Lisa McCray brengt intersectionaliteit in het HipHopHuis in de praktijk

Lisa McCray brengt intersectionaliteit in het HipHopHuis in de praktijk

Intersectionaliteit: ineens hoor je deze term overal. Niet alleen lees je erover, ook op steeds meer werkvloeren hoor je de term. Bij het HipHopHuis wordt intersectionaliteit een tweede natuur, omdat de doelgroep zo divers is. Productiecoördinator Lisa McCray brengt het concept in haar dagelijkse werk in de praktijk. “Om diversiteit een eerlijke kans te geven, moet je inclusief zijn. Dat kan alleen door intersectioneel te denken en te handelen. We zijn op de goede weg, maar leren iedere dag bij.”

Als dochter van een Nederlandse moeder en Afro-Amerikaanse vader was Lisa McCray al haar hele leven bezig met intersectionaliteit, al had ze dat nooit echt door. Zo merkte ze in haar jeugd dat haar dagelijkse beleving, als vrouw van kleur, erg kan verschillen van die van haar moeder. Eveneens een vrouw, maar een witte vrouw. Daarentegen deelt ze haar huidskleur met haar vader, maar omdat hij man is maakt dat zijn dagelijkse beleving weer heel anders dan die van haar. Pas tijdens haar studie Culturele en Maatschappelijke Vorming aan de Hogeschool Rotterdam hoorde ze voor het eerst van de term intersectionaliteit en realiseerde ze zich dat die op verschillende aspecten van haar leven van toepassing is. “Voor mij omvat intersectionaliteit alle onderwerpen en thema’s die buiten de norm vallen”, vertelt ze, “met alle intersecties die daarin bestaan.”

Andere kant van de geschiedenis

Al op de basisschool hield Lisa zich bezig met onderwerpen die buiten de norm vallen, zoals haar huidskleur. “Als persoon van kleur heb je van jongs af aan al door dat er onderscheid gemaakt wordt tussen verschillende groepen mensen. Je begrijpt alleen nog niet waarom dat zo is.” Ook op school werd Lisa niet veel wijzer over dit ‘waarom’. Het was haar vader die Lisa meer leerde over de geschiedenis van hun voorouders. “Op school kregen we wel les over de ‘gouden eeuw’, maar die periode werd alleen vanuit Nederlands perspectief belicht”, vertelt ze. Lisa vroeg zich af waarom ze nooit mensen zoals zij terugzag in de schoolboeken. Daarom maakte ze een werkstuk over de VOC en de WIC, waarin ook de verhalen van haar vader terugkwamen.  

Toen Lisa naar de middelbare school ging, dacht ze daar meer te leren over die andere kant van de geschiedenis. “Ik koos voor het profiel Cultuur & Maatschappij, in de veronderstelling dat ik nu toch ook wel onderwezen zou worden over mijn geschiedenis. Maar we kregen alleen maar les van witte mannen, waardoor ik nog steeds alles zelf moest opzoeken. Pas tijdens mijn studie veranderde dat. Ik deed een minor aan de Willem de Kooning Academie en daar kreeg ik les van een vrouw van kleur. Zij heeft me geïntroduceerd in de theorie achter representatie van ras en gender in de media. Dat vond ik zo interessant dat ik besloot op dat onderwerp af te studeren.”

Meerdere perspectieven

Lisa bleek niet de enige die behoefte had aan meerdere perspectieven in het onderwijs. Er bestonden nu eenmaal meer ‘hokjes’ dan wit, man en cisgender. “Enkele studiegenoten wilden ook heel graag iets doen met intersectionaliteit”, vertelt ze. “Want hoe kun je nou een goede cultureel-maatschappelijk vormer worden als je alleen maar de westerse cultuur meekrijgt? En als je alleen maar les krijgt van witte, cisgender mannen? Er zijn veel meer hokjes, met ook nog allemaal overlap. Daarom besloten we een collectief te vormen: we waren met mensen van allerlei afkomsten, mensen met diverse seksuele voorkeur, verschillende genders. We begonnen met ‘performative lectures’, een soort interactieve theatrale bijeenkomst waarin we vertelden wat vier jaar studeren aan de Hogeschool Rotterdam met ons had gedaan. Bezoekers zaten letterlijk in hokjes, maar we zorgden wel voor een veilige setting. Het laatste uur van de bijeenkomst konden bezoekers uit de hokjes komen, om met elkaar in gesprek te gaan over wat ze gehoord hadden.”

Het bleek erg zwaar om de veelal mannelijke, witte docenten te confronteren met ervaringen van studenten die niet binnen die norm vielen. “We hadden onderschat hoe mentaal uitputtend het is om keer op keer je verhaal te vertellen aan de mensen die eigenlijk ‘het probleem’ zijn”, licht Lisa toe. “Velen voelden zich aangevallen, omdat zij die witte cisgender man zijn waar we over spraken. Ze hadden zeker wel begrip voor ons verhaal, maar dat is niet genoeg. Uiteindelijk moet de verandering vanuit hen komen. Het is immers de verantwoordelijkheid van de schoolleiding en de leraren om nieuw beleid te maken dat inclusiever is.”

Verandering kost enorm veel tijd. Dat was de belangrijkste les die Lisa geleerd heeft van de ‘performative lectures’ tijdens haar studie. Aan het begin van die verandering is het van belang dat je eerst bij jezelf nagaat in welke hokjes je denkt te vallen. “Vraag je af of die hokjes bij een norm horen of niet. Denk na over hoe vaak jij jezelf terugziet op tv, in magazines of in je organisatie. Welke hokjes kan je afvinken en welke hokjes missen er nog in jouw omgeving? Op die manier word je je bewust van je positie en of die geprivilegieerd is of niet. Bewustwording van je eigen positie is de eerste belangrijke stap om het gesprek over intersectionaliteit aan te gaan.”

Inclusief bij het HipHopHuis

Bij het HipHopHuis zijn ze zich bewust van die eigen positie, al wil dat niet zeggen dat alles op het gebied van inclusie perfect gaat. “Zo kan bijvoorbeeld onze rolstoeltoegankelijkheid een stuk beter”, legt Lisa uit. “Maar we zijn op de goede weg en leren iedere dag wat bij.” Als Productiecoördinator probeert ze zoveel mogelijk een intersectionele benadering te hanteren. “Onze corebusiness is dans”, zegt Lisa. “We zijn een dansschool, maar tegelijkertijd een maatschappelijk instituut. Zo hebben we ook een educatief programma en gaan we langs op scholen om ‘hiphop values’ over te brengen. In tegenstelling tot het stereotype – veel blingbling en schaars geklede vrouwen – gaat hiphop over sociale rechtvaardigheid en respect. Ook hebben we hier veel boeken verzameld over de zwarte geschiedenis, dus iedereen die interesse heeft in het onderwerp is welkom om erover te lezen. Daarnaast hebben we iedere vrijdagavond een talk over allerlei thema’s, van ‘white saviorism’ tot seksualiteit. Het is heel laagdrempelig, dus iedereen kan aanschuiven om mee te praten.”

Ook als het om praktische dingen gaat, verliest Lisa intersectionaliteit nooit uit het oog. “Als bijvoorbeeld een programmamaker ons vraagt om dansers, probeer ik een zo divers mogelijke groep samen te stellen”, legt Lisa uit. “We willen dat zoveel mogelijk mensen gerepresenteerd worden. Of als ik catering moet regelen, kies ik niet voor de standaard.”

Alleen divers zijn is echter niet genoeg, benadrukt Lisa. “Om diversiteit een eerlijke kans te geven, moet je inclusief zijn. Dat kan alleen door intersectioneel te denken en te handelen.”


Meer weten over intersectionaliteit?

Wil jij ook meer weten over intersectionaliteit? Kom dan naar het IDEM-kennisatelier ‘Intersectionali…wat?’ op 18 februari 2020 in het HipHopHuis Rotterdam. Tijdens de bijeenkomst staan onder meer de volgende vragen centraal: Waar komt intersectionaliteit vandaan? Wat is een intersectionele benadering? Hoe hangt intersectionaliteit samen met inclusiviteit? 

Meer informatie of aanmelden? Lees hier meer over het kennisatelier.

Edward van de Vendel: “De nieuwe queer-boekenreeks Glow is voor álle jongeren”

Edward van de Vendel: “De nieuwe queer-boekenreeks Glow is voor álle jongeren”

Schrijver Edward van de Vendel nam het initiatief voor Glow: een boekenreeks voor jongeren die raakt aan het lhbtiq+-thema. Dit voorjaar trapt uitgeverij Querido de reeks af met een groot interviewboek, gevolgd door young-adultromans. Het grote verschil met eerdere lhbtq-boeken? “Het zijn niet langer probleemboeken”, zegt Van de Vendel. “Dat een van de geliefden aan het eind doodgaat, is gelukkig allang niet meer.”

Twintig jaar geleden bracht Van de Vendel zelf al een jeugdroman uit over een liefde tussen twee jongens: De dagen van de bluegrassliefde. Sindsdien is lhbtiq+ een belangrijk thema geworden in zijn werk. “Het boek werd meteen positief ontvangen en ik kreeg veel mails van lezers”, zegt hij. “Sommige jongens vertelden me dat ze door dit boek aan hun ouders durfden te vertellen dat ze op jongens vielen, of ze gaven het boek aan vrienden om de boodschap over te brengen.”

Van de Vendel was niet de eerste die over homoseksuele jongeren schreef. “Er waren wel meer boeken over het lhbtiq+-thema, maar dat waren vaak probleemboeken”, legt Van de Vendel uit. “Ze gingen over de strijd van uit de kast komen, over het lijden van transpersonen tijdens hun transitie of over onmogelijke liefdes tussen mensen uit verschillende culturen. In twee derde van die boeken ging een van de twee geliefden dood. Dat is gelukkig al lang niet meer. Je ziet steeds vaker dat de personages ‘toevallig’ queer zijn, zonder dat de nadruk wordt gelegd op problemen. Als schrijver wil je een boek maken waarin queer jongeren zich herkennen, maar ook een boek waar anderen wat van kunnen leren.”

Literatuur bleef achter

Het viel Van de Vendel op dat de film- en Netflixcultuur al veel eerder zijn meegegaan met onderwerpen die bij jongeren spelen. De jeugdboeken- en literaire cultuur blijft echter achter. “Daar wilde ik graag verandering in brengen”, vertelt hij, “dus ging ik in gesprek met mijn uitgever. Ik had gezien dat het in het buitenland veel beter is, maar dat hier niet zoveel queer boeken worden uitgegeven. Gelukkig wilde Querido meteen meewerken, maar het was even zoeken naar de beste vorm. We wilden in ieder geval geen regenboogkleuren of andere duidelijke symbolen op de cover, om stigmatisering te voorkomen, maar de boeken moeten ook goed te vinden zijn. De cover moet laten zien dat de boeken niet specifiek voor een queer-publiek zijn, maar wel dat de verhalen over hen gaan.” 

Bijzondere interviews

Glow, de naam van de serie waaronder de jeugdboeken zullen verschijnen, trapt af met een bijzonder boek. Geen roman, maar een interviewboek. Van de Vendel sprak met twintig jongeren tussen de 16 en 23 jaar die zich allemaal ergens op het queer-spectrum bevinden. “Het zijn grote persoonlijke interviews”, legt Van de Vendel uit. “Ik vraag niet alleen naar seksualiteit, maar naar wat ‘gloeit’ in het leven van de jongeren. Dat kan woede zijn, of liefde, of iets anders. Een tekenaar maakt prachtige portretten bij de interviews en ik heb bij ieder interview een gedicht geschreven.”

Met de interviews wil Van de Vendel de persoonlijke verhalen van de jongeren vertellen en laten zien hoe breed liefde kan zijn. “De jongeren die ik heb gesproken zijn onderling allemaal heel verschillend”, licht hij toe. “Het gaat van een aseksueel meisje tot een homoseksuele jongen; ze komen uit alle delen van het land; ze hebben allemaal verschillende opleidingsniveaus. Maar wat ze gemeen hebben is dat ze allemaal iets hebben moeten overwinnen. Ik ben heel erg geraakt door alle verhalen. Zo was er een Nederlands meisje dat verliefd werd op een meisje uit Libanon en zij beschreef hun vakantieliefde op een prachtige manier. Maar er waren ook hele heftige verhalen, bijvoorbeeld dat van een homoseksuele Armeense jongen die bij hem thuis samenkwam met gelijkgestemden. Die jongen is letterlijk zijn huis en zijn dorp uit gejaagd. Of je nu een mooi of een heftig verhaal hebt, een groot of een klein verhaal: met deze serie willen we laten zien dat ál deze verhalen belangrijk zijn.”

Oproep

Voor het interviewboek zoekt Edward van de Vendel nog dringend een intersekse persoon – tussen de 16 en 23 jaar. Intersekse personen worden te weinig gehoord in de media, dus het is van groot belang dat dat nu wel gebeurt. Vind je het goed om respectvol en (als je dat wilt) anoniem geïnterviewd te worden? Mail dan naar e.vendel@chello.nl voor meer info. Heel veel dank!

Hilde Labadie van GroenGoed Rotterdam: “Heerlijk, die culturele uitwisseling tijdens het tuinieren”

Hilde Labadie van GroenGoed Rotterdam: “Heerlijk, die culturele uitwisseling tijdens het tuinieren”

Hilde Labadie van GroenGoed Rotterdam: “Heerlijk, die culturele uitwisseling tijdens het tuinieren” 

In de buurtmoestuinen van GroenGoed verbouwen Rotterdammers hun eigen groente en fruit. Niet voor zichzelf op hun eigen stukje grond, zoals in een volkstuin, maar allemaal samen. De oogst wordt verdeeld onder de vrijwilligers. Wat overblijft, gaat naar armoedebestrijdingsprojecten. IDEM spreekt met Hilde Labadie, zangeres en een van de coördinatoren van GroenGoed, over dit bijzondere concept. “Het accent ligt op gelijkwaardigheid, iedereen kan iets inbrengen.”

Wat is GroenGoed??

GroenGoed is een stichting die zes buurtmoestuinen in Rotterdam Noord en Centrum begeleidt: het Wilgenplantsoen, de Bloklandtuin, het Kinderparadijs, het Bergwegplantsoen, Eetbaar Park Pompenburg en Tuin op Hofbogen. Daarnaast werken wij nauw samen met Stichting Vredestuin en zijn we ook op de Vredestuin en Vredestuin Noord te vinden.

In al deze moestuinen verbouwen we met allemaal vrijwilligers groente en fruit. Eén of twee keer in de week komen we samen op de tuin. Dan beginnen we met een kop koffie en bespreken we de werkverdeling. De vrijwilligers kunnen zelf kiezen in welke klus ze zin hebben die dag. Soms hebben mensen zelf een taak om uit te voeren, of willen ze graag iets specifieks kweken. Als het tijd is om te oogsten, worden de groente en fruit verdeeld onder de vrijwilligers. Vaak is er zelfs over, dat geven we weg aan armoedebestrijdingsprojecten.

Wat is jouw rol?

Ik ben een van de tuincoördinatoren van Stichting GroenGoed. Wij hebben 6 locaties in beheer en worden hiervoor betaald. De tuincoördinatoren van GroenGoed ondersteunen de Vredestuinen op vrijwillige basis.  

Waar komt je liefde voor tuinieren vandaan?

Eigenlijk wilde ik al van jongs af aan boerin worden, maar dat was ik een tijdlang vergeten. Op een gegeven moment heb ik een tijd op een boerderij gewoond. Toen ik weer terugkeerde naar de stad voelde ik me heel verloren. Op dat moment vertelde iemand me over de Vredestuin, dat werd voor mij een lichtpunt. Ik ging er aan de slag, drie of vier uur in de week, maar toch voelde ik me al snel onderdeel van die gemeenschap.

Welke mensen komen er zoal naar de Vredestuin?

Enkele mensen komen via de Unie van Vrijwilligers. Een paar mensen komen via een activeringscoach. Maar de meeste mensen komen omdat ze graag willen tuinieren, of op zoek zijn naar groene initiatieven en hun ecologische voetafdruk willen verkleinen. Er zijn ook mensen die hier in eerste instantie hun compost komen brengen, maar later besluiten om mee te tuinieren. En het gebeurt ook regelmatig dat mensen gewoon langsfietsen en zwaaien. De keer daarop komen ze eens kijken wat we eigenlijk aan het doen zijn en de keer daarna doen ze zelf ook mee.

Er komen ook nieuwe Nederlanders tuinieren, die tegelijkertijd hun Nederlands oefenen. Daar is de tuin een heel geschikte plek voor! Door de sociale contacten helpt het hen ook om weer een stukje eigenwaarde terug te krijgen. En voor ons is het leuk om te merken dat iedereen met een andere achtergrond een eigen tuincultuur heeft. Op agrarisch vlak heb ik al veel interessante uitwisseling meegemaakt! Zo heeft een man uit Syrië veel ervaring met enten, dat is het veredelen van boompjes. Veel Turkse vrouwen verbouwen zuring, dat is een bladgroente die in Nederland bijna niet gegeten wordt. Het is prachtig om al die diversiteit te zien: niet alleen qua taal of keuken, maar dus ook qua tuinieren.

Zijn er nog andere voordelen dan gratis groenten?

Zeker! Tuinieren heeft allerlei bijeffecten, naast het leren van de taal voor nieuwe Nederlanders. Er wordt namelijk een gemeenschap opgebouwd, waardoor het veiliger wordt in de omgeving van de tuin. Er is meer sociale controle en cohesie. Daarnaast verklein je je ecologische voetafdruk, doordat je minder groente en fruit meer hoeft te kopen. En het is ook grappig om te zien dat de vrijwilligers steeds vaker diensten of goederen ruilen. Laatst had ik van iemand een tuinbroek gekregen, omdat zij er een over had. Anderen doen een klusje voor een ander, weer een ander wil helpen met taart bakken voor een feestje. Zo zie je dat er een hele hechte club ontstaat.

Kunnen nieuwe vrijwilligers nog meedoen?

Iedereen die interesse heeft kan gewoon een keer langskomen! Na twee of drie keer gaan we een gesprek aan met nieuwe vrijwilligers om te bekijken wat hun wensen zijn op de tuin. Sommigen komen om te leren tuinieren, anderen om ‘uit hun hoofd te komen’, weer een ander doet het als alternatief voor de sportschool. Het maakt niet uit of je elke week wil komen, of eens in de drie maanden, maar het is voor ons als coördinator wel fijn om daar een beetje zicht op te hebben.

Wat is jouw belangrijkste doel met dit werk in de tuinen?

Het voornaamste doel is dat we op een ecologische manier met de aarde omgaan. Ik vind het heel fijn om buiten te zijn en in de aarde te werken. Ik verbouw nu al zo lang mijn eigen groente, dat ik het absurd begin te vinden om groente te kopen. Als we allemaal samen tuinieren is er genoeg. Er is zelfs overvloed en dat verdelen we. Niemand hoeft ervoor te betalen, want het is van ons allemaal samen.  Daarom hoop ik dat er veel meer van deze initiatieven komen, zodat veel meer Rotterdammers plezier kunnen beleven aan tuinieren en gratis groente en fruit kunnen eten.

Meer weten?

Volg het nieuws over de tuinen van Stichting GroenGoed op https://groengoedrotterdam.com/

Oren en Ogen Tekort: van stadswandelingen in gebarentaal tot landelijk overzicht van toegankelijke musea

Oren en Ogen Tekort: van stadswandelingen in gebarentaal tot landelijk overzicht van toegankelijke musea

Een museum bezoeken, naar het theater of een wandeling maken met een stadsgids: veel culturele uitjes zijn totaal niet ingericht voor mensen met een auditieve of visuele beperking. Om de zoektocht voor toegankelijke uitjes gemakkelijker maken, is dit jaar stichting Oren en Ogen Tekort opgericht. IDEM Rotterdam sprak met oprichter Elvera van Leeuwen. “Ons einddoel is de VVV worden voor deze doelgroep.”

Krap zes maanden bestaat de stichting Oren en Ogen Tekort, maar de interesse in hun werk loopt al de spuigaten uit. Gesprekken met de gemeente en andere grote partijen in Rotterdam staan al op de rol. Elvera van Leeuwen, een van de oprichters van de stichting, krijgt een flinke boost van alle positieve reacties. “De vraag is hoe lang ik dit naast mijn baan kan blijven doen”, lacht ze. “Natuurlijk zou ik me het liefst fulltime inzetten voor Oren en Ogen Tekort, maar ja, ik moet ook mijn rekeningen kunnen betalen.”

Het doel van Oren en Ogen Tekort is om kunst en cultuur toegankelijk te maken voor mensen met een auditieve of visuele beperking. “We zetten heel breed in: we willen uiteindelijk de VVV voor deze doelgroep worden”, zegt Elvera. “Zo is Museum4All een belangrijk onderdeel op onze website. Hier kun je snel zien welke musea toegankelijk zijn voor de doelgroep en welke activiteiten er plaatsvinden. Dit willen we uitbreiden met onze eigen activiteiten, zodat we een kalender kunnen opstellen met alle leuke dingen die er te doen zijn voor mensen met een auditieve of visuele beperking. Zo kan iemand uit Zuid-Holland die een weekendje weggaat naar Drenthe, ook eenvoudig achterhalen wat daar te beleven is en wat goed toegankelijk is.”

Stadswandeling in gebarentaal

Het begon allemaal met stadswandelingen in Rotterdam, tijdens de Week van de Toegankelijkheid begin oktober. “Een van de wandelingen werd gegidst in gebarentaal en de andere prikkelde alle zintuigen voor mensen met een visuele beperking”, vertelt Elvera. Er was direct ontzettend veel animo. “De bedoeling is dan ook dat we deze wandelingen structureel gaan aanbieden, zodat je net als iedere andere toerist of bezoeker een wandeling met gids door Rotterdam kan boeken.”

Het idee voor de stadswandelingen ontstond uit persoonlijke motivatie van Elvera. Met haar bedrijf Mikxs was ze al bezig om de toegankelijkheid van musea te vergroten. “Ik adviseer museumdirecties en train museumpersoneel, om hen te leren hoe je een museum kan ervaren zonder te kunnen zien”, legt ze uit. “Vaak zijn er al kleinschalige initiatieven om een museum toegankelijk te maken, zoals speciale rondleidingen. Zo geeft het Van Gogh Museum een keer per maand een speciale rondleiding, maar die zit al gelijk voor het hele jaar vol. Het is toch bizar dat mensen met een auditieve of visuele beperking een museumbezoek een jaar vooruit moeten plannen.”

Multi-zintuiglijk museum

Vanuit haar adviesbedrijf en haar passie voor een inclusieve cultuursector, besloot Elvera een stichting op te richten. Samen met Mirjam Koornneef en Raimond Kuckelkorn heeft ze dat gedaan. “Met een stichting kunnen we fondsen aanschrijven en ons nog beter inzetten voor de doelgroep. Uiteindelijk zouden we heel graag een multi-zintuiglijk museum opzetten, maar voor het zover is probeer ik het huidige museumlandschap inclusiever te maken voor mensen met een auditieve of visuele beperking.”

Bij de ontwikkeling van zowel de website als de activiteiten, wordt de doelgroep zelf nauw betrokken. Elvera: “Op de website zit een speciale toegankelijkheidsbutton, zodat bezoekers het contrast en de lettergrootte kunnen aanpassen. Verder hebben we ervoor gezorgd dat de alt-teksten van de foto’s goed zijn, zodat de software voor blinden en slechtzienden de hele site goed kan voorlezen. De stadswandelingen hebben we ontwikkeld met mensen uit de doelgroep en getest door pilotgroepen te laten lopen om te checken of alles goed was. We doen alles voor én met de doelgroep.”

“Verdiep je in wat lastig is voor je doelgroep

Ga in gesprek met mensen voor wie je iets wil betekenen, is het belangrijkste advies van Elvera. “Verdiep je in wat zij lastig vinden. Bij mensen met een beperking is energie altijd heel belangrijk. Als mensen voor een pilot met het ov naar Rotterdam komen, dan probeer ik hen altijd op te halen van het station. Dat soort ‘gewone dingen’ kunnen voor mensen met een beperking extra veel energie kosten. Daar probeer ik altijd rekening mee te houden.” 

Meer weten?

De bijzondere stadswandelingen van Oren en Ogen Tekort zijn vanaf begin 2020 te boeken. Meer informatie en nieuws vind je op www.orenenogentekort.nl

Cor Hoffer: “Zorgverleners hoeven niet alles te weten over andere culturen, als ze maar open het gesprek aangaan”

Cor Hoffer: “Zorgverleners hoeven niet alles te weten over andere culturen, als ze maar open het gesprek aangaan”

Een cliënt die niet geholpen wil worden door een medewerker van kleur, communicatieproblemen omdat dementerende migrantenouderen terugvallen op hun moedertaal of een gespannen sfeer bij de hulpverlening door vervelende opmerkingen over vermeende seksuele gerichtheid van een verpleegkundige: als het gaat om inclusie staat de ouderenzorg voor allerlei uitdagingen en dilemma’s. Cultureel antropoloog en socioloog Cor Hoffer doet al dertig jaar onderzoek naar zorg voor migranten in Nederland en geeft trainingen aan professionals in de zorg- en welzijnssector over omgaan met cliënten met andere culturele of levensbeschouwelijke achtergronden.

Wat is het grootste misverstand onder hulpverleners als het gaat om inclusief werken in de zorg?

Zorgverleners hebben vaak het idee dat ze een hele studie moeten doen naar de culturele of religieuze achtergrond van hun cliënt. Ze zeggen vaak: ‘Ik weet niets van de islam of het hindoeïsme, dus ik weet niet hoe ik met deze cliënt op de juiste manier kan communiceren.’ Er ontstaat handelingsverlegenheid, zorgverleners zijn bang om iets stoms te zeggen of klappen dicht. Maar het is helemaal niet nodig om alles van een cultuur of religie af te weten, want in een open gesprek met je cliënt kun je die informatie achterhalen. Het is beter om toe te geven dat je iets niet weet en hier vervolgens vragen over te stellen, dan het probleem te negeren. Zorg dat je altijd open het gesprek aangaat.

Waar lopen zorgverleners zoal tegenaan?

Het belangrijkste is dat migrantenouderen hun ziekte of ouderdom anders kunnen ervaren dan je als autochtone hulpverlener gewend bent. Als je je hier niet van bewust bent, kan de zorg niet goed aansluiten. Een voorbeeld hiervan is dat dementerende ouderen soms aangeven stemmen te horen. Een autochtone hulpverlener zou hierbij snel denken aan symptomen van een psychose, terwijl ‘stemmen horen’ in de Afrosurinaamse cultuur niet altijd als ziektesymptoom wordt gezien of als beangstigend wordt gevonden. Een ander voorbeeld is dat depressieve klachten in verschillende culturen wordt gezien als een gevolg van veel tegenslag, die nu eenmaal bij het leven hoort. Afhankelijk van je culturele achtergrond, kunnen signalen dus heel anders geïnterpreteerd worden.

Kan dat niet tot verkeerde diagnoses leiden?

Dat gebeurt helaas wel eens. Zo hebben enkele Amsterdamse geriaters en psychologen speciale tests ontwikkeld om dementie bij ouderen met een migratieachtergrond beter te kunnen vaststellen. De bestaande tests waren namelijk te veel gericht op autochtone ouderen en de Nederlandse cultuur. Er werd voorheen bijvoorbeeld gevraagd wie de toenmalige koningin was, maar sommige migrantenouderen hadden dat niet direct paraat. Het is belangrijk alert te zijn op dergelijke culturele aspecten, zodat op tijd de juiste begeleiding geboden kan worden en misdiagnostiek wordt voorkomen. Langzaam maar zeker wordt er ook in onderzoek en ontwikkeling van tests en medicijnen steeds meer rekening gehouden met culturele en erfelijke factoren in diverse bevolkingsgroepen.

Zo te horen hebben zorgverleners uit allerlei disciplines baat bij een training cultuursensitief werken?

Zulke trainingen zijn geschikt voor artsen, psychologen, psychiaters, woonbegeleiders, wijkverpleegkundigen. Eigenlijk voor iedereen die iets van doen heeft met ouderen, bijvoorbeeld ook mensen die mantelzorgers ondersteunen.

Wat leer je zoal tijdens een training?

Het gaat vooral over cultuursensitief werken. Daartoe leg ik uit welke invloed cultuur kan hebben op ziekteopvattingen en hulpzoekgedrag. Daarnaast leg ik uit hoe je hier in de dagelijkse praktijk rekening mee kunt houden. Hierbij ga ik  onder meer in op het Culturele Interview, een methodiek om het gesprek tussen zorgverlener en cliënt met een andere achtergrond te stimuleren. Tijdens mijn lezing op het symposium van IDEM Rotterdam en RADAR geef ik alvast een tipje van de sluier.

Waar moeten zorgverleners nog meer rekening mee houden?

In veel culturen speelt de familie of een geestelijke een bepalende rol. In Nederland hameren we ontzettend op de autonomie van de individuele cliënt, terwijl sommige mensen met een migratieachtergrond liever gezamenlijk beslissingen nemen over gezondheid en behandelingen. Van de ene kant is het belangrijk deze voorkeur te respecteren, maar aan de andere kant moet je ook oppassen dat de familie een cliënt teveel uit handen neemt. Ook is het raadzaam voorzichtig te zijn met de inzet van naasten als tolk. Want er is het risico dat de familie uit schaamte of bescherming gefilterd gaat vertalen. Het is daarom aan te raden om een officiële tolk in te schakelen als de cliënt zelf de taal niet machtig is.

Wat zouden de cliënt of familie zelf kunnen doen als ze het idee hebben dat ze niet goed geholpen worden?

Stel dat je het idee hebt dat een arts de belevingswereld van je vader of moeder niet goed inschat, dan zou je om een second opinion kunnen vragen. Er zijn diverse transculturele deskundigen en er komen steeds meer biculturele zorgverleners in Nederland die in zo’n situatie specifieke hulp kunnen bieden.

Bij antidiscriminatiebureau RADAR komen ook wel eens klachten binnen van hulpverleners van kleur, die juist door hun cliënt worden gediscrimineerd. Wat kunnen zij doen?

Dat gebeurt helaas ook. Bijvoorbeeld een witte oudere die niet door een zorgverlener met hoofddoek geholpen wil worden. Dat zorgt voor lastige situaties. Ook hier gaat het om cultuursensitieve communicatie. Het probleem is volgens mij dat veel organisaties hier nog geen beleid op hebben. Een zorgorganisatie zou eigenlijk moeten zeggen: ‘Onze zorgverlener is gekwalificeerd, dus u heeft deze hulp te aanvaarden.’

Meer weten? Kom naar ons symposium over inclusief werken in de ouderenzorg!

Cor Hoffer geeft een lezing op het symposium Onbegrensde mogelijkheden: inclusief werken in de ouderenzorg. Wil je hierbij aanwezig zijn? Meld je hier aan.

SamSam uitvaartcoaching: “Of je even de uitvaart van een familielid wil regelen? Zeg nooit direct ja”

SamSam uitvaartcoaching: “Of je even de uitvaart van een familielid wil regelen? Zeg nooit direct ja”

Een uitvaart van een dierbare kan mensen diep in de financiële problemen brengen. Vooral als de nabestaande zelf tot een kwetsbare groep behoort. SamSam Uitvaartcoaching helpt nabestaanden een weg te vinden in het doolhof van regels en wetten en ondersteunt bij het regelen van een begrafenis of crematie zonder onnodig hoge kosten te maken. Maar ook wijzen de uitvaartcoaches op de risico’s die zijn verbonden aan het regelen van iemands nalatenschap. “Zeg nooit direct ‘ja’ als iemand je vraagt dit te regelen.”

Een begrafenis of crematie? Wel of geen rituelen? Welke muziek wordt er gedraaid en wie gaat er spreken? Bij het regelen van een uitvaart komen talloze vragen op je af. En dan zijn de financiën nog niet eens aan bod gekomen… Want heeft de overledene een verzekering? Kan de uitvaart betaald worden uit de nalatenschap? Of moet de familie voor alle kosten opdraaien? “Het is al moeilijk genoeg als een dierbare overlijdt”, zegt Ardy Moeijes, oprichtster en projectleider van SamSam Uitvaartcoaching. “Maar als je niet uitkijkt, heb je zo een schuld van twee- tot drieduizend euro opgebouwd.”

Onderverzekerd 

Van alle Nederlanders heeft 70 procent een uitvaartverzekering, maar van die groep is 80 procent onderverzekerd. “Mensen willen het goed doen voor een overleden dierbare”, zegt Sherita Thakoerdat, uitvaartcoach bij SamSam. “Nabestaanden zijn emotioneel en willen een waardig afscheid regelen. Het gebeurt vaak dat mensen kiezen voor de duurste opties bij een uitvaart, die sowieso al duizenden euro’s kost, terwijl ze daar helemaal geen geld voor hebben. Schaamte voor armoede speelt daarbij een rol, maar ook onwetendheid over wat er allemaal mogelijk is. Mensen snijden zich dan al snel in de vingers.”

Zo is het bijvoorbeeld niet verplicht om een uitvaartondernemer in de arm te nemen, terwijl dat vaak wel de persoon is die als eerste op de stoep staat. “Zelfs veel gemeentes geven in hun brochures en online informatie aan dat je als nabestaande een uitvaartondernemer moet kiezen”, legt Ardy uit. “Alleen is dat helemaal niet verplicht, je mag een heleboel zelf regelen. Als gemeenteambtenaren al niet goed op de hoogte zijn van de wet- en regelgeving, hoe moet de burger dat dan zijn?”

Volgens Ardy en Sherita hebben uitvaartondernemers de branche in hun greep. “De overheid trekt zich steeds meer terug van het helpen regelen van een uitvaart”, zegt Ardy. “Mensen met een laag inkomen konden rekenen op ondersteuning van de gemeente, die zorgde ervoor dat de uitvaartondernemer betaald werd. Inmiddels is die gemeentegarantie vervallen en is de bijzondere bijstand, waar soms aanspraak op gemaakt kan worden, voor uitvaarten gehalveerd. Dat is meestal niet genoeg voor een begrafenis of crematie, zeker niet als een overledene door noodzaak in het mortuarium van het ziekenhuis moet verblijven.”

Huisbezoek

Via-via komen de uitvaartcoaches van SamSam bij families die financieel in de problemen zitten of daarin dreigen te raken door een uitvaart. Het eerste wat de coaches doen, is een inschatting maken van de financiële situatie van de nabestaanden. “Deze quickscan is noodzakelijk om het juiste traject te kunnen bepalen”, legt Ardy uit. “Er zijn verschillende routes die je na een overlijden kan bewandelen; er zijn verschillende instanties waar je kan aankloppen. Als we een beter beeld hebben van de wensen van de familie en de financiële situatie, dan kunnen we informeren over welke trajecten mogelijk zijn en hoe de kosten zo laag mogelijk gehouden kunnen worden.”

Zo’n huisbezoek, snel na een overlijden, doen de ondersteuners van SamSam altijd met z’n tweeën. “Ten eerste is het heel zwaar om bij een rouwende familie langs te gaan”, vertelt Sherita. “Het zijn natuurlijk lang niet altijd oude mensen die vredig in hun slaap zijn gestorven. We krijgen ook te maken met slachtoffers van geweld, of ernstig zieke mensen. Het is daarom belangrijk om elkaar te kunnen steunen. Ten tweede willen we voorkomen dat een casus niet afgemaakt kan worden. Er kan nu eenmaal ook altijd met ons onverwacht iets gebeuren.” 

Praten over de dood

Het beste zou zijn, om al voordat iemand heengaat over de uitvaart en nalatenschap na te denken. “Het zou fijn zijn als de dood gemakkelijker bespreekbaar wordt”, zegt Ardy. “Soms hebben we met families te maken die nog helemaal niets besproken hebben, ook al ligt een familielid op sterven in een hospice.” Maar nog beter is het om erover te praten als het nog lang niet zo ver is, zodat je bij een plotseling overlijden niet voor het blok wordt gezet. Door een uitvaartondernemer, bijvoorbeeld. De meeste ondernemers werken immers volgens een neoliberaal verdienmodel en hebben niet dezelfde focus als bijvoorbeeld welzijnsorganisaties hebben. “Door vooraf binnen de familie te praten over wensen en financiën, wordt het gemakkelijker om je aan je eigen focus vast te houden.”

Neem de tijd

Het belangrijkste doel van SamSam is eraan bijdragen dat nabestaanden op eigen kracht verder komen. De tijd nemen, is hiervoor het belangrijkste. “Als je in de paniek zit van de dood en ook nog in armoede, is het moeilijk om je weg te vinden in het doolhof van regelgeving”, legt Sherita uit. “Met een paar opmerkingen en tools kunnen we mensen op weg helpen.” Ardy vult aan: “We zijn heel assertief in onze ondersteuning. Als je voor het eerst te maken hebt met het overlijden van een dierbare, dan heb je geen idee wat er allemaal op je afkomt. Je snakt naar adem, dus je neemt alle – al dan niet goedbedoelde – adviezen maar aan. Stel dat je vader in een ziekenhuis overlijdt, dan zegt het ziekenhuispersoneel dat je snel het lichaam moet komen ophalen. Dat is niet alleen om een bed vrij te maken voor een nieuwe patiënt, maar vooral omdat de zorgverzekering van de vader niet meer voor de zorg betaalt. Bij overlijden vervalt de zorgverzekering. Maar er zijn wel flinke kosten verbonden aan het overbrengen van een lichaam drie uur na overlijden naar een mortuarium en de laatste noodzakelijke verzorging: dat kost al gauw 200 euro en je hoeft er niet eens opdracht voor gegeven te hebben.”

SamSam wijst op onorthodoxe alternatieven, die legaal zijn maar niet bekend. “Het is toegestaan om zelf een lichaam te vervoeren, bij wijze van spreken mag dat zelfs op de fiets, mits je de juiste overlijdenspapieren bij je hebt en het lichaam ethisch bedekt is”, legt Ardy uit. “Wat niet is toegestaan is zelf een lichaam begraven of cremeren. Een uitvaart kun je dus nooit helemaal alleen, maar je kan veel meer zelf regelen dan je zou verwachten.”

Nalatenschap

De uitvaart zelf is echter nog maar het begin van het regelwerk nadat iemand overlijdt. Aan de nalatenschap kunnen namelijk allerlei haken en ogen zitten. “Nalatenschap is vreselijk ingewikkeld”, legt Ardy uit. “Als iemand overlijdt moet je binnen drie maanden doorgeven of je als erfgenaam de nalatenschap aanvaardt, verwerpt of beneficiair aanvaardt. Als je niets doorgeeft, bijvoorbeeld omdat je hiervan niet op de hoogte bent, dan heb je automatisch de nalatenschap aanvaard. Als je geluk hebt kan de uitvaart betaald worden uit die nalatenschap en hou je zelf nog en spaarcentje over, maar het is ook goed mogelijk dat de persoon in de schulden zit. Dan is de kans groot dat je met de kosten voor de uitvaart én die schulden zit.”

Die verantwoordelijkheid voor nalatenschap toebedeeld krijgen, zit al in een klein hoekje. “Wettelijk gezien ben je als familie niet verplicht om een uitvaart te regelen. Er wordt gesproken van een morele plicht, maar als jij daar om wat voor reden niet aan wil voldoen, dan hoeft dat niet. In dat geval wordt de burgemeester de opdrachtgever voor de uitvaart.”

Toch zullen de meeste mensen willen helpen als een dierbare overlijdt. “Natuurlijk willen de meeste familieleden zorgdragen voor een mooi afscheid”, zegt Ardy. “Alleen weten veel mensen niet dat het daar vaak niet bij blijft. Je kan ook aansprakelijk gehouden worden voor allerlei financiële kwesties. Die verantwoordelijkheid kan al bij jou komen te liggen als je in bepaalde gevallen alleen maar het huis hebt leeggehaald. Zonder iets getekend te hebben. Zeg dus nooit direct ‘ja’, als iemand vraagt een uitvaart of nalatenschap te regelen.” 

Vrijwilligers

De uitvaartcoaches van SamSam bieden op vrijwillige basis ondersteuning. Omdat het nogal wat kennis en ervaring vraagt om nabestaanden van de juiste informatie te voorzien en een goede inschatting te maken van de financiële situatie van een rouwende familie, krijgen de coaches een intensieve opleiding die speciaal voor SamSam is ontwikkeld door docente Ria Middelham van Duende Training en Coaching. “In ruil voor die kosteloze opleiding, vragen we vrijwilligers om ten minste twee jaar voor ons actief te blijven”, legt Ardy uit. “Dat kan zwaar zijn, want sommige vrijwilligers die zich bij ons melden hebben een romantisch beeld van de uitvaartcoaching. Ze denken dat ze bloemen mogen dragen, koffie schenken of spreken bij een uitvaart. Maar dat is het niet, je wordt geen uitvaartverzorger.”

SamSam heeft altijd mensen nodig die anderen in de hele brei van wat er bij een uitvaart komt kijken kunnen ondersteunen. Het gaat erom dat ze de juiste informatie geven en laten zien hoe nabestaanden dingen anders kunnen doen, zodat ze een weloverwogen beslissing kunnen nemen. Begin 2020 start SamSam met een nieuwe scholing. Meer weten? www.samsamuitvaartcoaching.nl