“Niemand vraagt ooit hoe het is op Zuid” –  de ervaringen van jongeren in ‘verhippend’ Feijenoord

“Niemand vraagt ooit hoe het is op Zuid” – de ervaringen van jongeren in ‘verhippend’ Feijenoord

‘Stijlvolle lofts gevestigd op Katendrecht, het meest roemruchte schiereiland van Nederland’ of ‘een uniek schakelpunt tussen twee werelden, de Kop van Zuid en Afrikaanderwijk’. Het contrast tussen Rotterdam-Zuid en de rest van de Maasstad wordt in brochures voor nieuwbouwprojecten op Zuid afgeschilderd als uniek en historisch cultureel erfgoed. Onder invloed van deze ‘verhipping’ verandert Feijenoord in rap tempo: sociale woningbouw moet wijken voor dure, luxe nieuwbouwprojecten die nieuwe mensen naar het gebied moeten trekken. Maar hoe voelt dit voor Rotterdammers die in ‘achterstandswijk’ Feijenoord zijn opgegroeid? IDEM-onderzoeker Inte van der Tuin ging in gesprek met professionals en jongeren van Zuid.

Op de hoek van de Pretorialaan en de Bloemfonteinstraat trekken de felgele luifels en vrolijk gekleurde terrasstoeltjes je naar espressobar Pretoria. Het retro interieur valt niet langer uit de toon in deze wijk. Het winkelaanbod van Feijenoord verandert de laatste jaren: naast Turkse slagers verrijzen er hippe koffiezaakjes, vegan winkels en creatieve ondernemers. Een paar straten verderop staan de panden er minder florissant bij: in de Tweebosbuurt staat een groot aantal woningen te wachten op de sloopkogel. Een deel van de bewoners voert nog steeds een (juridische) strijd tegen woningcorporatie Vestia. In Feijenoord is duidelijk sprake van gentrificatie. Kort gezegd komt dat neer op opwaardering van wijken door de komst van kapitaalkrachtige inwoners, met als gevolg een stijging van de huur- en huizenprijzen. In Rotterdam is deze ontwikkeling nadrukkelijk gemeentebeleid. Naast de aanpassing van het woningaanbod stimuleert de gemeente met subsidieregelingen de vestiging van ondernemers uit andere delen van de stad in Rotterdam-Zuid, zoals de eigenaresse van de vegan bakkerij op de Hillelaan. Op de vraag of ze jongeren uit de buurt in dienst heeft, is haar antwoord dat het “helaas niet is gelukt om die te vinden.”

Hoe ervaren jongeren die in Feijenoord zijn geboren en getogen deze veranderingen? Hebben zij (veelal jongeren met migratieachtergrond) het idee dat het stigma van Rotterdam-Zuid als het ‘slechte’ deel van de stad aan kracht verliest? Gaan er met de bevolkingsverandering ook andere dingen verloren? En wat krijgen zij zelf mee van deze zogenaamde ‘upgrade’ van hun wijk? Om inzicht te krijgen in de ervaringen van jongeren tussen de 16 en 30 jaar, legde ik contact met verschillende professionals die met de doelgroep werken. Ik kreeg de kanttekening dat er veel tijd en inlevingsvermogen nodig is om de ervaringen van jongeren werkelijk te begrijpen. Een terechte opmerking, want voor dit artikel zou ik niet lang genoeg de tijd hebben om onderzoek te doen. Mede hierdoor is het alleen gelukt om jongeren te spreken die een opleiding volgen. Via de professionals kwam ik namelijk als eerste met hen in contact. Toch hebben de professionals en jongeren die ik heb gesproken contact met een brede groep jongeren, die wel een afspiegeling vormen van Feijenoord. Hierdoor kreeg ik toch een interessant kijkje in de levens van jongeren in Feijenoord. “Niemand vraagt me ooit hoe het is op Zuid”, zegt een van hen. “Mensen hebben altijd allerlei aannames.”

Opgroeien in Feijenoord

De jeugdervaringen van jongeren staan in sterk contrast met de promotieteksten over Katendrecht als ‘hippe plek en gewilde woonwijk’ en Afrikaanderwijk als ‘intieme buurt’. Criminaliteit, vandalisme en overlast komen al snel ter sprake. Gabriel, een welbespraakte mbo-student van 18 jaar, vertelt over de wijk waar hij opgroeide: “Er was altijd veel geluid: je hoorde auto’s hard rijden, mensen maakten ruzie, er werden dingen kapotgemaakt. Achteraf gezien was het overlast, maar iedereen was eraan gewend en het voelde als iets normaals. Ik besef dat het niet normaal is, maar ik weet: op Zuid is het wel normaal. Zo zie ik het. Over het algemeen is die chaos niet goed, maar ik ben er zo in opgegroeid dat het me niet meer zoveel boeit.”

Jongeren hebben het idee dat het bijvoorbeeld in de Afrikaanderwijk rustiger is geworden dan vroeger. De 17-jarige mbo-studente Nour zegt dat er vaker schietpartijen, inbraken en branden waren toen zij jonger was. Zij denkt dat het gemeentebeleid een aandeel heeft gehad in deze verandering. Door de sloop van woningen zijn mensen die met elkaar zijn opgegroeid, onder andere in de Tweebosbuurt, uit elkaar gehaald. “Dat is wel vervelend”, zegt ze, “maar er is minder chaos. Als je elkaar kent en je bent er opgegroeid dan doe je dingen.” Met die ‘dingen’ doelt ze op criminele activiteiten. Het mag rustiger zijn geworden in Feijenoord, menen ook de professionals, maar de ‘straatcultuur’ is nog steeds vrij dominant aanwezig. Joany Muskiet, die zich met haar Stichting Helderheid al jaren als ‘moeder van de wijk’ inzet voor jongeren in Feijenoord, vertelt dat de thuissituatie van jongeren van invloed is op de aantrekkingskracht die de straatcultuur op hen heeft: “Voor het afmaken van een opleiding heb je stimulans en bemoediging nodig. Iemand die steeds zegt: je redt het wel. Als een kind dat niet heeft en hij zit op straat met gasten met wie hij kan chillen, dan kies je daar toch voor. Ze weten dat je altijd geld kunt verdienen met drugs.”

Jongeren bevestigen de invloed die ouders hebben op de mate waarin jongeren in aanraking komen met straatcultuur. Ze vertellen dat niet alle kinderen en jongeren van hun ouders de ruimte krijgen om zich met straatcultuur in te laten. Zo vertelt Roebia, een 20-jarige hbo-studente, dat zij nooit buiten mocht spelen, omdat haar moeder Rotterdam-Zuid ‘gevaarlijk’ vond. Zij denkt dat zij een uitzondering was en dat veel kinderen juist heel vrij werden gelaten, ook als het ging om hun schoolprestaties. Volgens Gabriel krijgt een deel van de jongeren niet van huis uit mee dat ze allerlei mogelijkheden hebben en daardoor het idee krijgen dat school niets voor hen is: “Ze denken: de straat is stoer, ik ga niet naar school, school is niet voor mij weggelegd. Zeker als ze de citotoets hebben gemaakt en zien dat ze geen havo-materiaal of hoger zijn. Dat zien ze als iets negatiefs. Als ze havo of vwo hebben dan heb ik wel gezien dat ze soms anders naar de wereld gaan kijken, dat ze meer van hun potentie gaan gebruiken. Omdat ze denken: oh, ik ben slim. Maar ik zie ook mensen die havo deden of vwo en nu mbo niveau 2. Ze zijn bezig met dealen of hebben thuis problemen en denken dat ze het niet ver gaan brengen.”  

Sociale verbondenheid

Opgroeien in Feijenoord heeft volgens jongeren ook positieve kanten. Veel van hen groeien op in de nabijheid van familie en vrienden. Zij zijn over het algemeen positief over hun wijk, zo ook de jongeren die meewerkten aan dit artikel. Het recente kwantitatieve onderzoek Maasstad aan de monitor door de Erasmus Universiteit onderstreept dat bewoners met lage inkomens in een buurt als Afrikaanderwijk regelmatig veel lokaal ‘sociaal kapitaal’ bezitten en dus veel contacten hebben in hun wijk. Deze sociale verbondenheid zorgt ervoor dat hun wijk waardevol voor hen is. Twee jonge ondernemers die zijn opgegroeid in Afrikaanderwijk en op Katendrecht hebben goede herinneringen aan de onderlinge betrokkenheid. “Opgroeien in de Afrikaanderwijk was leuk”, vertelt een van hen. “Er was een gezonde sociale controle. De deur kon je open laten staan. Andere kant was dat er naalden lagen op een braakliggend terrein waar wij als kinderen speelden. Maar ik had geen last van het stigma van achterstandswijk. Het is jouw wijk en je voelt je er thuis.”

In kwalitatief onderzoek naar de betekenis van de buurt voor jongeren met een migratieachtergrond die opgroeien in vergelijkbare (‘achterstands’)wijken als die in Feijenoord, komt naar voren dat sociale contacten voor hen van groot belang zijn. Uit twee onderzoeken van antropoloog Martijn Koster en van socioloog Patricia Wijntuin onder jongeren in Utrechtse ‘achterstandswijken’ blijkt bijvoorbeeld dat jongeren hun wijk vaak als ‘gezellig’ karakteriseren. ‘Gezellig’ omdat zij er vrienden hebben wonen, goed contact hebben met de buren, mensen elkaar op straat begroeten en er gezamenlijke activiteiten in de wijk worden gedaan. Een onderzoek van sociaal geograaf Kirsten Visser, dat is uitgevoerd in de Feijenoordse wijken Afrikaanderwijk, Bloemhof, Hillesluis, Feijenoord en Vreewijk, laat zien dat ook hier de meeste jongeren hun wijk positief waarderen, grotendeels vanwege de betrokkenheid van bewoners.

Hechte contacten en vriendschappen ontstaan vooral tussen jongeren met dezelfde levensstijl en vaak dezelfde etnische of religieuze achtergrond, toont een recent onderzoek van Kennisplatform Integratie & Samenleving naar identiteitsbeleving en gevoelens van binding van jongeren met een migratieachtergrond. Logischerwijs ontstaat er gemakkelijker een hechte band als jongeren gedeelde normen en waarden hebben en elkaar begrijpen. Een verbindende factor binnen wijken in Feijenoord die etnische en religieuze verschillen overstijgt, is de gedeelde straattaal en -cultuur, die in gesprekken met jongeren en professionals uit Feijenoord ter sprake komt. Jongeren vertellen dat die manier van praten zo vertrouwd is dat ze soms niet eens beseffen dat ze straattaal gebruiken en geen Standaardnederlands. Pas als ze merken dat ze niet door iedereen worden begrepen, hebben ze dit door. Zo’n gedeelde taal schept een band, die volgens Muskiet voor een groot deel van de jongeren ook op een gedeelde ervaring is gebaseerd: “Sinds ik mij voor jongeren van de straat ben gaan inzetten heb ik ontdekt dat zij hun eigen cultuur hebben ontwikkeld; de straatcultuur. Als ze elkaar ontmoeten zeggen ze ook altijd: hee niffo, broer, hoe gaat het, geven ze elkaar een box, een brasa. Ik wilde weten wat de band was die hen bij elkaar bracht en door de jaren heen heb ik dat ontdekt: het was afwijzing, door ouders, door de maatschappij. Want je hebt allerlei jongeren van elke cultuur, ze hebben die band met elkaar. Dat vind ik bijzonder.”    

Trots op hun wijk

Jongeren delen ook hun trots op de wijk en het gebied waar ze wonen. Jongeren houden van hun omgeving, benadrukt Muskiet: “Mijn overleden zoon had het altijd over Zuidzijde, 5314 – de zone van de metro. Zo trots zijn ze.” Muskiet is de moeder van rapper Helderheid, die in 1995 samen met een aantal andere rappers uit Zuid de Tuigcommissie oprichtte. De Tuigcommissie introduceerde het gebruik van 5314 in rapteksten, geïnspireerd door graffiti-artiesten die het spoten, staat in de publicatie Roffa 5314. Sindsdien is de metrozone van Rotterdam Zuid populair bij jongeren die aan anderen duidelijk willen maken wat hun ‘terrein’ is. Ook het bovengenoemde onderzoek in Feijenoord laat zien dat jongeren over het algemeen trots zijn op hun wijk en zich (sterk) identificeren met deze plaats en de gemeenschap. Hun wijk is meestal één van hun favoriete plekken in Rotterdam. Opnieuw komt in het onderzoek hun identificatie met de zone van het openbaar vervoer, 5314, naar voren als uitdrukking van hun trots. Het getal 5314 komt regelmatig terug in graffiti-tags, op muren in toiletten, op schooltassen en in statussen op sociale media. Deels is de trots van jongeren volgens onderzoeker Visser een reactie op de negatieve beeldvorming over Feijenoord en Rotterdam-Zuid in het geheel. Zij zijn zich bewust van het beeld van ‘probleemwijk’ en ‘achterstandsbuurt’ dat veel buitenstaanders hebben. Dit doet echter weinig af aan hun eigen identificatie met hun wijk. Mogelijk versterkt de beeldvorming deze identificatie volgens de onderzoeker juist.          

Verdwijnt de leefwereld van jongeren?

Op dit moment is de gentrificatie in het gebied Feijenoord nog grotendeels geconcentreerd in de wijken langs de Maas. De transformatie van Katendrecht is het opvallendst. De jonge ondernemer die er is opgegroeid en veel met jongeren werkt, vindt dat het schiereiland wordt ‘gehypet’ en zegt dat jongeren die er wonen “niets hebben” aan de veranderingen. Volgens hem pakken de veranderingen juist negatief voor hen uit: “Jongeren zien hun leefwereld kleiner worden. De plekken waar ze vroeger speelden verdwijnen. Er wordt heel veel gebouwd. Nieuwe bewoners lopen met een boog om jongeren heen. Daarvan zijn zij zich bewust: ‘We weten wel hoe ze naar ons kijken.’”

Ook in andere delen van Feijenoord verdwijnen parkjes om plaats te maken voor dure huizen en appartementen. De nieuwe bewoners die deze woningen kunnen betalen hebben over het algemeen een totaal andere belevingswereld dan de jongeren die in Feijenoord zijn geboren en getogen. “En van beide kanten geldt: onbekend maakt onbemind”, zegt een professional. Uit eerder onderzoek van Martijn Koster blijkt dat jongeren, die zelf vooral in sociale woningbouw wonen, de delen van de wijk met koopwoningen niet beschouwen als ‘hun wijk’. Sociale contacten zijn heel belangrijk voor hun beleving van de wijk. Op basis van die contacten identificeren zij zich wel of niet met delen ervan. Door sloop van sociale huurwoningen en de bouw van woningen in een hoger segment worden in zekere zin delen van de wijk afgenomen van jongeren. Nour, die grotendeels bij haar tante in Afrikaanderwijk is opgegroeid, beschrijft hoe zij de herstructurering van de wijk ervaart: “Mijn oom woonde in de Tweebosbuurt, die wordt gesloopt, en hij is nu verhuisd naar Ridderkerk. Hij is daar wel tevreden. De verbouwing van Afrikaanderwijk moet nog beginnen, maar het is al wel veranderd doordat er veel mensen zijn verhuisd. Er moeten wel dingen worden veranderd, maar ik vind het niet leuk. Het is toch je jeugd.”  

Stigma van Rotterdam-Zuid

Hoe positief de wijken van Feijenoord in het promotiemateriaal voor nieuwbouwprojecten ook worden gepresenteerd, aan de negatieve invloed die het stigma van Zuid heeft op de levens van jongeren die er zijn opgegroeid lijkt weinig veranderd. Sterker nog, zij lijken nadeel te ondervinden van het stigma, terwijl het van witte bewoners met een goed inkomen en nieuwbouwwoning vanzelf afglijdt. Door reacties van anderen en berichtgeving in de media, beseffen de jongeren goed dat zij zijn opgegroeid in een impopulair deel van de stad. Mbo-studenten vertellen dat zij met de negatieve beeldvorming over Zuid werden geconfronteerd toen zij in een ander deel van de stad naar school gingen. “Iedereen kwam bijna uit Noord en leerlingen keken mij gelijk aan toen ze hoorden dat ik uit Zuid kwam”, vertelt Gabriel over zijn ervaring op een middelbare school in Rotterdam Noord. “En dan begin je je te schamen dat je in Zuid woont. Een weekje werden er ook grappen gemaakt van: je woont in Zuid, je bent arm hè. Zulke dingen.”  

Roebia ging in Barendrecht naar een ‘witte school’. Daar werd ze gepest. Medeleerlingen schreeuwden onder andere ‘Rotterdam Zuid’ naar haar. Zelfs mbo-docenten reageerden met opmerkingen als “getto hoor”, toen Nour vertelde dat zij in Zuid woont. De mbo-studenten vertellen verder dat medestudenten die in andere delen van de stad wonen vaak niet in Zuid willen “chillen”. Ze zijn nooit naar Rotterdam-Zuid geweest en willen er ook niet heen. Nour is bang dat het voor haar moeilijker zal zijn om na haar opleiding een baan te vinden. “Soms denk ik wel dat het moeilijk gaat worden om werk te zoeken omdat ik in Zuid woon”, vertelt ze. “Ik denk dat iemand die in Kralingen woont eerder wordt aangenomen dan ik. Dat weet ik niet zeker, maar ik heb dat gevoel.”     

Jongeren hebben het idee dat de negatieve associaties die mensen hebben bij Zuid, zoals criminaliteit en drugsgebruik, invloed hebben op het beeld dat anderen van hen hebben. Een recent onderzoek van stadsgeograaf Fenne Pinkster naar de stigmatisering van de Amsterdamse Bijlmer bevestigt dat bewoners inderdaad last kunnen hebben van negatieve beeldvorming over hun wijk en dat herstructurering hier (op korte termijn) weinig aan verandert. Ook laat het zien dat er verschillen zijn in de mate waarin bewoners door een ruimtelijk stigma worden geraakt. Juist bewoners met een kwetsbaardere positie hebben meer last van zo’n stigma, dat bestaat uit verschillende dimensies: een raciale, sociale en een materiële. Zo is het stereotiepe beeld van een bewoner van de Bijlmer iemand met een donkere huidskleur met een inkomen uit een uitkering die woont in een sociale huurwoning. Hoe meer overeenkomsten iemand met dit stereotype beeld heeft, hoe meer die persoon last heeft van het stigma en in allerlei situaties moet bewijzen anders te zijn.

Aandacht voor jongeren

Jongeren mogen warme herinneringen hebben aan Rotterdam-Zuid, het negatieve imago is deels nog steeds gebaseerd op de realiteit. Veel jongeren die er opgroeien bevinden zich in een kwetsbare positie en verbetering van hun situatie is wenselijk. De huidige herstructurering van wijken in Feijenoord lijkt voor hen echter weinig op te leveren. Twee professionals zijn van mening dat beleidsmakers vooral zijn gericht op het verbeteren van de statistieken over wijken, zoals cijfers over inkomen, woningvoorraad en veiligheid, waarin “welvarende mensen de problemen van mensen die het minder hebben overschaduwen”. Gabriel ziet herstructurering – in lijn met een deel van de wetenschappers die zich bezighouden met gentrificatie – niet als oplossing maar als verplaatsing van de situatie: “Ik vind dat je iets moet doen voor de arme mensen die in goedkope huizen wonen, in plaats van ze weg te sturen naar de rand van de stad of andere gemeenten.”

Verschillende professionals en jongeren vertellen dat er onder bewoners van Feijenoord een gedeeld gevoel bestaat, namelijk dat de huidige materiële investeringen niet voor hen worden gedaan. Het valt hen op dat (welzijns)organisaties die zich voor bewoners inzetten vaak van buitenaf komen. Niet voor niets bestaat de uitspraak: ‘Wat je doet voor Zuid, zonder Zuid, is tegen Zuid.’ Muskiet is ervan overtuigd dat deze aanpak niet werkt. “Er komen hier allerlei organisaties die ons komen vertellen hoe we het moeten doen, want zij hebben gestudeerd”, zegt ze. “Maar ze kennen die jongens niet en die jongeren van hier die vertrouwen dat niet, want die weten: jij bent nieuw hier, je komt hier werken en verdient je geld en om vijf uur ben je weer weg. En natuurlijk zien ze dat het altijd witte mensen zijn die ze hiernaartoe sturen. Op zich moet dat niets uitmaken, maar als zij dat iedere keer zien, dan denken ze wel: hé, waar zijn die mensen met mijn kleurtje die mij komen vragen hoe het is in die wijk. Dat maakt uit, zeker weten.”

Uit privacyoverwegingen zijn de namen van de jongeren gefingeerd.

Geraadpleegde bronnen

  • Day, M. en M. Badiou (2019). Geboren en getogen. Onderzoek naar de identiteitsbeleving en gevoelens van binding van jongeren met een migratieachtergrond. Utrecht: Kennisplatform Integratie en Samenleving.  Engbergsen, G., G. Custers, I. Glas en E. Snel (2019).
  • Maasstad aan de monitor. De andere lijstjes van Rotterdam. Rotterdam: Erasmus Universiteit.  
  • Grieving, Elsbeth (2007-2008). Roffa 5314. Online tijdschrift.
  • Koster, M. (2011). ‘Gezellig, gewend en de misvatting van de gemengde wijk: jongeren over Overvecht’ in: G. Bolt, R. van Kempen en M. Koster (red.) Jongeren, wonen en sloop. Stedelijke herstructurering gezien door de ogen van jongeren. Den Haag: Nicis Institute.
  • Pinkster, F., M. Ferier en M. Hoekstra (2019). ‘Het hardnekkige stigma van de Bijlmer.’ Online: Sociale Vraagstukken. 
  • Visser, K., G. Bolt en R. van Kempen (2015). ‘Come and live here and you’ll experience it’: youths talk about their deprived neighbourhood, Journal of Youth Studies 18:1.
  • Wijntuin P. (2019). “Mijn buurt is leuk en gezellig!” De betekenis van de buurt voor Marokkaans-Nederlandse jongeren in achterstandswijken. Nijmegen: Radboud Universiteit.
  • Stuk Rood Vlees Podcast, aflevering 34 – Stadsgeografie en de stigmatisering van wijken, met Fenne Pinkster via stukroodvlees.nl
Aan vrijwilligers geen gebrek:  het geheim van House of Hope

Aan vrijwilligers geen gebrek: het geheim van House of Hope

Zorginstellingen en welzijnspartijen kunnen niet zonder vrijwilligers. Toch is het voor veel organisaties lastig om hen te vinden. Ook in Rotterdam zijn er tal van organisaties waar vrijwilligers niet bepaald de deur platlopen. Ondanks dat bijna de helft van de Rotterdammers een vorm van vrijwilligerswerk doet, ervaren verschillende partijen een vrijwilligerstekort. Behalve House of Hope, een sociaal initiatief in Beverwaard. IDEM-onderzoeker Larissa Chantre gaat op zoek naar het ‘geheim’ van deze organisatie: hoe komt het dat zij zelfs ‘nee’ moeten verkopen aan nieuwe vrijwilligers?

Enkele tafels staan her en der in de ruimte, met eenvoudige schoolstoeltjes eromheen. In de hoek is een minikeukentje geïnstalleerd, waar het koffiezetapparaat langzaam filterkoffie uitsputtert. Langs de ramen staat een lange tafel, met een rij computers waar hipsters hun neus voor zouden ophalen. Midden in de ruimte staat een bank met grijze kussens. En een paar gele, om het geheel nog iets van kleur te geven. De woorden ‘huiskamer’ en ‘gezellig’ zijn niet de eerste typeringen die in me opkomen als ik binnenstap. Maar de geur van verse koffie en het warme onthaal van de vriendelijke vrijwilligers zorgen voor een fijn gevoel.

De Huiskamer, zoals de ruimte genoemd wordt, van Stichting House of Hope bevindt zich op de eerste etage van Huis van de Wijk ‘De Focus’, middenin de wijk Beverwaard. Naast de Huiskamer heeft de stichting enkele lokalen tot haar beschikking om lessen te geven. Het kantoor, dat gedeeld wordt met het Leger des Heils, wordt vooral door de drie betaalde medewerkers bezet. De 144 andere ‘hulpverleners’ van House of Hope werken stuk voor stuk op vrijwillige basis. Zo zijn er vrijwilligers die taalles geven, ondersteuning bieden bij de vrouwen- en mannengroepen, taken vervullen als gastvrouw of -heer of deel uitmaken van de klussendienst.

Kerkelijke oorsprong

Hoewel religie geen expliciete rol meer speelt, is House of Hope ontstaan uit de op Zuid gevestigde kerken. Dat de kerk maatschappelijk actief is in de wijk, was echter lange tijd niet vanzelfsprekend. ‘Er staan zes kerken, maar geen van hen is van relevantie voor de wijk’, waren de harde woorden in een rapport van de deelgemeente Charlois in 2001. De kerkelijke gemeenschap op Zuid gaf de deelgemeente geen ongelijk. Ook zij vonden dat de kerken te weinig investeerden in de samenleving of de sociale problematiek in de wijk. Om die reden heeft een aantal mensen uit de International Christian Fellowship Rotterdam (ICF) gezamenlijk een project opgezet met als doel om ‘meer leven in de wijk’ te creëren. Hieruit is House of Hope ontstaan. Nu is House of Hope een zelfstandige organisatie, al is er nog wel een samenwerkingsverband met ICF Rotterdam. Daarnaast is de christelijke grondslag terug te vinden in het dagelijks werk, bijvoorbeeld in de sfeer waarin mensen liefdevol en met respect worden benaderd. De organisatie gebruikt niet voor niets de metafoor van een ‘Levenshuis’. Zo omschrijft House of Hope zichzelf in haar jaarverslag als “een bouwbedrijf dat aandacht heeft voor de levenshuizen van mensen. Deze hebben soms scheuren, brokken en achterstallig onderhoud. Een huis helpen renoveren kost tijd en vraagt doorzettingsvermogen. Ook moet je naar het totaalplaatje kijken: gezondheid, basisbehoeften, persoonlijk welzijn, relaties en een zinvol leven. Want de vloer oplappen terwijl het dak nog lekt, heeft weinig zin.”

Om deze hulp te realiseren probeert de organisatie in te spelen op de behoeften van bewoners uit de wijk. Op basis van deze behoeften en met de focus op het ‘totaalplaatje’, worden verschillende activiteiten opgezet. Voorbeelden hiervan zijn het inloopspreekuur waar bewoners een beroep kunnen doen op maatschappelijk werk en activiteiten voor vrouwen, mannen en kinderen om ontmoeting en uitwisseling van ervaringen te bevorderen. Met ‘naastenliefde’ als uitgangspunt, probeert House of Hope een familiesfeer te creëren tijdens de activiteiten. “In deze setting mogen mensen zichzelf zijn, kunnen ze even op adem komen en mogen ze ervaren dat ze van waarde zijn”, beschrijft de organisatie in zijn jaarplan.

Bij de verschillende activiteiten die House of Hope faciliteert zijn veel vrijwilligers en wijkbewoners betrokken. Een groot deel van hen vervult meerdere taken, soms zelfs op dezelfde dag. Hoewel dit geen eis is, vinden veel vrijwilligers het juist prettig dat zij aan verschillende activiteiten kunnen bijdragen. De mogelijkheid om te variëren in taken is voor hen van groot belang. Volgens de Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV) en het kenniscentrum Vrijwilligers aan Zet zorgt variatie in taken voor binding met een organisatie. De vrijwilligers van House of Hope herkennen dat. “Door bij verschillende activiteiten actief te zijn kan ik werken aan mijn Nederlandse taal. Ik ontmoet veel mensen waardoor ik leer over anderen en mezelf. Ook leer ik hoe ik anderen kan helpen”, legt Fatima uit.

Echter, niet alle vrijwilligers nemen verschillende taken op zich en dit is ook zeker niet verplicht. Het heeft vooral te maken met het ‘vertrouwen in eigen kunnen’ en hoe vrijwilligers bij House of Hope zijn binnengekomen. Zo zijn sommigen er nog niet klaar voor om verschillende functies op zich te nemen. Er wordt dan voor gekozen om te beginnen met één specifieke taak, waarna vrijwilligers met de tijd – afhankelijk van interesses en opgedane vaardigheden – kunnen opklimmen. House of Hope probeert vrijwilligers hierin in te ondersteunen en hen te motiveren door scholing en trainingen aan te bieden.

Van hulpvrager naar hulpgever

“Toen ik binnen kwam bij House of Hope sprak ik slecht Nederlands, had ik weinig sociale vaardigheden en was mijn leven niet op orde”, vertelt Mohamed, terwijl we een kopje koffie drinken in een van de spreekkamers. “Ik deed niks en was erg geïsoleerd en eenzaam. Bij House of Hope kreeg ik hulp bij mijn problemen. Ze vroegen mij om ook te werken als gastheer, zodat ik kon oefenen met de taal. Toen ik beter Nederlands sprak en had gewerkt aan mijn problemen, ben ik gaan helpen bij de formulierendienst. Zes jaar later ben ik de spil in het klussenteam. Ik heb hier echt kunnen groeien, ben bijna elke dag aan het werk en voel me minder geïsoleerd.” Er verschijnt een trotse glimlach op zijn gezicht. Het verhaal van Mohamed staat niet op zichzelf. De meeste vrijwilligers komen bij House of Hope terecht vanwege een hulpvraag. Deze kan variëren van hulp nodig hebben bij een brief lezen, tot ernstige problematiek.

House of Hope wordt door het merendeel van de hulpvragers gevonden via mond-tot-mondreclame. Doorverwijzing vanuit andere instanties gebeurt minder vaak. Afhankelijk van de hulpvraag, bekijkt de organisatie of vrijwilligerswerk betekenisvol kan zijn voor de hulpvrager. Veel cliënten starten vrijwel direct met vrijwilligerswerk. De vrijwilligersfuncties die zij beoefenen, brengen niet al te veel verantwoordelijkheden met zich mee. Daarnaast gaat het vaak om een klein aantal uur per week. “Een hersteltraject noemen wij het”, legt vrijwilligerscoördinator en teamleider Yvonne uit. “Door te werken aan problemen en tegelijkertijd vrijwilligerswerk te verrichten kunnen zij zich beter ontwikkelen. Dit draagt bij aan een sneller proces als het gaat om verbetering van iemands positie in de samenleving.” Door van ‘hulpvragers’ ‘hulpgevers’ te maken worden volgens House of Hope kleine stapjes gemaakt om hen (weer) te laten deelnemen aan de maatschappij.

De vrijwilligers staan vierkant achter deze manier van werken. “Ik ben zo goed geholpen toen ik problemen had”, vertelt Fatima. “De mensen die hier werken, werken vanuit hun hart. Je wordt net zo lang geholpen totdat iets daadwerkelijk is opgelost, ook wanneer je eenmaal bent gestart als vrijwilliger. Ik wil gewoon graag iets terug doen voor anderen en de hulp die je hebt ontvangen weer doorgeven.”

Meer dan alleen vrijwilligerswerk, meer dan alleen een vrijwilliger

Naast dankbaarheid, heerst een sterk gevoel van loyaliteit bij de vrijwilligers. Enerzijds voelen zij zich loyaal naar hulpvragers uit de buurt, omdat zij op de hulp van vrijwilligers ‘wachten’. “Zodra ik bericht krijg van een klus, ben ik daar”, legt Mohameduit. “De mensen die vragen naar klussenhulp hebben niemand of kunnen het niet meer zelf. Je kan ze dan niet laten wachten. Het voelt goed dat ik ze kan helpen.” Deze loyaliteit kan voortkomen uit de betekenisvolle relaties die vrijwilligers kunnen opbouwen met andere hulpvragers. Volgens Lucas Meijs, hoogleraar Strategische Filantropie & Vrijwilligerswerk’, delen vrijwilligers vaak kenmerken met de mensen die zij helpen, is er een grotere persoonlijke betrokkenheid en is het contact informeler. Dit is ook het geval bij de vrijwilligers van House of Hope: zij delen het kenmerk ‘hulpvrager’, kampen wellicht met vergelijkbare problematiek en kiezen er uiteindelijk zelf voor om vrijwilliger te worden waardoor zij persoonlijk meer betrokken zijn. Anderzijds voelen de vrijwilligers ook een loyaliteit naar House of Hope. Deze loyaliteit heeft vooral te maken met het idee dat ze iets terug moeten doen voor de organisatie, als dank voor de hulp en begeleiding die zij hebben ontvangen.

De vrijwilligers geven echter ook andere redenen om vrijwilligerswerk te doen. Het komt steeds neer op contact. “Het gaf mij de mogelijkheid om mensen te leren kennen en deze contacten te onderhouden”, zegt Astrid. “Ik heb een familie erbij gekregen.” Met het woord ‘familie’ doelen de vrijwilligers op een warme, liefdevolle groep die begrip heeft voor de situatie waar sommigen inzitten en waar iedereen elkaar als gelijke behandelt. Deze groep bestaat niet alleen uit collega-vrijwilligers, maar ook de betaalde krachten worden genoemd als onderdeel van deze groep. Dit is een positief gegeven, daar onderzoek heeft uitgewezen dat het hebben van een sociaal netwerk zorgt voor ondersteuning en een vangnet, vermindering van stress en andere mentale klachten. Daarbij vergroot het de kans om tegenslagen te kunnen verwerken. Het lijkt alsof het gevoel dat de organisatie bij de vrijwilligers oproept een belangrijke rol speelt in waarom zij verbonden zijn aan House of Hope. En verbonden blijven, zelfs als de wens om door te stromen naar betaald werk in vervulling gaat.

Ligt het gevaar van overvraging op de loer?

Wel rijst de vraag of het beschreven gevoel van dankbaarheid, loyaliteit, familiariteit en het ‘hulpvrager-hulpgeverprincipe’ niet leidt tot overvraging van de vrijwilliger. Uit onderzoek van de Universiteit voor Humanistiek en de NOV blijkt dat 51% van alle vrijwilligers druk en overbelasting ervaart. Het gaat dan met name om vrijwilligers in de sector zorg en welzijn, dus bij gelijksoortige organisaties als House of Hope. Deze druk komt enerzijds door de bezuinigingen die gepaard gingen met de decentralisatie zorg, werk en jeugdhulp in 2015, wat onder andere heeft geleid tot complexere hulpvragen van cliënten. Anderzijds kunnen werkzaamheden, zoals één-op-éénbegeleiding en crisissituaties, confronterend zijn voor vrijwilligers. Dit kan ervoor zorgen dat ‘vrijwilligers weleens over hun eigen grenzen heen gaan en hun draagkracht oprekken’, menen de onderzoekers.

Als het leeuwendeel van de vrijwilligers van House of Hope zelf de nodige problemen heeft, is hun (emotionele) draagkracht dan wel voldoende om als vrijwilliger aan de slag te gaan? Het sterke gevoel van dankbaarheid en loyaliteit, in combinatie met onvoldoende draagkracht, zou ertoe kunnen leiden dat ook zij over hun eigen grenzen gaan. Immers, tegen een familielid zeg je niet zomaar ‘nee’ en zet je sneller dat ene stapje extra.

House of Hope lijkt hier vanuit organisatorisch oogpunt rekening mee te houden, ook al zet de organisatie expliciet in op deze familiale setting. De beroemde uitspraak ‘vrijwilligerswerk is vrijwillig, maar niet vrijblijvend’, neemt House of Hope niet te letterlijk. Met vrijwilligers die afwezig zijn, wordt namelijk niet heel streng afgerekend. “Uiteraard zijn er afspraken”, licht Yvonne toe. “De vrijwilligers kunnen niet komen en gaan as they please, want wij werken namelijk ook voor anderen in de wijk. Zij rekenen op ons. Tegelijkertijd moeten vrijwilligers fouten kunnen maken en hiervan kunnen leren. In plaats van straffen uitdelen, gaan wij veel liever het gesprek aan over waarom zij afwezig waren.” Met het oog op uitstroom naar de betaalde arbeidsmarkt, vindt House of Hope het belangrijk om in te zetten op vaardigheden zoals verantwoordelijkheid. “Als je werkt voor een baas kun je namelijk ook niet zomaar wegblijven”, vult Yvonne aan. “Maar we houden rekening met het feit dat sommige vrijwilligers ook de nodige problemen hebben en dus niet altijd in staat zijn om de gevolgen van wegblijven te overzien.”

Geen beleid, maar cultuur

Het uiten van waardering is belangrijk bij House of Hope. “Onze vrijwilligers zijn meer dan alleen vrijwilligers en dat is dan ook iets wat we graag aan hen willen laten zien. Oprechte aandacht geven aan onze vrijwilligers: daar staan wij voor”, bepleit Yvonne. Deze ‘oprechte aandacht’ uit zich in de vorm van activiteiten uitsluitend voor vrijwilligers, zoals het verkennen van een andere stad of een barbecue. Maar ook een kaartje en een bloemetje als iemand ziek is of een kleinigheidje met een verjaardag dragen bij aan de ‘familieband’. “Vrijwilligers ervaren niet alleen dat ze gezien worden als ze actief zijn, maar ook dat ze gemist worden als ze er niet zijn.”

Vrijwilligers die een groot aantal uren per week betrokken zijn en/of extra verantwoordelijkheden hebben in hun werk bij House of Hope, krijgen naast de reguliere vormen van waardering een vrijwilligersvergoeding. De teamleider legt uit dat deze niet bedoeld is om vrijwilligers te werven of te behouden. Om die reden wordt de hoogte van de vergoeding ook niet kenbaar gemaakt in vacatures of tijdens gesprekken over vrijwilligerswerk. “We doen dit juist om een beetje extra waardering te tonen”, legt Yvonne uit. “Ook geloven wij dat een vergoeding kan helpen om vrijwilligers te stimuleren in hun verantwoordelijkheden, doorontwikkeling te bevorderen en het gat tussen vrijwilligerswerk en betaald werk te verkleinen.”

Het uiten van waardering en het bieden van een passende beloning is persoonlijk en dus maatwerk. Volgens het Centrum voor Dienstverlening (CVD) is het dan ook van belang om in te spelen op de persoonlijke wensen van vrijwilligers. Hoe kijken de vrijwilligers van House of Hope aan tegen de vorm van waardering? Ik vraag het aan Leila, een van de gastvrouwen in de Huiskamer. “Je hoort echt ergens bij hier”, vertelt ze. “Als ik ziek ben en er ligt een kaartje op de mat, dan voel je dat mensen met je meeleven. Er wordt aan je gedacht en het team heeft begrip voor de situatie. Mooi. Echt een warm gevoel.” Ook de vrijwilligers die wat extra’s krijgen in de vorm van een vergoeding, vertellen dat het vooral gaat om ‘dat schouderklopje’. Een zakcentje is mooi meegenomen, zeker als je moet leven van een uitkering. Maar het is niet wat de vrijwilligers motiveert. Het gaat vooral over anderen willen helpen en daar een klein gebaar voor terug krijgen. “Of het nou een kaartje, een bloemetje of een kleinigheidje is… Het is vooral de liefde die je ervoor terug krijgt van de organisatie en buurtbewoners. Dat zorgt ervoor dat ik dit wil doen.”

Dankbaarheid, loyaliteit, het zijn van een familie: het zijn mooie woorden en gevoelens die de vrijwilligers voor House of Hope hebben. In de cultuur van de organisatie hebben warmte en persoonlijke benadering een belangrijke plaats. Zo’n warm bad kan voormalige cliënten en toekomstige vrijwilligers de ruimte geven om te zijn wie ze zijn met alle ‘brokken’ en ‘scheuren’ die het leven heeft veroorzaakt. Het geeft hen de mogelijkheid fouten te maken en ervan te leren. Om langzaam weer te kunnen deelnemen aan de maatschappij. Meer dan andere organisaties wellicht doen, zet House of Hope in op warmte en persoonlijke aandacht om hulpbehoevende wijkbewoners te vinden, te helpen en te binden. Door hen niet alleen ‘hulpvrager’ te laten zijn, maar vooral ook ervoor te zorgen dat zij ‘hulpgever’ kunnen worden. De vriendelijke gezichten, de verse koffie en de deur die voor iedereen openstaat: het lijkt de binding met de wijk, de personen die terecht komen bij House of Hope en de organisatie zelf te versterken. Misschien is dit ook wel waarom mensen hier de deur platlopen, hoe ongezellig en sfeerloos de Huiskamer voor een buitenstaander ook mag lijken.

Uit privacyoverwegingen zijn de namen in dit artikel gefingeerd.

Geraadpleegde bronnen

– 5 vragen aan professor Lucas Meijs over de waarde van vrijwilligerswerk (n.d.). Van: www.uvv.online-magazine.nl
– CVD (2016). Waarderen en belonen van vrijwilligers. Rotterdam: Centrum voor Dienstverlening
– Enorme vraag naar vrijwilligers: ‘Mensen hebben minder tijd’ (2019). Van: www.nu.nl
– Grootegoed, E., Machielse, A., Tonkens, E., Blonk, L. & Wouters, S (2018). Aan de andere kant van de schutting: inspelen op de toenemende vraag naar vrijwillige inzet in het lokale sociaal domein. Vereniging NOV
– House of Hope (2018). House of Hope Jaarrapportage.
– IDEM Rotterdam (2017). Gebiedsbeeld IJsselmonde. Signalen over integratie, discriminatie, v/m-emancipatie en lhbt-emancipatie uit IJsselmonde, Rotterdam: IDEM Rotterdam
www.houseofhope.nl

Rozenburg

Rozenburg

Rozenburg in het kort

Rozenburg heeft 12.372 inwoners en was tot 1 januari 2010 een zelfstandige gemeente. Rozenburg ligt in het havengebied van Rotterdam. De ligging van Rozenburg is heel geïsoleerd ten opzichte van de rest van Rotterdam. Dit alles bij elkaar geeft Rozenburg een eigen karakter.

Bevolking

Rozenburg kent weinig inwoners met een migratie-achtergrond. De arbeidsparticipatie is een van de hoogste van Rotterdam. Buren kennen elkaar beter dan in de andere gebieden van Rotterdam en discriminatie als buurtprobleem wordt minder vaak ervaren dan in andere gebieden. Het aantal inwoners dat aangeeft dat etnische groepen goed met elkaar omgaan in de buurt is daarentegen laag: 39% tegenover 46% in heel Rotterdam.

Belangrijke indicatoren

  • Bevolking: 12.372 inwoners (1 januari 2017) (Totaal Rotterdam: 634.264).
  • Leeftijdsopbouw Rozenburg: 0-19 jaar (21,8 6 tegenover 22% in heel Rotterdam); 20-39 jaar (21,4% tegenover 31,4% in heel Rotterdam); 40-64 jaar (3,4% tegenover 31,5% in heel Rotterdam); 65-plus (20,2% tegenover 15,1% in heel Rotterdam). (Rotterdam in cijfers)
  • Samenstelling bevolking qua migratie-achtergrond in 2015 : zonder migratie-achtergrond (79% tegenover 50% in heel Rotterdam ), met migratie-achtergrond uit niet-westers land (11% tegenover 38% in heel Rotterdam), met migratie-achtergrond uit westers land (10% tegenover 12% in heel Rotterdam).
  • Gemiddelde WOZ-waarde in euro’s per vierkante meter woonoppervlak: 1574 (tegenover 1575 in heel Rotterdam). (Woningen-Bevolking-Onderzoeksbestand (WBOB) 1-1-2017)
  • Eigendomsverhouding : 41% sociale huur ; 7% particuliere huur; 52% koopwoning. (In heel Rotterdam resp. 46%, 19% en 34% ). (Woningen-Bevolking-Onderzoeksbestand (WBOB) 1-1-2015)
  • Percentage inwoners (ouder dan 15 en excl. studenten) met een laag huishoudinkomen : 9% (tegenover 19% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (23-64 jaar) dat betaald werk heeft : 69% (tegenover 59% in heel Rotterdam). (SSB – CBS 1 oktober 2013)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat zegt veel of een beetje moeite te hebben met Nederlands spreken: 5% (tegenover 13% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat zich afgelopen 12 maanden geen enkele keer gediscrimineerd heeft gevoeld in de buurt: 96% (tegenover 93% in heel Rotterdam) (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat aangeeft dat het buurtprobleem geweldsdelicten vaak voorkomt : 0% (tegenover 8% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat zegt dat buurtbewoners elkaar kennen: 57% (tegenover 40% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners(15 jaar en ouder) dat aangeeft dat mensen zonder en mensen met een migratie-achtergrond goed met elkaar omgaan in de buurt : 59% (tegenover 54% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat aangeeft dat etnische groepen goed met elkaar omgaan: 42% (tegenover 47% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)

 

Bronnen

Bovenstaande informatie is afkomstig uit twee dataoverzichten : het wijkprofiel Rotterdam en Rotterdam in Cijfers. De onderzoeksafdeling van de gemeente Rotterdam (Onderzoek en Business Intelligence) stelt beide overzichten samen uit diverse informatiebronnen waaronder de enquête Wijkonderzoek en de Gemeentelijk Basisadministratie.

Gegevens op deze site zullen regelmatig worden bijgewerkt. Voort zal deze site regelmatig aangevuld worden met nieuwe gegevens, verslagen van IDEM-bijeenkomsten, netwerkinformatie en agendatips.

 

 

Prins-Alexander

Prins-Alexander

Prins Alexander in het kort

Prins Alexander heeft 94.901 inwoners en bestaat uit de wijken: ’s-Gravenland, Het Lage Land, Kralingseveer, Ommoord, Oosterflank, Nesselande, Prinsenland, Zevenkamp. Prins Alexander bestaat grotendeels uit wijken die na 1960 zijn gebouwd. Alleen de wijk Kralingseveer is ouder. Voorts zijn er ook nog een aantal oude gedeelten langs wegen als de Hoofdweg en de Kralingseweg.  De eerste naoorlogse wijk was Het Lage Land. Daarna kwamen Prinsenland (pas in jaren 90 voltooid) en Ommoord. Het laatst aan de beurt was de wijk Nesselande, een Vinex-locatie waar vanaf het jaar 2000 werd gebouwd.

Bevolking

35% van de bevolking van Prins Alexander heeft een migratie-achtergrond tegenover 50% van de totale Rotterdamse bevolking. Er wonen naar verhouding weinig huishoudens met een laag huishoudinkomen en de arbeidsparticipatie ligt boven het Rotterdams gemiddelde.

De mate waarin inwoners aangeven dat buurtgenoten elkaar kennen ligt vier procentpunten boven het Rotterdamse gemiddelde. Discriminatie als buurtprobleem wordt iets vaker ervaren dan in andere gebieden. Het aantal bewoners dat aangeeft dat etnische groepen goed met elkaar omgaan in de buurt ligt ook op het Rotterdamse gemiddelde : 47%.

Belangrijke indicatoren

  • Bevolking: 94.901 (1 januari 2017) (Totaal Rotterdam: 634.264).
  • Leeftijdsopbouw Prins Alexander: 0-19 jaar (22,2% tegenover 22% in heel Rotterdam); 20-39 jaar (23% tegenover 31,5% in heel Rotterdam); 40-64 jaar (34,6% tegenover 31,4% in heel Rotterdam); 65-plus (20,2% tegenover 15,1% in heel Rotterdam). (Rotterdam in cijfers)
  • Samenstelling bevolking qua migratie-achtergrond in 2015 : zonder migratie-achtergrond (65% tegenover 50% in heel Rotterdam ), met migratie-achtergrond uit niet-westers land (25% tegenover 38% in heel Rotterdam), met migratie-achtergrond uit westers land (10% tegenover 12% in heel Rotterdam).(Gemeentelijke Basisadministratie 1-1-2017)
  • Gemiddelde WOZ-waarde in euro’s per vierkante meter woonoppervlak: 1719 (tegenover 1575 in heel Rotterdam). (Woningen-Bevolking-Onderzoeksbestand (WBOB) 1-1-2015)
  • Eigendomsverhouding : 46% sociale huur ; 12% particuliere huur; 42% koopwoning. (In heel Rotterdam resp. 46%, 19% en 34% ). (Woningen-Bevolking-Onderzoeksbestand (WBOB) 1-1-2015)
  • Percentage inwoners (ouder dan 15 en excl. studenten) met een laag huishoudinkomen : 13% (tegenover 19% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (23-64 jaar) dat betaald werk heeft : 66% (tegenover 59% in heel Rotterdam). (SSB – CBS 1 oktober 2013)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat zegt veel of een beetje moeite te hebben met het spreken van Nederlands: 7% (tegenover 13% procent in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat zich afgelopen 12 maanden geen enkele keer gediscrimineerd heeft gevoeld in de buurt: 96% (tegenover 93% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2015). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) Dat aangeeft dat het buurtprobleem geweldsdelicten vaak voorkomt : 3% (tegenover 8% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat zegt dat buurtbewoners elkaar kennen: 42% (tegenover 39% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners(15 jaar en ouder) dat aangeeft dat mensen zonder en mensen met een migratie-achtergrond goed met elkaar omgaan in de buurt : 57% (tegenover 54% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat aangeeft dat etnische groepen goed met elkaar omgaan: 47% (tegenover 47% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)

 

Bronnen

Bovenstaande informatie is afkomstig uit twee dataoverzichten : het wijkprofiel Rotterdam en Rotterdam in Cijfers. De onderzoeksafdeling van de gemeente Rotterdam (Onderzoek en Business Intelligence) stelt beide overzichten samen uit diverse informatiebronnen waaronder de enquête Wijkonderzoek en de Gemeentelijk Basisadministratie.

Gegevens op deze site zullen regelmatig worden bijgewerkt. Voort zal deze site regelmatig aangevuld worden met nieuwe gegevens, verslagen van IDEM-bijeenkomsten, netwerkinformatie en agendatips.

 

Pernis

Pernis

Pernis in het kort

Pernis heeft 4.786 inwoners. Het is het gebied van Rotterdam met de kleinste bevolking. Pernis bestaat uit één wijk of dorp dat midden in het havengebied van Rotterdam staat. Bij Pernis is veel petrochemische industrie gevestigd. Pernis kwam in 1934 samen met Hoogvliet bij de gemeente Rotterdam. Pernis heeft door zijn ligging een heel eigen karakter. In 2002 werd een metrostation geopend die het dorp makkelijker bereikbaar maakt met het ov.

Bevolking

In Pernis wonen naar verhouding weinig mensen met een migratie-achtergrond. 17% van de bevolking heeft een migratie-achtergrond tegenover 50% van de totale bevolking van Rotterdam. Voorts is de arbeidsparticipatie hoog.

Buren kennen elkaar beter dan in de andere gebieden van Rotterdam en discriminatie als buurtprobleem wordt minder vaak ervaren dan in andere gebieden. Het aantal inwoners dat aangeeft dat etnische groepen goed met elkaar omgaan in de buurt ligt op het Rotterdamse gemiddelde.

Belangrijke indicatoren

  • Bevolking: 4.786 inwoners (1 januari 2017) (Totaal Rotterdam: 634.264).
  • Leeftijdsopbouw Pernis 0-19 jaar (21,5% tegenover 22% in heel Rotterdam); 20-39 jaar (23,5 tegenover 31,5% in heel Rotterdam); 40-64 jaar (36,3% tegenover 31,4% in heel Rotterdam); 65-plus (18,5% tegenover 15,1% in heel Rotterdam). (Rotterdamdam in cijfers)
  • Samenstelling bevolking qua migratie-achtergrond in 2017 : zonder migratie-achtergrond (82% tegenover 50% in heel Rotterdam ), met migratie-achtergrond uit niet-westers land (9% tegenover 38% in heel Rotterdam), met migratie-achtergrond uit westers land (8% tegenover 12% in heel Rotterdam).
  • Gemiddelde WOZ-waarde in euro’s per vierkante meter woonoppervlak: 1618 (tegenover 1575 Rotterdam). (Woningen-Bevolking-Onderzoeksbestand (WBOB) 1-1-2015)
  • Eigendomsverhouding : 21% sociale huur ; 13% particuliere huur; 66% koopwoning. (Rotterdam resp. 45%, 22% en 33% ). (Woningen-Bevolking-Onderzoeksbestand (WBOB) 1-1-2017).
  • Percentage inwoners (ouder dan 15 en excl. studenten) met een laag huishoudinkomen : 9% (tegenover 19% in heel Rotterdam) (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (23-64 jaar) dat betaald werk heeft : 72% (tegenover 59% in heel Rotterdam). (SSB – CBS 1 oktober 2013)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat zegt veel of een beetje moeite te hebben met het spreken van Nederlands : 2% (tegenover 13% procent in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat zich afgelopen 12 maanden geen enkele keer gediscrimineerd heeft gevoeld in de buurt: 97% (tegenover 93% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat aangeeft dat het buurtprobleem geweldsdelicten vaak voorkomt : 2% (tegenover 8% in heel Rotterdam) (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat zegt dat buurtbewoners elkaar kennen: 74% (tegenover 39% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners(15 jaar en ouder) dat aangeeft dat mensen zonder en mensen met een migratie-achtergrond goed met elkaar omgaan in de buurt : 58% (tegenover 54% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat aangeeft dat etnische groepen goed met elkaar omgaan: 38% (tegenover 47% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)

 

Bronnen

Bovenstaande informatie is afkomstig uit twee dataoverzichten : het wijkprofiel Rotterdam en Rotterdam in Cijfers. De onderzoeksafdeling van de gemeente Rotterdam (Onderzoek en Business Intelligence) stelt beide overzichten samen uit diverse informatiebronnen waaronder de enquête Wijkonderzoek en de Gemeentelijk Basisadministratie.

Gegevens op deze site zullen regelmatig worden bijgewerkt. Voort zal deze site regelmatig aangevuld worden met nieuwe gegevens, verslagen van IDEM-bijeenkomsten, netwerkinformatie en agendatips.

 

Overschie

Overschie

Overschie in het kort

Overschie heeft 17.613 inwoners. Overschie bestaat uit diverse wijken waarvan Kleinpolder en Overschie veruit de belangrijkste zijn wat betreft het aantal inwoners. Daarnaast zijn er nog: Landzicht, Noord-Kethel, Schieveen, Zestienhoven. Overschie is een oud dorp waar de Delfshavense Schie, de Schiedamse Schie en de Rotterdamse Schie bij elkaar komen. Het werd in 1941 bij Rotterdam gevoegd. Overschie is klein qua oppervlakte maar zeer gemêleerd qua bebouwing met een historische oude dorpskern, vrijstaande villa´s en naoorlogse flats.

Bevolking

De bevolking is wat betreft migratie-achtergrond iets minder divers dan de meeste gebieden in Rotterdam. Zo heeft 38 procent van de bevolking een migratie-achtergrond tegenover 50 procent van de totale Rotterdamse bevolking

Buren kennen elkaar beter dan in de andere gebieden van Rotterdam en discriminatie als buurtprobleem wordt minder vaak ervaren dan in andere gebieden. Het aantal inwoners in Overschie dat aangeeft dat etnische groepen goed met elkaar omgaan in de buurt ligt beneden het Rotterdamse gemiddelde : 46% tegenover 47% in heel Rotterdam.

Belangrijke indicatoren

  • Bevolking: 17.613 (1 januari 2017 – totaal Rotterdam: 634.264).
  • Leeftijdsopbouw Overschie: 0-19 jaar (22% tegenover 22% in heel Rotterdam); 20-39 jaar ( 25,7% tegenover 31,5% in heel Rotterdam); 40-64 jaar (33,6% tegenover 31,4% in heel Rotterdam); 65-plus (19,4% tegenover 15,1% in heel Rotterdam). (Rotterdam in cijfers)
  • Samenstelling bevolking qua migratie-achtergrond in 2015 : zonder migratie-achtergrond (63% tegenover 50% in heel Rotterdam ), met migratie-achtergrond uit niet-Westers land (28% tegenover 38% in heel Rotterdam), met migratie-achtergrond uit Westers land (10% tegenover 12% in heel Rotterdam). (Gemeentelijke Basisadministratie 1-1-2017)
  • Gemiddelde WOZ-waarde in euro’s per vierkante meter woonoppervlak: 1721 (tegenover 1575 Rotterdam). (Woningen-Bevolking-Onderzoeksbestand (WBOB) 1-1-2015)
  • Eigendomsverhouding : 41% sociale huur ; 14% particuliere huur; 45% koopwoning. (Rotterdam resp. 45%, 22% en 33% ). (Woningen-Bevolking-Onderzoeksbestand (WBOB) 1-1-2017)
  • Percentage inwoners met een laag huishoudinkomen (boven 15 jaar excl. studenten); 17% (tegenover 19% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (23-64 jaar) dat betaald werk heeft : 63% (tegenover 59% in heel Rotterdam). (SSB – CBS 1 oktober 2013)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat zegt moeite te hebben met het spreken van Nederlands: 8% (tegenover 13% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat zich afgelopen 12 maanden geen enkele keer gediscrimineerd heeft gevoeld in de buurt: 93% (tegenover 93% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2015)
  • Percentage inwoners (15 jaar en ouder) dat aangeeft dat het buurtprobleem geweldsdelicten vaak voorkomt: 9% (tegenover 8% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners dat zegt dat buurtbewoners elkaar kennen: 55% (tegenover 39% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners dat aangeeft dat mensen zonder en mensen met een migratie-achtergrond goed met elkaar omgaan: 54% (tegenover 54% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)
  • Percentage inwoners dat aangeeft dat etnische groepen goed met elkaar omgaan : 46% (tegenover 47% in heel Rotterdam). (enquête Wijkonderzoek Rotterdam 2017)

 

Bronnen

Bovenstaande informatie is afkomstig uit twee dataoverzichten : het wijkprofiel Rotterdam en Rotterdam in Cijfers. De onderzoeksafdeling van de gemeente Rotterdam (Onderzoek en Business Intelligence) stelt beide overzichten samen uit diverse informatiebronnen waaronder de enquête Wijkonderzoek en de Gemeentelijk Basisadministratie.

Gegevens op deze site zullen regelmatig worden bijgewerkt. Voort zal deze site regelmatig aangevuld worden met nieuwe gegevens, verslagen van IDEM-bijeenkomsten, netwerkinformatie en agendatips.