5 vragen over… inclusie van LHBTIQ+-ouderen

5 vragen over… inclusie van LHBTIQ+-ouderen

Foto: Marjon van der Vegt

Angst om openlijk te praten over de partner, gêne om te vertellen over seksualiteit of vrees om niet geaccepteerd te worden door buren of medebewoners: LHBTIQ+-ouderen durven niet altijd open te zijn over hun seksuele of genderidentiteit. Daarom kunnen zij extra kwetsbaar zijn, zowel in een zorginstelling of bij zorg aan huis. IDEM Rotterdam stelt vijf vragen over inclusie van LHBTIQ+-ouderen aan auteur en trainer Eveline van de Putte, die zich inzet voor dit thema. “Kennis, kennis, kennis! Investeer in kennis van de medewerkers. Laat ze in werktijd een training volgen over seksuele en genderdiversiteit.”

1. Waarom lijkt seksuele en genderdiversiteit onder ouderen niet te bestaan?

Zolang er niet over gepraat wordt, bestaat het niet. Ik krijg vaak opmerkingen als ‘roze ouderen, die wonen hier niet’, ‘dat soort mensen kennen we niet’ of ‘die dingen spelen hier niet, er wordt tenminste nooit over gepraat.’ En daar zit precies het probleem. Zowel de betreffende ouderen als de professionals zijn niet gewend om over seksuele en genderdiversiteit te praten. LHBTIQ+-ouderen komen uit een tijd waarin ze niet gewend zijn het over gevoelens te hebben. En al helemaal niet over intimiteit en ‘bijzondere vriendschap’, zoals de homoseksuele relaties soms genoemd werden. Als ze al eens iets hoorden in die richting, was het per definitie negatief: slecht, vies, zondig, gestoord, daar wilde je niet bij horen!

Deze groep ouderen heeft een lange weg afgelegd om tot vrijheid en zelfacceptatie te komen. Een route met vallen en opstaan. Een weg ook waar ze lang niet overal met open armen werden ontvangen. Integendeel. En die angst voor uitsluiting, die scheldpartijen, dat gevoel dat je er niet bij hoort, niet mee mag doen, zit diep. Zo lang je sterk en veerkrachtig bent, kun je daar nog mee omgaan. Maar word je ouder en kwetsbaarder, dan word je weer voorzichtig. Zeker wanneer je zorgafhankelijk wordt. En dus houden veel LHBTIQ+-ouderen hun mond.

Professionals staan er lang niet altijd bij stil dat er onder hun cliënten ook onzichtbare diversiteit is. Culturele diversiteit, ja, dat kun je vaak zien. Maar er staat niet op iemands voorhoofd geschreven van wie diegene houdt of wat diens genderidentiteit is. ‘Dan zeggen die oudjes het toch gewoon’, hoor ik studenten vaak zeggen. Het feit dat dat niet gebeurt zegt genoeg over het gevoel van veiligheid dat de queer ouderen ervaren. Het vraagt dus ook om inlevingsvermogen van de (aankomend) professionals om signalen op te pakken. Inlevingsvermogen en kennis over hoe de situatie vroeger was. En de invloed daarvan op de dag van vandaag. Dat alles begint met openstaan voor en bewust worden van de diversiteit die er altijd en overal is.

Het is goed om te beseffen dat minstens 7% van de bevolking tot de LHBTIQ+-community behoort. Dat geldt dus ook voor de senioren.

2. Waarom is het problematisch als deze doelgroep niet goed zichtbaar is?

Wanneer je niet zichtbaar bent, doe je niet mee. Zo simpel is dat. Waarom zou je als leiding- gevende van een zorginstelling je extra inzetten op specifieke deskundigheidsbevordering op het gebied van seksuele en genderdiversiteit, of het behalen van de Roze Loper als je denkt dat je geen LHBTIQ+-cliënten hebt? Waarom zou je de regenboogvlag uithangen en een roze activiteit organiseren als je denkt geen enkele homo of transgender persoon in het wijkcentrum te kennen?

Dat is het begin van een vicieuze cirkel. Als je het omdraait en ervan uitgaat dat veel ouderen een behoorlijke drempel over moeten om over hun leven te vertellen, helpt het juist wanneer je laat zien dat iedereen welkom is en dat er ook uiting aan gegeven wordt door middel van activiteiten.

Ouderen vertellen graag over vroeger. Daar horen verhalen over partners, kinderen en kleinkinderen bij. Maar als je die niet hebt, of wanneer je niet in dat heteroplaatje past, is het voor sommige LHBTIQ+-ouderen moeilijk om mee te praten. ‘Iedere keer maak ik de overweging of ik wel of niet iets over mijn leven zal vertellen. Natuurlijk heb ik net zulke mooie verhalen over de vakanties met m’n lief’, vertelde een oudere lesbische vrouw me eens.

Voor iedereen is het allerbelangrijkste dat je jezelf kan zijn. Dat geldt ook voor ouderen. Wanneer je jezelf moet verstoppen, levert dat iedere keer weer angst en onzekerheid op. De kans op eenzaamheid is vele malen groter wanneer je niet (meer) naar bijeenkomsten van ‘gelijkgestemden’ kunt gaan. En wat te denken als een partner overlijdt? Hoe moet je je rouw en verdriet tonen als niemand wist dat die man je partner was in plaats van een oud-collega met wie je nog regelmatig een biertje ging drinken? Jezelf niet kunnen uiten, zorgt voor gevoelens van minderwaardigheid en depressie.  

Wanneer de groep niet goed zichtbaar is houdt men er te weinig rekening mee. Veel zorginstellingen hebben het over ‘zorg op maat’ en ‘iedereen is welkom’. Echte zorg op maat begint pas wanneer je oog hebt voor en kennis van de diversiteit van je doelgroep. Echt welkom gaat verder dan een paar woorden in de beleidsplannen. Welkom is: je welkom voelen en weten dat je veilig bent!

3. Hoe kunnen we als samenleving inclusief zijn voor LHBTIQ+-ouderen en dit thema bespreekbaar maken?

Onderwijs! Dat is stap 1. Ik geef regelmatig gastcolleges op hbo- en mbo-instellingen. Dat doe ik samen met Magda Römgens (een roze oudere van 84 jaar). Ik merk dat de studenten geen idee hebben van de ervaringen van ouderen in het algemeen en al helemaal niet van die van roze ouderen. Ze zijn meestal erg onder de indruk. Het opent ook hun ogen naar hun omgeving en naar hun werk. Ouderen en relaties, ouderen en seksualiteit, dat is sowieso iets waar ze nauwelijks over nadenken. Maar transgender ouderen of homoseksuele ouderen… daar hebben ze nooit over nagedacht. Het is dus belangrijk dat dit onderwerp in alle opleidingen van zorg en welzijn op diverse niveaus besproken wordt. Of het nou gaat om de toekomstige verzorgende of huisarts, ze moeten dit thema op hun netvlies hebben. Dan pas kunnen ze signalen herkennen, of bepaalde vragen duiden.

Organisaties voor zorg en welzijn organiseren regelmatig bijscholingen voor hun personeel. Veelal zijn dat verplichte nummers. En vanwege de werkdruk en personeelstekorten komt het er dan niet altijd van om ‘extra dingen’ te doen. Toch is daar veel winst mee te behalen. Niet alleen voor de LHBTIQ+-cliënten, ook voor hun bezoek, en zeker ook voor LHBTIQ+-medewerkers en -vrijwilligers. Wanneer mensen goed in hun vel zitten, draagt dat immers bij tot welzijn en beter functioneren.

Een mooi middel om die bewustwording tot stand te brengen is de Tour d’Amour, het programma waarmee ik al vanaf begin 2014 door Nederland en België reis. Tour d’Amour is een uniek programma waarin ik samenwerk met dragqueen Victoria False en roze oudere Magda Römgens. Verhalen uit mijn boeken Stormachtig Stil * en Nieuwe Namen*, liedjes, casuïstiek en dialoog met de zaal wisselen elkaar af. Het is juist die unieke combinatie waarmee we de mensen op verschillende lagen raken. Ze gaan nadenken erover, voelen wat er gebeurt als je niet jezelf kan zijn, maar ervaren ook de blijdschap wanneer je in vrijheid mee kan doen! Inmiddels hebben we de Tour al 186 keer uitgevoerd en we gaan door! Dankzij subsidie van de gemeente Rotterdam kunnen organisaties binnen die gemeente de Tour zelfs kosteloos aanvragen.

De Tour d’Amour is voor iedereen interessant. We richten ons vooral op medewerkers uit zorg- en welzijn, maar ook op studenten, bibliotheken, Huizen van de wijk. Kortom, op plekken waar ouderen wonen en komen, of voor professionals die met mensen en dus ook met LHBTIQ+-ouderen werken. Veel van de situaties die wij vertellen kun je ook vandaag tegenkomen bij queer jongeren. Ook voor hen is het helaas lang niet overal vanzelfsprekend dat ze over hun gevoelens kunnen praten. Dat beseffen en weten is belangrijk voor professionals.

4. Wat zou er beleidsmatig moeten veranderen om meer oog te krijgen voor deze groep en de problemen die daarbij horen te voorkomen?

Kennis, kennis, kennis! Investeer in kennis van de medewerkers. Laat ze in werktijd een training volgen over seksuele en genderdiversiteit. Neem de beleidsplannen en promotiemateriaal van de organisatie eens kritisch onder de loep. Hoe inclusief is dat? Welke beelden breng je naar buiten? Daar is vaak al wat te verbeteren.

Werk samen met andere organisaties in de stad of in het land. Je hoeft het wiel niet opnieuw uit te vinden. Roze 50+ (samenwerkingsverband van ANBO en COC) heeft veel informatief materiaal ontwikkeld en verzameld, maar is tevens een goede gesprekspartner over dit onderwerp. Nodig eens iemand uit tijdens een teamoverleg, beleidsdag, et cetera.

Maak gebruik van verhalen. Levensverhalen spreken mensen aan. Die raken en verbinden. Kijk niet alleen naar wetenschappelijke onderzoeken en cijfers. Doe allebei!

Niet alleen organisatie kunnen een steentje bijdragen, ook gemeentes door bijvoorbeeld subsidies te verstrekken aan projecten die bijdragen aan emancipatie van LHBTIQ+-ouderen.

Ook landelijke politiek kan uitdragen dat het belangrijk is dat iedereen mee kan doen. Dat ‘homo’ als scheldwoord niet acceptabel is. Dat je je niet hoeft te schamen om aangifte te doen na een homo- of transgendergerelateerd geweldsdelict.

Schrijf erover in kranten, websites en social media. LHBTIQ+-ouderen bestaan! Ze hebben recht op een gelukkig leven, zoals iedereen! En koester de verhalen van de pioniers die voor de huidige vrijheid hebben gestreden.

5. Wat kun je als individuele professional doen om zo inclusief mogelijk te zijn voor deze doelgroep? Wat zijn de tips en handvatten?

Durf het gesprek aan te gaan. Durf die heteronormatieve bril af te gooien en kijk met open vizier naar de mens die je voor je hebt. Noem de persoon bij de gewenste naam. Vraag niet aan een vrouw: ‘Wat doet uw man?’, maar gebruik het woord partner, dat geeft zo veel meer ruimte.

Stel voor om met belangrijke LHBTIQ+-dagen als Internationale Coming Out Dag (11 oktober), Idahot (17 mei) Transgender Remembrance Day (20 november) de regenboog- of transgender vlag te hijsen. En leg uit, ga in gesprek over de betekenis daarvan.

Laat de vlaggen hangen, altijd, het staat symbool voor welkom, en kleurt bovendien geweldig!

Heb het lef mensen aan te spreken op discriminerend gedrag en uitsluiting. Loop niet door wanneer je hoort: ‘Ik ga niet naast die vieze homo zitten!’

Programmeer eens een roze activiteit: een film met LHBTIQ+-thema, een optreden van een roze koor. Zorg voor diversiteit op de boekenplank, voor folders van LHBTIQ+-organisaties in het folderrek.

Bedenk nog eens hoe fijn het is dat je kan houden van wie je wilt en dat je jezelf kan zijn! Als je dat voelt, weet je hoe je een ander kunt steunen. Jezelf zijn, is toch een recht voor iedereen!

Meer weten?

Op donderdag 1 juli 2021 organiseert IDEM Rotterdam het online Kennisatelier ‘Zie je grijze toekomst door een roze bril’ over inclusie van LHBTIQ+-ouderen. Er zijn nog enkele plaatsen beschikbaar. Meer informatie en aanmelden kan op deze pagina.

Over Eveline

Eveline van de Putte (auteur, trainer, fotograaf) schreef onder andere Stormachtig Stil, levensverhalen van roze ouderen en Nieuwe Namen, levensverhalen van transgender ouderen. Ook geeft zij regelmatig gastcolleges over LHBTIQ+-ouderen op hoge scholen en is ze een graag geziene spreker op congressen en symposia over dit onderwerp. Samen met Erik Alkema maakte zij een serie filmportretten van transgender ouderen. Eveline is ook freelancer bij Roze 50+. Sinds maart 2014 reist Van de Putte door Nederland en België met de Tour d’Amour, een dialoogbijeenkomst om seksuele diversiteit  en genderidentiteit binnen zorg en welzijn bespreekbaar te maken. De Tour d’Amour is inmiddels 189 keer uitgevoerd.

5 vragen over… antisemitisme

5 vragen over… antisemitisme

Een deel van de Joodse Rotterdammers gaat niet zichtbaar Joods over straat om antisemitische reacties te voorkomen. Wie toch een keppeltje of davidsster draagt, voelt een risico om uitgescholden of bespuugd te worden. Dat blijkt uit een kwalitatief onderzoek van IDEM Rotterdam naar de ervaringen en veiligheidsbeleving van Joodse Rotterdammers. IDEM Rotterdam stelt 5 vragen over antisemitisme aan onderzoekers Nienke de Wit en Bauke Fiere.

1. Wat is antisemitisme?

Hoewel antisemitisme geen eenduidige definitie heeft, wordt de definitie van International Holocaust Rememberance Alliance (IHRA, 2020) veel gebruikt, onder andere in nationale en internationale politiek. Deze definitie luidt als volgt:

“Antisemitisme is een bepaalde perceptie van Joden die tot uiting kan komen als een gevoel van haat jegens Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme zijn gericht tegen Joodse of niet-Joodse personen en/of hun eigendom en tegen instellingen en religieuze voorzieningen van de Joodse gemeenschap.”

IHRA verstaat onder manifestaties ook uitingen tegen de staat Israël, die beschouwd wordt als Joods collectief. Echter, kritiek tegen Israël die gelijk staat aan mogelijke kritiek op andere landen kan volgens hen niet beschouwd worden als antisemitisme.

2. Hoe vaak komt antisemitisme voor?

Hoeveel antisemitische incidenten er daadwerkelijk zijn in Nederland is lastig te vast te stellen. Verschillende instanties, onder andere antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s), Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI) en de politie, houden bij hoeveel meldingen zij ontvangen van antisemitisme, maar dit geeft geen inzicht in de werkelijke omvang van het probleem. Dit komt omdat antisemitisme niet altijd als zodanig wordt herkend en omdat van lang niet alle antisemitische incidenten een melding wordt gemaakt.  Uit onderzoek van de European Union Agency for Fundamental Rights (FRA) uit 2018 blijkt dat slechts een kwart van de slachtoffers van een antisemitisch incident in Nederland dit ergens heeft gemeld.

In 2019 telde het CIDI in totaal 182 antisemitische incidenten in Nederland, exclusief online antisemitisme. Het gaat om incidenten die direct gemeld zijn bij CIDI, of gedeeld door meldpunten als ADV’s en het College voor de Rechten van de Mens of via (sociale) media. Het gaat bijvoorbeeld om vernielingen en bekladdingen in de openbare ruimte, het uitschelden van mensen op straat of telefonisch en pesterijen op scholen. Daarnaast zijn er meldingen van bedreigingen en het bespugen van mensen die door hun kleding als Joods herkenbaar zijn.

Hoewel antisemitisme lastig te meten is en er geen exacte cijfers van de omvang zijn, zien verschillende instanties wereldwijd die cijfers bijhouden over antisemitisme een stijging van het aantal incidenten. Het Kantor Center rapporteert een stijging van het aantal grote gewelddadige incidenten in 2019 van 18% ten opzichte van 2018 (Kantor Center, 2020).  

3. Hoe herken je antisemitisme?

Antisemitisme kan zich direct, maar ook indirect uiten. Direct antisemitisme uit zich tegen Joodse personen, eigendommen of gebouwen, terwijl indirect antisemitisme niet direct wordt geuit. Bij direct antisemitisme kan het gaan om ongepaste en discriminerende opmerkingen, fysiek geweld en vernieling. Dit kan zich uiten in de privésfeer, maar ook in het publieke debat of de openbare ruimte. Indirect antisemitisme gaat bijvoorbeeld om antisemitische leuzen tijdens voetbalwedstrijden, het uitschelden van een politieagent voor k**jood of het verspreiden van diverse complottheorieën over Joden. Zo hoeft antisemitisch schelden niet direct tegen een Joods persoon geuit te worden, maar draagt het wel bij aan de normalisering van antisemitisme en een negatieve associatie met Joden. Antisemitisme heeft diverse verschijningsvormen, en kan zowel zeer duidelijk als subtiel voorkomen. Het hoeft niet altijd te gaan om direct geweld, maar juist sluimerende vormen kunnen ook schade toe richten, zoals stereotypes en vooroordelen over Joodse mensen.

4. Wat kun je als professional doen tegen antisemitisme?

Je kan jezelf informeren en nagaan wat je over het jodendom in Nederland weet. Daarnaast kan je je collega’s aanspreken wanneer je merkt dat die persoon weinig kennis heeft of op basis van vooroordelen handelt. Antisemitisme is, net zoals discriminatie op andere gronden, een complex fenomeen. Het hangt samen met normen, structuren van ongelijkheid en het op alledaagse manieren tot uiting kan komen. De eerste stap naar verandering is daarom om meer kennis op te doen en kritisch op jezelf te reflecteren.

5. Wat kun je doen als je antisemitisme ervaart?

Je kunt (anoniem) een melding doen van discriminatie bij het antidiscriminatiebureau in je gemeente (in Rotterdam is dat RADAR). De gespecialiseerde klachtbehandelaars kunnen je, indien gewenst, advies geven over mogelijke vervolgstappen en je hierin ondersteunen.

Omstanders kunnen altijd een goede bondgenoot zijn door zich uit te spreken tegen discriminatie, ook in het geval van antisemitisme. Ga naast iemand staan die antisemitisch bejegend wordt en geef deze persoon de ruimte om zichzelf uit te kunnen spreken. Verder kun je iemand die antisemitisme meemaakt ondersteunen, bijvoorbeeld door een luisterend oor te bieden en samen te kijken naar mogelijke oplossingen voor de situatie.

Lees het onderzoek ‘Openlijk Joods, maar niet altijd’

Wil je meer weten over antisemitisme? IDEM Rotterdam deed kwalitatief onderzoek naar antisemitisme in Rotterdam. Hiervoor zijn Joodse Rotterdammers gevraagd naar hun ervaringen met antisemitisme en welke invloed dat heeft op hun veiligheidsbeleving. Het onderzoek is hier te downloaden.

Verslag Kennisatelier: ongelijke behandeling vanwege je uiterlijk

Verslag Kennisatelier: ongelijke behandeling vanwege je uiterlijk

Likes, followers en insta worthiness: in de moderne (online) samenleving lijk je aan steeds meer eisen te moeten voldoen. Een bepaalde kledingmaat, een perfecte huid, een strak lichaam, in fysieke topconditie: dat is toch waar we allemaal naar streven? In het Kennisatelier ‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand… Wie is nou ‘de norm’ in dit land?’ over ongelijke behandeling op basis van je lichaam dat IDEM Rotterdam op donderdag 27 mei 2021 organiseerde, vertelden Redouan Ait Chitt, Loveaij, Gabriëlla van Driel, Kubra Murt en Jolanda Veldhuis over ‘anders zijn’ en hoe dat positief is! 

Redouan Ait Chitt is internationaal bekend breakdancer. Hij mag dan met een aangeboren lichamelijke beperking geboren zijn, dat weerhield hem er niet van om net zo lang door te zetten tot hij bepaalde dingen wel kon. En met succes: tijdens de afgelopen editie van het Songfestival in Rotterdam, danste hij tijdens de opening van de tweede halve finale. 

“Het eerste wat ik als kind wilde doen, was me verstoppen en in de schaduw blijven”, vertelde Redo tijdens het Kennisatelier. “Als ik een vallende ster zag, of de kaarsjes op mijn verjaardagstaart mocht uitblazen, wenste ik dat ik normaal zou zijn. Inmiddels ben ik heel dankbaar dat ik niet hetzelfde ben als alle anderen, maar dat ik ben wie ik ben. Die boodschap hoop ik aan andere mensen door te geven. Vier de verschillen en vind gelijkheid in verschil.”  

@lovaeij

Model en fotografe Lovaeij, ofwel Lotte van Eijk, heeft de genen van haar oma meegekregen en is al haar hele leven dik. Toen haar oma overleed, besloot ze niet haar leven in het teken te laten staan van diëten en ongelukkig zijn. Ze omarmde haar lichaam en verhief het zelfs tot kunstvorm door zichzelf te fotograferen. “Ik besloot om mijn foto’s te verspreiden via Instagram en niet in de kunstwereld, omdat ik juist heel veel mensen wilde bereiken die niet per se makkelijk een museum binnenlopen. Onzekere tieners, moeders die onzeker zijn over hun lichaam: ik wil iedereen inspireren om weer in bikini naar het strand te gaan.”

Gabriëlla van Driel, sportconsulent bij SportMEE Rotterdam Rijnmond, helpt mensen met een beperking om structureel te sporten en te bewegen. Hierbij wordt altijd gekeken naar wat bij iemand past en natuurlijk wat die persoon zelf graag wil doen. Tijdens het Kennisatelier deelde ze een van de mooiste momenten. 

 

“Op een sportkamp van stichting CP-Voetbal Vrouwen, dat ik ooit mee organiseerde, moesten de meiden mee de afwas doen. Maar ze wilden allemaal niet meehelpen. Na een tijdje bleek dat ze thuis de afwas niet móchten doen, omdat er wel eens wat stuk ging of omdat het te lang duurde. Wij wilden toch graag dat ze zouden meehelpen, dus bedachten we een beloning: ze mochten kiezen welke muziek er werd gedraaid, DJ Dishes. De afwas werd een groot dansfeest. Een moeder stond te huilen tijdens het feest: nog nooit eerder had ze haar dochter zien dansen.”

 

Wil jij of je organisatie ook helpen om meedoen mogelijk te maken? Kijk gauw op www.sportmee.nl 

sportmee.nl
@kuubslife

Kubra Murt belandde door een dwarsleasie na een ernstig auto-ongeluk in een rolstoel. Omdat haar zusje ook al in een rolstoel zat, voelde ze zich schuldig tegenover haar ouders. Ze wilde bewijzen dat ze zelfstandig kan leven. Ze herontdekte zichzelf en focust op wat ze allemaal kan. “Ik blijf altijd denken aan de kracht van ‘nog’: misschien kan ik iets nu nóg niet, maar later wel.” 

Via Instagram inspireert Kubra anderen in een rolstoel. 

Onderzoek van Jolanda Veldhuis

Dr. Jolanda Veldhuis doet aan de Vrije Universiteit van Amsterdam onderzoek naar de relaties tussen social media, lichaamsidealen en lichaamsbeeld van jongeren. Hieronder zijn enkele opvallende punten uit haar onderzoek weergegeven.

 

Wat is de impact van lichaamsidealen in de media op het lichaamsbeeld (van jongeren)?

• lichaamsontevredenheid
• verstoringen in lichaamsbeeld
• bezorgdheid over uiterlijk
• geobjectiveerd lichaamsbewustzijn
• depressie
• ongezond zelfregulerend gedrag voor controle van gewicht, zoals verstoord eet- en beweeggedrag

Kunnen (sociale) media ook een positieve impact hebben?

Ja! Ze kunnen inspireren, motiveren en een gevoel geven van ‘body improvement’ en haalbaarheid van een ideaal. Jolanda benadrukt hierbij wel dat er vele individuele verschillen zijn.

Als (social) media ook positieve invloed kan hebben op het lichaamsbeeld van jongeren, kunnen we dit dan sturen?

Dat kan! De context bij een afbeelding is van groot belang, zoals de afzender, het onderschrift, aantal likes en de commentaren. De context kan een sturende rol hebben: door te normaliseren of nuanceren in informatielabels, bijvoorbeeld ‘deze vrouw heeft ondergewicht’. Een aanvullende waarschuwingstekst, daarentegen, zou niet veel effect hebben.

Lees- en kijktips

  • Sabrina Strings – Fearing the black body 
  • Michael Pilarczyk – Master your mindset
  • Jay Shetty – Denk als een monnik
  • Yasmin Mogahed – Win je hart terug
  • Hakan Mengüç – Kalbin temizse hikayen mutlu biter

 

Farida: “Om discriminatie tegen te gaan, probeer ik juist mijn achtergrond zichtbaar te maken”

Farida: “Om discriminatie tegen te gaan, probeer ik juist mijn achtergrond zichtbaar te maken”

Moslima’s zijn steeds beter in staat discriminatie op de arbeidsmarkt te herkennen en durven het steeds beter te benoemen. Dat is de conclusie uit kwalitatief onderzoek van IDEM Rotterdam naar ervaren discriminatie van moslima’s op de Rotterdamse arbeidsmarkt. Het toegenomen besef komt mogelijk doordat er steeds meer over discriminatie en racisme wordt gesproken. Ook de 24-jarige zorgverlener Farida* is niet op haar mondje gevallen en spreekt mensen op hun gedrag aan als ze zich herhaaldelijk discriminerend uiten.

Discriminatie op de arbeidsmarkt komt veel voor. Vooral bij werving en selectie is het een lastig onderwerp: hoe weet je zeker dat je de baan niet hebt gekregen vanwege je afkomst en niet omdat je bijvoorbeeld expertise mist? Farida heeft een soortgelijke ervaring. “Ik heb eens gesolliciteerd bij een zorginstelling in Noord-Brabant”, vertelt ze. “Er werd gevraagd of ik wel in Nederland geboren was, hoe lang ik al in Nederland woonde, met hoeveel kinderen we thuis waren. Het gesprek ging eigenlijk meer over mijn persoon en mijn achtergrond, dan over mijn werkervaring.”

Tijdens het gesprek heeft Farida niets gezegd over de aparte vragen die haar gesteld werden. “Het ging om een gewilde functie, dus je probeert er het beste van te maken. Door gewoon te antwoorden en vriendelijk te blijven, probeerde ik het nog te redden.” Uiteindelijk kreeg Farida de baan niet, maar ze is niet in verweer gegaan. “Wat kun je in zo’n geval ook doen? Als je bijvoorbeeld een klachtenbrief zou sturen, dan is het jouw woord tegen dat van hen. Je kan nooit bewijzen dat het om discriminatie gaat.”

Onwetendheid

Gelukkig is Farida nu werkzaam in een Rotterdamse organisatie, waar ze inmiddels in een divers team werkt. Dat was echter niet altijd al. “Toen ik hier kwam werken was ik de tweede moslim van het hele team”, zegt ze. “Ik was de eerste die een hoofddoek droeg en zowel mijn Marokkaanse als Nederlandse identiteit expliciet uitdroeg. Soms kreeg ik wel rare vragen of opmerkingen van collega’s, bijvoorbeeld wanneer ik uitgehuwelijkt zou worden. Als het echt om vooroordelen gaat, ben ik er snel klaar mee. Maar als mensen oprecht iets willen weten over de islam of mijn cultuur, en het op een normale manier aan me vragen, dan sta ik er altijd voor open om het uit te leggen.”

Farida gelooft dan ook dat de meeste gevallen van discriminatie voortkomen uit onwetendheid. Om de kennis en het begrip over haar cultuur te vergroten, probeert Farida haar Marokkaanse achtergrond juist zichtbaar te maken. “Als de ramadan begint, bijvoorbeeld, dan neem ik een traktatie mee naar werk”, licht ze toe. “Dat doe ik niet zozeer om het te vieren, maar om te laten zien dat ik het belangrijk vind. Collega’s gaan dan vanzelf vragen stellen en begrijpen dan ook beter waarom ik iets belangrijk vind.” 

Jezelf blijven

Jezelf blijven is de belangrijkste tip van Farida aan andere moslima’s op de werkvloer. “Natuurlijk, je moet je aanpassen aan de situatie waarin je terechtkomt”, zegt ze. “Maar nooit zoveel dat je jezelf kwijtraakt! Ik zeg altijd: je moet je gedeeltelijk aanpassen. En je witte of autochtone collega’s moeten zich ook gedeeltelijk aanpassen. Maar laat vooral zien wie je bent, zodat mensen je beter begrijpen en vooroordelen verdwijnen. Als iedereen zich gedeeltelijk aanpast en elkaar respecteert, kun je hartstikke goed samenwerken.” 

Meer weten?

Het onderzoek ‘Ervaren discriminatie van moslima’s op de Rotterdamse arbeidsmarkt’ van IDEM Rotterdam is nu te downloaden.

*Uit privacyoverwegingen is de naam van Farida gefingeerd. De foto is ter illustratie.

5 vragen over… seksuele straatintimidatie

5 vragen over… seksuele straatintimidatie

Roepen, sissen, nafluiten en vervolgens uitgescholden worden als je niet reageert. Voor veel (met name) vrouwen en LHBTIQ+-personen is dit een herkenbare realiteit. De gemeente Rotterdam wil korte metten maken met deze en andere vormen van straatintimidatie, want iedereen moet immers met een veilig gevoel op straat kunnen lopen. IDEM Rotterdam stelt vijf vragen over seksuele straatintimidatie aan Lisanne Oldekamp, beleidsadviseur en projectleider ‘aanpak seksuele straatintimidatie’ bij gemeente Rotterdam.

1. Wat is seksuele straatintimidatie?

Seksuele straatintimidatie kent vele vormen. In het plan van aanpak van de gemeente hanteren we de volgende definitie: ‘(seksuele) uitlatingen of gedragingen op straat waarmee anderen u irriteren, tot last zijn, kwetsen, beledigen, bedreigen of beperken in uw gevoel van vrijheid’.

2. Hoe vaak komt seksuele straatintimidatie in Rotterdam voor?

Uit onderzoek uit 2016 blijkt dat 44 procent van de vrouwen die aan het onderzoek hebben meegewerkt, te maken heeft gehad met seksuele straatintimidatie. Het gaat daarbij om bovenstaande definitie. Als je echter een bredere definitie hanteert, waaronder ook sissen, fluiten of naroepen vallen, dan heeft maar liefst 94 procent van de vrouwen dit meegemaakt. Seksuele straatintimidatie is dus een groot probleem. De gemeente heeft de Erasmus Universiteit Rotterdam opdracht gegeven om het onderzoek uit 2016 te herhalen, om een actueel beeld te krijgen van het probleem. Dat rapport verschijnt volgende week.

3. Wat doet de gemeente tegen seksuele straatintimidatie?

De gemeente heeft een integrale aanpak. Slachtoffers van seksuele straatintimidatie kunnen hun ervaring melden in de StopApp. Als je wil, kun je je contactgegevens achterlaten. Iemand van de gemeente neemt dan contact met je op, bijvoorbeeld om je door te verwijzen naar hulpverlening. We willen vooral dat melders zich gehoord voelen.

Verder voeren we campagnes om mensen ervan bewust te maken dat seksuele straatintimidatie niet normaal is. Deze richten zich naast slachtoffers ook op daders of potentiële daders. We gaan ons ook meer richten op omstanders: help iemand als je merkt dat er sprake is van seksuele straatintimidatie. Als hele samenleving moeten we zeggen: ‘We vinden dit niet normaal.’

Tot slot gaat er veel aandacht naar de strafbaarstelling van straatintimidatie. In Rotterdam hebben we een tijd een artikel in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV; in de APV staat de regelgeving binnen de gemeente, bijvoorbeeld ook over vergunningen en over waar je op straat alcohol mag drinken) gehad, waarmee straatintimidatie strafbaar was en waar we op konden handhaven. Helaas is dat door een rechter herroepen: een lokale verordening was volgens de rechter niet mogelijk, maar een wet (dus landelijk) wel. Inmiddels is in Den Haag een wetsvoorstel in de maak, waar de gemeente Rotterdam ook input voor levert. We doen ons uiterste best om die wet voor elkaar te krijgen.

4. Wordt er ook veel gedaan aan de preventie van seksuele straatintimidatie?

We zijn momenteel bezig met een nieuwe aanpak van seksuele straatintimidatie. Hierbij zal meer aandacht uitgaan naar preventie. Het belangrijkste hierbij is dat we niet het wiel opnieuw gaan uitvinden. We onderzoeken bijvoorbeeld of er lessen over seksueel gedrag zijn op scholen, waarbij we kunnen aanhaken. Ook proberen we aansluiting te vinden bij andere activiteiten in de stad, bijvoorbeeld workshops over taboes bespreken.

5. Wat kun je als professional doen als een cliënt of zorgvrager te maken heeft met seksuele intimidatie?

In eerste instantie kun je het melden in de StopApp. Ook professionals kunnen melden in de StopApp, eventueel anoniem. Hoe meer meldingen we binnenkrijgen, hoe meer zicht we hebben op het probleem en hoe concreter we het kunnen aanpakken. Als de persoon in kwestie dat wil, kunnen we contact opnemen en doorverwijzen naar de juiste hulpverlener. Verder is het heel erg afhankelijk van wat er is gebeurd en wat iemands behoefte is. We zijn op dit moment bezig met het doorontwikkelen van onze aanpak. Eén van de punten die we daarin willen meenemen, is het vergroten van het handelingsperspectief van omstanders. Die term ‘omstanders’ willen we wat verder afpellen, want ook professionals kunnen natuurlijk omstanders zijn. Om te zorgen dat we de juiste tips meegeven, ben ik ook erg benieuwd waar professionals behoefte aan hebben (hiervoor kun je per mail contact met me opnemen).

Verder raden we voor hulpverleners een korte online training aan van Stand Up. Met behulp van een aantal casussen krijg je meer inzicht in wat seksuele intimidatie is en hoe je het beste kan handelen.

Meer weten?

Op 29 april 2021 organiseert IDEM Rotterdam het Kennisatelier ‘Seksuele intimidatie, niks bijzonders?’. Er zijn nog een beperkt aantal plaatsen voor professionals beschikbaar, dus meld je snel aan. Over de aanpak van seksuele straatintimidatie door de gemeente Rotterdam kun je meer lezen op de website van de gemeente.