat: de vier bordjes die in alle windrichtingen van de milieuzone van Rotterdam hangen roepen pas fronsende wenkbrauwen op als je de tekst leest: Gossip Free Zone. De niet van echt te onderscheiden ‘verkeersborden’ zijn een initiatief van line kramer en marjolijn kok, beide kunstenaars die regelmatig samenwerken onder de naam THE KOKRA FAMILY.

Wat is het verhaal achter de Gossip Free Zone?

marjolijn: We werden benaderd door Bas Hendrikx, de curator van Garage Rotterdam, om iets te maken over de stad. De nadruk zou liggen op het queerperspectief. We wisten meteen dat we iets wilden doen met de milieuzone, omdat we ons daaraan ergerden. Vrienden van ons moesten hun oude auto verkopen, omdat deze niet meer was toegestaan in de milieuzone, maar tegelijkertijd meerden er wel om de haverklap enorme cruiseschepen aan. Die zijn natuurlijk ook niet echt milieuvriendelijk. Dat zette ons aan het denken over de gezondheid van de stad: de waarden van CO2-uitstoot zijn te meten, maar hoe zorg je voor mentale gezondheid? Dat is immers net zo belangrijk als fysieke gezondheid.

Als iedereen zich op haar plek voelt in de stad, dan draagt dat bij aan mentale gezondheid. Roddelen zorgt echter voor uitsluiting, onder anderen van lhbti’ers. Zo kwamen we op het idee om van de milieuzone een Gossip Free Zone te maken, om mensen bewust te maken van de negatieve impact die roddelen kan hebben. We hebben liever dat mensen met elkaar praten dan over elkaar.

Hebben jullie al gehoord dat er naar aanleiding van de borden bijzondere gesprekken zijn geweest?

line: We hebben heel veel positieve reacties gekregen, maar of er echt gesprekken zijn geweest weten we niet. De meeste mensen die de borden zien, weten natuurlijk niet dat het een kunstproject van ons is. Wat voor ons het belangrijkste was, om via een omweg bewustwording te creëren. Dit wilden we juist niet doen door in verboden te praten. Je ziet wel eens van die wijkregels op huizen hangen, maar wij wilden het niet betuttelend brengen. We wilden laten zien dat je er zelf voor kan kiezen om niet te roddelen. ‘Free’ suggereert een soort vrijblijvendheid.

Klopt het dat het een guerrilla-kunstproject is?

marjolijn: Dat klopt, dus het is maar de vraag hoe lang de bordjes blijven hangen. Toen we het plan hadden bedacht, was het te kort dag om officieel toestemming aan te vragen voor een kunstproject in de buitenruimte. De bordjes waren namelijk gekoppeld aan een tentoonstelling in Garage Rotterdam. Een medewerker had ervaring met guerillakunst, dus die heeft ons geholpen. We hebben er natuurlijk voor gezorgd dat de bordjes goed bevestigd zijn en geen gevaar vormen voor bewoners of verkeer. De tentoonstelling is inmiddels afgelopen, maar de bordjes hangen er nog steeds!

line: Ondertussen doen we ons best om de borden te behouden voor de stad. Daarom ben ik druk bezig met een aanvraag voor het project, maar helaas krijg ik steeds maar geen reactie van de officiële instanties.

Hoe kan jullie kunst bijdragen aan meer gelijkheid in Rotterdam?

line: Door werk te maken dat niet heel dwingend is, maar je beetje bij beetje aan het denken zet. Ik denk dat kleine speldenprikjes net zoveel effect hebben als grote parades of regenboogfestivals.

marjolijn: Daarbij kun je met kunst in de buitenruimte ook mensen bereiken die niet zo snel naar een kunstinstelling zouden gaan. Dat is het mooie eraan. En de boodschap moet er inderdaad niet te dik bovenop liggen, want dan voelen mensen zich te gestuurd.

Maar denken jullie dat mensen de boodschap dan wel oppikken, er staat immers geen verdere uitleg bij het bord?

line: Ik geloof in het trickle-downprincipe. Dat lijkt mij de beste manier om mensen te leren over inclusiviteit. Ik geloof in kleine stapjes: kennis die je zo verspreid is eerlijker en het effect is duurzamer.

marjolijn: Ons doel is vooral om mensen aan het denken te zetten, bijvoorbeeld al met onze naam als kunstenaarscollectief: THE KOKRA FAMILY. Als getrouwde vrouwen zonder kinderen, worden we meestal niet als familie gezien. Wij willen graag nadenken over het concept ‘familie’: wie hoort daar wel en niet bij? Hoe kunnen we het concept familie uitbreiden? Zou je bijvoorbeeld een volwassen vluchteling kunnen adopteren, zodat deze familie wordt en legaal in Nederland kan verblijven?

line:  We noemen onszelf ook bewust ‘queer’ en niet lesbisch, want dat is nog steeds normatief. We gaan liever tegen alle normen en binair denken in. Door dat aan de kaak te stellen, hopen we dat mensen hierover met ons in gesprek gaan. Als je het niet eens bent met ons samenzijn, spreek ons daar dan persoonlijk op aan.

Daar zit je toch ook niet altijd op te wachten?

marjolijn: Toch hebben we dat liever dan dat mensen met vooroordelen blijven rondlopen. Dit soort microactivisme levert namelijk wel veel op. We proberen te laten zien dat ons samenzijn ook goed is, dat het niet eng of gevaarlijk is, waardoor we hopen dat ze ons als gewoon gaan zien.

line: Kijk, het moet natuurlijk wel leuk blijven. Als mensen agressief worden of echt niet willen, dan gaan we ook niet preken.

Zijn al jullie kunstprojecten gericht op sociale thema’s?

line: Als we samenwerken, hebben onze projecten altijd een sociale insteek. Daarnaast is het altijd een performatief werk, waarbij het publiek of de toeschouwer een rol vervult. Dit proberen we wel altijd met een vleugje humor te doen, omdat dat belangrijk is om je boodschap over te brengen zonder dwingend te zijn.

Hebben jullie vanuit jullie kunstenaarsachtergrond tips voor professionals, om bij te dragen aan een inclusieve samenleving?

line: ‘Selfcare’ is heel belangrijk, hou van jezelf. Denk ook over andere vormen van ‘wij’. En neem vooral heel veel tijd. Letterlijk, want het gaat om een proces.

marjolijn: Probeer mensen op een andere manier te stimuleren, speels. Leg de boodschap er niet te dik bovenop.

Wilma Bruinen van MEE Rotterdam: Geen voorlichting zonder ervaringsdeskundige

Wilma Bruinen van MEE Rotterdam: Geen voorlichting zonder ervaringsdeskundige

Een brandalarm hoor je niet als je doof bent, waardoor je misschien lekker binnen blijft. De hoeveelheid voeding die je je baby moet geven is niet altijd even logisch als je licht verstandelijk beperkt bent. En mensen met autisme gaan bij een brandalarm niet automatisch naar buiten. Er zijn allerlei beperkingen, zowel zichtbaar als onzichtbaar, waardoor gevaarlijke situaties nóg gevaarlijker kunnen worden. Om hulpverleners daar meer inzicht in te geven, verzorgt MEE Rotterdam trainingen, workshops en voorlichtingen. “Dat doen we nooit zonder ervaringsdeskundige zelf.”

MEE Rotterdam zorgt er niet alleen voor dat mensen met een beperking meer grip krijgen op hun leven, maar ook dat zij beter begrepen worden door mensen zonder beperking. “Door onze trainingen, workshops en voorlichtingen krijgen hulpverleners meer inzicht in de problemen waar mensen met een beperking tegenaanlopen”, zegt Wilma Bruinen, coördinator groepsvoorlichting van MEE Rotterdam. “We nemen altijd een ervaringsdeskundige mee. Als iemand zelf haar of zijn verhaal vertelt, maakt dat veel meer indruk. Pas als je iemand goed begrijpt, kun je als hulpverlener alerter en sensitiever worden.”

Onzichtbare beperkingen

Voor hulpverleners zijn vooral onzichtbare beperkingen een complicerende factor. Denk aan een auditieve beperking, een chronische ziekte als MS, een licht verstandelijke beperking, niet-aangeboren hersenletsel, autisme, et cetera. Voor welzijnswerkers en hulpverleners kan het lastig zijn om de juiste hulp aan te bieden, als niet precies duidelijk is welke problemen er spelen. “Het is daarom van belang om altijd alert te zijn op de mogelijkheid dat iemand een beperking heeft, ook als je die op het eerste oog niet kan zien”, legt Wilma uit. “Door op een respectvolle manier door te vragen kun je achterhalen of iemand met een beperking kampt en daardoor mogelijk specialistische hulp nodig heeft.”

De belangrijkste regel hierbij, is mensen altijd met respect behandelen. “Als je een nieuwe cliënt hebt en het gevoel krijgt dat je belangrijke informatie mist, vraag dan niet direct of diegene een beperking heeft. Dat kan onnodig kwetsen”, legt Wilma uit. “Zo vraag ik bijvoorbeeld terloops naar iemands werkloopbaan en schoolloopbaan. Als iemand antwoordt dat zij of hij Accent gevolgd heeft, dan weet je dat het praktijkonderwijs betreft. Ook zou je kunnen vragen welke baantjes iemand de afgelopen tijd heeft gehad. Stel dat iemand in een jaar tien verschillende baantjes heeft gehad, dan weet je dat die persoon het niet lang kan volhouden op een werkplek. Vervolgens kun je doorvragen of diegene niet zo goed met collega’s overweg kon, of misschien moeite had om op tijd te komen. Door voorzichtig door te vragen, kun je erachter komen of iemand kampt met een licht verstandelijke beperking, een psychische beperking of iets anders.” 

Licht verstandelijke beperking

Welzijnswerkers zouden extra alert moeten zijn op de groep mensen met een licht verstandelijke beperking (LVB). “In Rotterdam is er een grote groep LVB’ers die niet gezien wordt”, zegt Wilma. “Mensen uit deze groep zijn vaak street wise en verbaal heel handig. Dat houdt in dat ze gemakkelijk meepraten over verschillende onderwerpen, bijvoorbeeld omdat ze termen gebruiken die ze van andere welzijnswerkers hebben gehoord. Hierdoor krijg je al snel de indruk krijgt dat ze jou begrijpen. Daarbij is het ook logisch dat iemand doet alsof zij of hij je begrijpt, omdat de schaamte om hulp te vragen vaak groot is.”  

Wilma vertelt over een vrouw met een licht verstandelijke beperking, die tijdens een voorlichting van MEE als ervaringsdeskundige haar verhaal deelt. “Voor deze mevrouw is het heel lastig om haar dag in te delen. Als je net een baby hebt gekregen, is een vast dagritme van groot belang voor de gezondheid van je kindje. De baby moet op gezette tijden eten, ze moet voldoende slapen en op tijd verschoond worden. Voor iemand met een verstandelijke beperking kan dat een hele opgave zijn, waardoor het kindje mogelijk gezondheidsrisico’s loopt. Het is dus van groot belang dat bijvoorbeeld huisartsen alert zijn op signalen.”

Aannames en onwetendheid

Een ander belangrijk aspect is je bewust zijn van mogelijke vooroordelen en aannames. “Een van onze ervaringsdeskundigen heeft een auditieve beperking”, vertelt Wilma. “Bij voorlichtingen over doofheid vertelt ze over haar kinderen, die allebei kunnen horen. Dat zorgt vaak voor gefronste wenkbrauwen bij de toehoorders, maar in haar geval is er helemaal geen sprake van een erfelijke component. Ze is doof geworden als gevolg van een ziekte.”

Ook een mogelijkheid is dat de persoon in kwestie zelf niet op de hoogte is van haar of zijn onzichtbare beperking. “Stel dat iemand een autismespectrumstoornis heeft, dan is de kans groot dat die persoon daar zelf niet van op de hoogte is. Dat spectrum is zo breed en er zijn zoveel variaties, wat het enorm lastig maakt om daar inschattingen van te maken”, legt Wilma uit. “Bij autisme denken de meeste mensen direct aan overprikkeling, terwijl ik ook verschillende mensen met autisme ken die juist onderprikkeld zijn. Zij ondervinden minder last van lawaai, waardoor ze een alarm wel opmerken maar niet tot actie kunnen overgaan. Dat zijn dingen waar je als welzijnswerker niet direct bij stilstaat.”

Andere aanpak

Zoveel verschillende mensen, zoveel verschillende aanpakken, blijkt wel uit de workshops van MEE Rotterdam. “We geven vaak workshops aan de brandweer, politie of vervoersorganisaties”, zegt Wilma. “Dan gaan agenten bijvoorbeeld zelf rondlopen met een simulatiebril en stok, om een visuele beperking te simuleren. Of ze gaan een stukje in een rolstoel rijden, zodat ze echt ervaren hoe het is om een beperking te hebben.”

De workshops zijn daarbij heel praktisch ingestoken. “Een elektrische rolstoel, bijvoorbeeld, is hartstikke zwaar en die rol je niet zomaar weg in een noodsituatie”, legt Wilma uit. “Als de persoon in deze rolstoel zelf niet meer kan rijden in een noodsituatie, moet je toch die rolstoel zien weg te krijgen. Er zit een functie op om de rolstoel te ‘unlocken’, maar die moet je maar net kennen. Het is dus ontzettend handig om deze trucjes te leren.”

Ook een voorlichting of workshop?

Wil je ook een voorlichting of workshop over leven met een (onzichtbare) beperking voor jouw organisatie? Via MEE Rotterdam Rijnmond kun je een aanvraag indienen.